I.

Zoodra Caterham het oogenblik om den netel aan te vatten gekomen wist,

nam hij de uitvoering der wet in eigen handen en zond lieden uit om

Cossar en Redwood te arresteeren.

Met Redwood ging dit gemakkelijk genoeg. Hij had een operatie in de

zijde ondergaan en de doktoren hadden alle verontrustende tijdingen

voor hem verborgen gehouden, totdat hij aan de betere hand zou zijn. En

nu was hij zoover. Hij was juist opgestaan, en zat in een verwarmd

vertrek, met een berg couranten om zich heen, voor het eerst lezend

van de agitatie die aan Caterham het land in handen gespeeld had,

en van al de moeilijkheden die zich boven de hoofden van zijn zoon

en de prinses samenpakten. Het was 's morgens op den dag dat de jonge

Caddles stierf en waarop de politieagent den jongen Redwood trachtte

te weerhouden van zijn tocht naar de Prinses. De laatste bladen die

Redwood had, stipten deze dingen slechts vaag aan. Hij las deze eerste

afschaduwingen van tegenspoed nog eens over met een zinkend hart,

en las er steeds meer de schaduw des doods uit; hij las voort om

zijn geest bezig te houden tot er verder nieuws zoude komen. Toen de

politiebeambten den knecht de kamer in volgden, keek hij verlangend op.

"Ik dacht dat je me een avondblad bracht," zei hij.

Toen stond hij op, en zei met een plotselinge verandering van houding:

"Wat heeft dit te beteekenen?...."

Hiernà bereikte Redwood geen tijding van iets gedurende twee dagen.

Men was met een rijtuig gekomen om hem mede te nemen, doch toen

het bleek dat hij ziek was, besloot men hem nog een dag of zoo te

laten waar hij was, tot hij veilig kon vervoerd worden, en de politie

bezette zijn huis en veranderde het in een tijdelijke gevangenis. Het

was hetzelfde huis waarin de Reus Redwood geboren was, en waarin

Herakleophorbia voor de eerste maal aan een menschelijk wezen gegeven

was, en Redwood was nu al gedurende acht jaar weduwnaar en woonde

daar alleen.

Hij was nu metaal-grijs, met een klein puntbaardje, en met nog

altijd levendige bruine oogen. Hij was tenger en had een zachte stem,

zooals hij altijd gehad had, doch zijne trekken hadden nu die niet te

beschrijven uitdrukking welke ontstaat door het peinzen over groote

dingen. Het leek den beambte die hem kwam arresteeren, toe, dat zijn

voorkomen een indrukwekkend contrast vormde met de kolossaalheid zijner

vergrijpen. "Deze vent," zei de hoofdagent tot zijn ondergeschikte,

"heeft zijn uiterste best gedaan om alles in de war te schoppen, en hij

heeft een gezicht als een kalm landedelman; en daar heb je nou Rechter

Hangbrow, die de zaken in orde houdt voor iedereen, en die heeft een

kop als een varken. En dan hun manier van optreden! De één een en al

vriendelijkheid en de ander niks dan grommen en brommen. 'k Wil dus

alleen maar zeggen dat je niet op iemand z'n uiterlijk kunt afgaan."

Doch dezen lof van Redwood's minzaamheid werd al heel gauw den

bodem ingeslagen. De agenten vonden hem lastig in het begin, tot

zij hem aan zijn verstand gebracht hadden dat het nutteloos was,

vragen te doen of om couranten te vragen. Zij stelden een onderzoek

in, in zijn studeerkamer, en namen zelfs de couranten mede die hij

hàd. Redwood's stem was luid en vol protest. "Maar begrijp jelui dan

niet," zei hij telkens weer, "dat het mijn zoon is, mijn eenige zoon,

die in moeilijkheid zit. Om het Voedsel geef ik niets, maar mijn zoon."

"Ik wou waarachtig dat ik u iets kon mededeelen, mijnheer," zei de

agent. "Maar onze orders zijn strict."

"En wie heeft je die orders gegeven?" riep Redwood uit.

"Ah, ja, ziet u, meneer--" zei de agent, naar de deur gaand...

"Hij loopt z'n kamer op en neer," zei de tweede agent, toen zijn

superieur naar beneden kwam.

"Goed zoo, dan zal hij 't er wel wat uitloopen."

"Ik mag 't lijjen," zei de hoofdagent, "van diè kant heb ik 't nog

niet bekeken, zie je, maar die Reus, die met de Prinses verkeert,

weet je, is zijn zóón."

De twee keken elkaar aan en toen den derden agent.

"Ja, dan is 't wel wat hard voor hem," zei de derde agent.

Het bleek dat Redwood nog niet ten volle begrepen had, dat er een

ijzeren gordijn gevallen was tusschen hem en de buitenwereld. Zij

hoorden hem naar de deur gaan, aan den knop draaien en aan het

slot rammelen, en vervolgens de stem van den agent, die op den

overloop geplaatst was, en die hem beduidde dat dit alles hem niets

hielp. Daarna hoorden zij hem aan de vensters, en zagen de agenten

buiten opkijken. "Neen, u kunt er langs dièn kant evenmin uit," zei

de tweede agent. Toen begon Redwood uit alle macht te bellen. De

inspecteur ging naar boven en legde hem met veel geduld uit, dat

het hem niets gaf of hij al belde, en dat als hij er nù voor niets op

drukte, men er wel eens niet naar kon luisteren, als hij wèrkelijk iets

noodig had. "We willen u graag in 't redelijke geven wat we kunnen,

meneer," zei hij, "maar als u op het knopje drukt, eenvoudig om te

protesteeren, dan zullen we 'em moeten uitschakelen."

Het laatste woord dat de inspecteur hoorde was een luid: "maar u

kondt me toch in ieder geval wel vertellen of mijn zoon--"

Het voedsel der Goden en hoe het op Aarde kwam · 第 91 / 103 题