Zoodra Caterham het oogenblik om den netel aan te vatten gekomen wist,
nam hij de uitvoering der wet in eigen handen en zond lieden uit om
Cossar en Redwood te arresteeren.
Met Redwood ging dit gemakkelijk genoeg. Hij had een operatie in de
zijde ondergaan en de doktoren hadden alle verontrustende tijdingen
voor hem verborgen gehouden, totdat hij aan de betere hand zou zijn. En
nu was hij zoover. Hij was juist opgestaan, en zat in een verwarmd
vertrek, met een berg couranten om zich heen, voor het eerst lezend
van de agitatie die aan Caterham het land in handen gespeeld had,
en van al de moeilijkheden die zich boven de hoofden van zijn zoon
en de prinses samenpakten. Het was 's morgens op den dag dat de jonge
Caddles stierf en waarop de politieagent den jongen Redwood trachtte
te weerhouden van zijn tocht naar de Prinses. De laatste bladen die
Redwood had, stipten deze dingen slechts vaag aan. Hij las deze eerste
afschaduwingen van tegenspoed nog eens over met een zinkend hart,
en las er steeds meer de schaduw des doods uit; hij las voort om
zijn geest bezig te houden tot er verder nieuws zoude komen. Toen de
politiebeambten den knecht de kamer in volgden, keek hij verlangend op.
"Ik dacht dat je me een avondblad bracht," zei hij.
Toen stond hij op, en zei met een plotselinge verandering van houding:
"Wat heeft dit te beteekenen?...."
Hiernà bereikte Redwood geen tijding van iets gedurende twee dagen.
Men was met een rijtuig gekomen om hem mede te nemen, doch toen
het bleek dat hij ziek was, besloot men hem nog een dag of zoo te
laten waar hij was, tot hij veilig kon vervoerd worden, en de politie
bezette zijn huis en veranderde het in een tijdelijke gevangenis. Het
was hetzelfde huis waarin de Reus Redwood geboren was, en waarin
Herakleophorbia voor de eerste maal aan een menschelijk wezen gegeven
was, en Redwood was nu al gedurende acht jaar weduwnaar en woonde
daar alleen.
Hij was nu metaal-grijs, met een klein puntbaardje, en met nog
altijd levendige bruine oogen. Hij was tenger en had een zachte stem,
zooals hij altijd gehad had, doch zijne trekken hadden nu die niet te
beschrijven uitdrukking welke ontstaat door het peinzen over groote
dingen. Het leek den beambte die hem kwam arresteeren, toe, dat zijn
voorkomen een indrukwekkend contrast vormde met de kolossaalheid zijner
vergrijpen. "Deze vent," zei de hoofdagent tot zijn ondergeschikte,
"heeft zijn uiterste best gedaan om alles in de war te schoppen, en hij
heeft een gezicht als een kalm landedelman; en daar heb je nou Rechter
Hangbrow, die de zaken in orde houdt voor iedereen, en die heeft een
kop als een varken. En dan hun manier van optreden! De één een en al
vriendelijkheid en de ander niks dan grommen en brommen. 'k Wil dus
alleen maar zeggen dat je niet op iemand z'n uiterlijk kunt afgaan."
Doch dezen lof van Redwood's minzaamheid werd al heel gauw den
bodem ingeslagen. De agenten vonden hem lastig in het begin, tot
zij hem aan zijn verstand gebracht hadden dat het nutteloos was,
vragen te doen of om couranten te vragen. Zij stelden een onderzoek
in, in zijn studeerkamer, en namen zelfs de couranten mede die hij
hàd. Redwood's stem was luid en vol protest. "Maar begrijp jelui dan
niet," zei hij telkens weer, "dat het mijn zoon is, mijn eenige zoon,
die in moeilijkheid zit. Om het Voedsel geef ik niets, maar mijn zoon."
"Ik wou waarachtig dat ik u iets kon mededeelen, mijnheer," zei de
agent. "Maar onze orders zijn strict."
"En wie heeft je die orders gegeven?" riep Redwood uit.
"Ah, ja, ziet u, meneer--" zei de agent, naar de deur gaand...
"Hij loopt z'n kamer op en neer," zei de tweede agent, toen zijn
superieur naar beneden kwam.
"Goed zoo, dan zal hij 't er wel wat uitloopen."
"Ik mag 't lijjen," zei de hoofdagent, "van diè kant heb ik 't nog
niet bekeken, zie je, maar die Reus, die met de Prinses verkeert,
weet je, is zijn zóón."
De twee keken elkaar aan en toen den derden agent.
"Ja, dan is 't wel wat hard voor hem," zei de derde agent.
Het bleek dat Redwood nog niet ten volle begrepen had, dat er een
ijzeren gordijn gevallen was tusschen hem en de buitenwereld. Zij
hoorden hem naar de deur gaan, aan den knop draaien en aan het
slot rammelen, en vervolgens de stem van den agent, die op den
overloop geplaatst was, en die hem beduidde dat dit alles hem niets
hielp. Daarna hoorden zij hem aan de vensters, en zagen de agenten
buiten opkijken. "Neen, u kunt er langs dièn kant evenmin uit," zei
de tweede agent. Toen begon Redwood uit alle macht te bellen. De
inspecteur ging naar boven en legde hem met veel geduld uit, dat
het hem niets gaf of hij al belde, en dat als hij er nù voor niets op
drukte, men er wel eens niet naar kon luisteren, als hij wèrkelijk iets
noodig had. "We willen u graag in 't redelijke geven wat we kunnen,
meneer," zei hij, "maar als u op het knopje drukt, eenvoudig om te
protesteeren, dan zullen we 'em moeten uitschakelen."
Het laatste woord dat de inspecteur hoorde was een luid: "maar u
kondt me toch in ieder geval wel vertellen of mijn zoon--"