II.

Ik denk aan den jongen Caddles altijd terug zooals men hem

op den Nieuwen Kentschen weg zag, met de warme stralen der

ondergaande zon op zijn verbaasd gezicht. De weg was overvol van

omnibussen, trams, wagens, karren, trolleys, fietsers, auto's en

een menigte-in-verbazing--straatslijpers, vrouwen, kindermeisjes,

winkelende vrouwen, kinderen, vermetele melkbaarden--die alle achter

zijn moeilijk-bewegende voeten aankwamen. De schuttingen waren overal

slordig van de verscheurde verkiezingsbiljetten. Een gekakel van

stemmen rees en daalde om hem. Ge kunt u de klanten en winkeliers

zich zien verdringen in de deuren, de gezichten die aan vensters

verschenen en weder verdwenen, de kleine straatjongens hardloopend en

schreeuwend, de politieagenten die het allen heel stijfjes en kalmpjes

opnamen, de werklieden hun karwei neerleggend op de steigers en al de

dooreenkrioelende mengelmoes van kleine menschjes. Zij schreeuwden hem

toe, vage aanmoedigende woorden of nauw-verstaanbare beleedigingen,

de stomme pakmoppen van den dag, en hij keek verbaasd op hen neer,

naar zulk een menigte van levende wezens als hij zich nooit op aarde

gedacht had.

Naarmate hij verder in Londen vorderde moest hij hoe langer hoe

langzamer loopen, daar de kleine menschjes zich zoo om hem heen

verdrongen. De menigte werd bij iedere schrede dichter en eindelijk,

op den hoek waar twee drukke straten bij elkaar kwamen, stond hij stil,

en de menigte vloeide als het ware om hem heen en sloot hem in.

Daar stond hij, met zijne voeten een eindje van elkaar, met zijn rug

tegen een grooten hoogen kroeg die wel tweemaal zoo hoog was als hij,

en in de lucht eindigde in een reclame bord. Hij staarde neer op de

dwergen en verwonderde zich al meer--zonder twijfel trachtend dit

alles in verband te brengen met de andere dingen van zijn leven, met

de vallei tusschen de lage heuvellanden, de minnaars die hij bij avond

betrapte, het zingen in de kerk, het krijt dat hij dagelijks afbikte,

en met instinct, den dood en de lucht, trachtend den samenhang en

beteekenis van dit alles te vinden. Hij stond daar met gefronste

wenkbrauwen. Hij hief zijn enorme hand om er mede door zijn haar te

varen, en kermde luid.

"Ik zie het niet", zeide hij.

Men verstond zijn dialect niet. Een luid gekakel rees over de open

ruimte--een gebabbel waartusschen de gongs der trams, die hardnekkig

hun weg door de menigte bleven ploegen, uitklonken, zooals roode

klaproozen tusschen het koren uitsteken. "Wat zei ie?" "Zei dat ie

't niet begreep." Hij zei "waar is de zee?" Hij zei "waar kan ik toch

gaan zitten?" "Hij wil gaan zitten." "Kan die idioot dan niet boven

op een huis of iets dergelijks gaan zitten?"

"Wat is jelui doel, jelui kleine krioelende menschjes? Wat doen jelui

toch allemaal, waar zijn jelui allemaal voor?"

"Waarom zijn jelui allemaal hier, terwijl ik krijt voor jelui hak in

de krijtgroeven daar ginder?"--zijn eigenaardige stem, de stem die

zoo nadeelig gewerkt had op de discipline van de school te Cheasing

Eyebright, deed de menigte verstommen zoolang zij klonk, en deed hen

eindelijk weder in luid tumult losbreken. De een of andere droogkomieke

persoon brulde: "Spreken, spreken!" "Wat zegt hij?" werd er telkens

en telkens weer gevraagd, en men begon te vertellen dat Caddles

dronken was. "Hé, hé, hé," brulden de omnibus-koetsiers die zich een

weg baanden. Een dronken Amerikaansch matroos liep huilend rond en

vroeg: "wat moet hij eigenlijk hebben?" Een voddenkoopman, met een

leêrachtig gezicht, die op een karretje met een ponnie er voor zat,

overstemde de menigte door zijn luidere stem. "Ga naar 'uis, pest van

een reus!" brulde hij, "Ga naar 'uis! Jij verpest groot gevaarlijk

ding! Zie je dan niet dat je de paarden an 't schrikke maakt. Ga

naar je land. 'Eeft niemand je gezeid wat er in de wet staat?"--En

boven al dit rumoer stond de jonge Caddles verward, vol verwachting

en niets meer zeggend.

Uit een zijstraat kwam een klein rijtje deftige politieagenten,

en kronkelde zich handig door het gedrang; "doorloopen, asjeblieft."

De jonge Caddles bemerkte dat er een klein donker blauw mannetje hem

op zijn scheen stond te tikken. Hij keek naar beneden en zag twee

witte gesticuleerende handen. "Wat?" zei hij, zich vooroverbuigend.

"Kunt hier niet blijven staan," riep de inspecteur.

"Nee! Je kunt hier niet blijven staan," herhaalde hij.

"Maar waar moet ik dan heen?"

"Terug naar je dorp. Je woonplaats. In ieder geval--je moet

doorloopen. Je stremt het verkeer."

"Wat voor verkeer?"

"Hier op den weg."

"Maar waar leidt die dan heen? waar komt ie vandaan? wat beteekent dit

toch allemaal? ze staan allemaal om me heen. Wat willen ze toch? wat

gaan ze doen? Ik wil het weten. Ik heb genoeg van krijt bikken en

alleen zijn. Wat doen zij voor mij terwijl ik krijt hak? Nu ik toch

hier ben, zou ik graag hebben dat 't me nù uitgelegd werd."

"Ja hoor is, maar wij zijn hier niet om dergelijke dingen uit te

leggen. Ik moet je verzoeken door te loopen."

"Maar weet je 't dan niet?"

"Doorloopen, áls je blieft...... Ik zou je raden om maar te maken dat

je thuis komt. We hebben nog geen speciale instructies ontvangen--maar

't is in ieder geval tegen de wet... Uit den weg daar, uit den weg."

Het trottoir aan zijn linkerkant werd heerlijk leeg, en de jonge

Caddles begaf zich langzaam op weg. Doch nu raakte zijn tong los.

"Ik begrijp het niet," mompelde hij. "Ik begrijp het niet."

Hij sprak nu en dan de menigte, die steeds naast en achter hem

voortging, met gebroken stem aan. "Ik wist niet dat er zulke plaatsen

als deze waren. Wat doen jelui toch allemaal voor de kost? waar is

dit allemaal voor? Waar is dit toch allemaal voor en wat is mijn

rol hierin?"

Hij had reeds een nieuwe mop doen geboren worden. Jonge mannen, vol

geestigheid en boertigen luim, spraken elkander op de volgende wijzen

aan: "Hello, 'Arry, O'cock, waar is dit allemaal voor? Hè? Waar dient

dit allemaal voor?" waarop een concurreerende varieteit van snedige

antwoorden gegeven werd, voor het meerendeel onbeleefd. Het meest

populaire en best geschikte voor algemeen gebruik schijnt geweest te

zijn "Hou je smoel," of een verachtelijk eruitgegooid: "Stik!"

Maar er waren ook nog andere die bijna even populair waren.

Het voedsel der Goden en hoe het op Aarde kwam · 第 83 / 103 题