Ik denk aan den jongen Caddles altijd terug zooals men hem
op den Nieuwen Kentschen weg zag, met de warme stralen der
ondergaande zon op zijn verbaasd gezicht. De weg was overvol van
omnibussen, trams, wagens, karren, trolleys, fietsers, auto's en
een menigte-in-verbazing--straatslijpers, vrouwen, kindermeisjes,
winkelende vrouwen, kinderen, vermetele melkbaarden--die alle achter
zijn moeilijk-bewegende voeten aankwamen. De schuttingen waren overal
slordig van de verscheurde verkiezingsbiljetten. Een gekakel van
stemmen rees en daalde om hem. Ge kunt u de klanten en winkeliers
zich zien verdringen in de deuren, de gezichten die aan vensters
verschenen en weder verdwenen, de kleine straatjongens hardloopend en
schreeuwend, de politieagenten die het allen heel stijfjes en kalmpjes
opnamen, de werklieden hun karwei neerleggend op de steigers en al de
dooreenkrioelende mengelmoes van kleine menschjes. Zij schreeuwden hem
toe, vage aanmoedigende woorden of nauw-verstaanbare beleedigingen,
de stomme pakmoppen van den dag, en hij keek verbaasd op hen neer,
naar zulk een menigte van levende wezens als hij zich nooit op aarde
gedacht had.
Naarmate hij verder in Londen vorderde moest hij hoe langer hoe
langzamer loopen, daar de kleine menschjes zich zoo om hem heen
verdrongen. De menigte werd bij iedere schrede dichter en eindelijk,
op den hoek waar twee drukke straten bij elkaar kwamen, stond hij stil,
en de menigte vloeide als het ware om hem heen en sloot hem in.
Daar stond hij, met zijne voeten een eindje van elkaar, met zijn rug
tegen een grooten hoogen kroeg die wel tweemaal zoo hoog was als hij,
en in de lucht eindigde in een reclame bord. Hij staarde neer op de
dwergen en verwonderde zich al meer--zonder twijfel trachtend dit
alles in verband te brengen met de andere dingen van zijn leven, met
de vallei tusschen de lage heuvellanden, de minnaars die hij bij avond
betrapte, het zingen in de kerk, het krijt dat hij dagelijks afbikte,
en met instinct, den dood en de lucht, trachtend den samenhang en
beteekenis van dit alles te vinden. Hij stond daar met gefronste
wenkbrauwen. Hij hief zijn enorme hand om er mede door zijn haar te
varen, en kermde luid.
"Ik zie het niet", zeide hij.
Men verstond zijn dialect niet. Een luid gekakel rees over de open
ruimte--een gebabbel waartusschen de gongs der trams, die hardnekkig
hun weg door de menigte bleven ploegen, uitklonken, zooals roode
klaproozen tusschen het koren uitsteken. "Wat zei ie?" "Zei dat ie
't niet begreep." Hij zei "waar is de zee?" Hij zei "waar kan ik toch
gaan zitten?" "Hij wil gaan zitten." "Kan die idioot dan niet boven
op een huis of iets dergelijks gaan zitten?"
"Wat is jelui doel, jelui kleine krioelende menschjes? Wat doen jelui
toch allemaal, waar zijn jelui allemaal voor?"
"Waarom zijn jelui allemaal hier, terwijl ik krijt voor jelui hak in
de krijtgroeven daar ginder?"--zijn eigenaardige stem, de stem die
zoo nadeelig gewerkt had op de discipline van de school te Cheasing
Eyebright, deed de menigte verstommen zoolang zij klonk, en deed hen
eindelijk weder in luid tumult losbreken. De een of andere droogkomieke
persoon brulde: "Spreken, spreken!" "Wat zegt hij?" werd er telkens
en telkens weer gevraagd, en men begon te vertellen dat Caddles
dronken was. "Hé, hé, hé," brulden de omnibus-koetsiers die zich een
weg baanden. Een dronken Amerikaansch matroos liep huilend rond en
vroeg: "wat moet hij eigenlijk hebben?" Een voddenkoopman, met een
leêrachtig gezicht, die op een karretje met een ponnie er voor zat,
overstemde de menigte door zijn luidere stem. "Ga naar 'uis, pest van
een reus!" brulde hij, "Ga naar 'uis! Jij verpest groot gevaarlijk
ding! Zie je dan niet dat je de paarden an 't schrikke maakt. Ga
naar je land. 'Eeft niemand je gezeid wat er in de wet staat?"--En
boven al dit rumoer stond de jonge Caddles verward, vol verwachting
en niets meer zeggend.
Uit een zijstraat kwam een klein rijtje deftige politieagenten,
en kronkelde zich handig door het gedrang; "doorloopen, asjeblieft."
De jonge Caddles bemerkte dat er een klein donker blauw mannetje hem
op zijn scheen stond te tikken. Hij keek naar beneden en zag twee
witte gesticuleerende handen. "Wat?" zei hij, zich vooroverbuigend.
"Kunt hier niet blijven staan," riep de inspecteur.
"Nee! Je kunt hier niet blijven staan," herhaalde hij.
"Maar waar moet ik dan heen?"
"Terug naar je dorp. Je woonplaats. In ieder geval--je moet
doorloopen. Je stremt het verkeer."
"Wat voor verkeer?"
"Hier op den weg."
"Maar waar leidt die dan heen? waar komt ie vandaan? wat beteekent dit
toch allemaal? ze staan allemaal om me heen. Wat willen ze toch? wat
gaan ze doen? Ik wil het weten. Ik heb genoeg van krijt bikken en
alleen zijn. Wat doen zij voor mij terwijl ik krijt hak? Nu ik toch
hier ben, zou ik graag hebben dat 't me nù uitgelegd werd."
"Ja hoor is, maar wij zijn hier niet om dergelijke dingen uit te
leggen. Ik moet je verzoeken door te loopen."
"Maar weet je 't dan niet?"
"Doorloopen, áls je blieft...... Ik zou je raden om maar te maken dat
je thuis komt. We hebben nog geen speciale instructies ontvangen--maar
't is in ieder geval tegen de wet... Uit den weg daar, uit den weg."
Het trottoir aan zijn linkerkant werd heerlijk leeg, en de jonge
Caddles begaf zich langzaam op weg. Doch nu raakte zijn tong los.
"Ik begrijp het niet," mompelde hij. "Ik begrijp het niet."
Hij sprak nu en dan de menigte, die steeds naast en achter hem
voortging, met gebroken stem aan. "Ik wist niet dat er zulke plaatsen
als deze waren. Wat doen jelui toch allemaal voor de kost? waar is
dit allemaal voor? Waar is dit toch allemaal voor en wat is mijn
rol hierin?"
Hij had reeds een nieuwe mop doen geboren worden. Jonge mannen, vol
geestigheid en boertigen luim, spraken elkander op de volgende wijzen
aan: "Hello, 'Arry, O'cock, waar is dit allemaal voor? Hè? Waar dient
dit allemaal voor?" waarop een concurreerende varieteit van snedige
antwoorden gegeven werd, voor het meerendeel onbeleefd. Het meest
populaire en best geschikte voor algemeen gebruik schijnt geweest te
zijn "Hou je smoel," of een verachtelijk eruitgegooid: "Stik!"
Maar er waren ook nog andere die bijna even populair waren.