Geheel onbewust van den gang van zaken, niets wetend van de wetten
die zich steeds nauwer samentrokken om al de Broederen, ja, zelfs
niet wetend dat er een Broeder leefde op aarde, koos de jonge Caddles
dezen tijd uit om uit zijn krijtgroeve te komen en de wereld te gaan
zien. Door zijn somber gepeins kwam hij hièr eindelijk toe. Hij
kreeg in Cheasing Eyebright geen antwoord op al zijn vragen; de
nieuwe dominé was nòg minder verlicht dan de oude, en het raadsel
van zijn doelloozen arbeid werd eindelijk zoo groot, dat hij het niet
langer dragen kon. "Waarom moet ik hier dag in dag uit in deze groeve
werken?" vroeg hij. "Waarom zou ik me binnen zekere grenzen houden,
en zou ik al de wonderen van de wereld daarbuiten niet mogen zien? Wat
heb ik gedaan, dat ik hiertoe veroordeeld ben?"
En op zekeren dag stond hij op, rekte zich uit, en zeide met luider
stem: "Neen! ik doe 't niet langer," en toen verwenschte hij de
groeve met kernachtige taal. En toen, daar hij niet rad van tong
was, trachtte hij zijn gedachten in daden uit te drukken. Hij nam een
lorrie, die half met krijt gevuld was en keilde hem met een smak tegen
een anderen aan. Toen greep hij een heele rij leege lorries en gooide
ze een glooiing af. Hij smeet er een reusachtig krijtblok tusschen
dat aan stukken vloog, en brak toen met één krachtigen schop van zijn
voet ongeveer twaalf rails op. Aldus begon hij op nauwgezette wijze
de groeve te vernielen.
"'k Zou nog liever, dan hier al mijn dagen in te werken," zei hij.
De kleine geoloog dien hij, in zijn abstractie, over het hoofd
gezien had, beleefde een angstige vijf minuten. Nadat dit arme wezen
ternauwernood twee rotsblokken ontweken was, vluchtte hij door den
westelijken uitgang, den heuvel over, met zijn knapzak dansend op zijn
rug en met glanzende beentjes die in een kuitbroek gestoken waren,
en liet een spoor van krijtachtige echinodermata achter zich, terwijl
de jonge Caddles, voldaan over de verwoesting die hij aangericht had,
met groote passen naar buiten kwam om zijn fortuin in de wereld te
gaan zoeken.
"Ik zou nog liever dan in die ouwe rot-groef te werken, tot ik
doodga en rot en stink!" Wat voor 'n wurm dachten ze wel, dat in
mijn reuzenlichaam huisde? Krijtgraven voor god weet wat een onzinnig
doel. 'k Zou je danken!..
De richting van den weg, of van de spoorlijn misschien, deed hem
den kant naar Londen opgaan, en daar kwam hij opaan stappen, over
de Duinen, dwars over de weiden, in den heeten namiddag, tot groote
verbazing van de wereld. Het had voor hem geen beteekenis, dat er aan
iederen muur en schuur verscheurde roode en witte aanplakbiljetten
fladderden, waarop verschillende namen te lezen waren.
Hij wist niets van de verkiezings-revolutie die Caterham, "Jack
de Reuzendooder" plotseling op het kussen gebracht had. Het wilde
voor hem niets zeggen, dat op elk aanplakbord aan elk politiebureau
langs zijn weg, aangeplakt was wat bekend stond als Caterham's ukase,
proclameerend dat geen reus, of eenig ander persoon boven de acht voet,
zich verder dan vijf mijlen buiten zijn "woonplaats" mocht begeven,
zonder speciale vergunning. Het zei hem niets, dat achter hem aan
constabels, die hem niet bij konden houden, en voor wien het een ware
opluchting was dat ze dit niet konden, waarschuwende biljetten achter
zijn verdwijnenden rug schudden. Hij wilde zien wat er in de wereld te
zien was, de arme ongeloovige domme jongen, en hij was niet van plan
zich te laten ophouden door lieden die nu en dan nijdig "ho" tegen hem
schreeuwden. Hij liep voort door Rochester en Greenwich op een steeds
compacter wordende huizenmassa toe; hij liep nu tamelijk langzaam,
verbaasd om zich heen ziend, en met zijn geweldig houweel zwaaiend.
De Londenaars hadden tevoren al wel iets van hem gehoord, hoe hij een
beetje idioot was, doch erg zachtzinnig, en wonderwel in toom gehouden
door Lady Wondershoot's rentmeester en den predikant; hoe hij op zijn
suffe manier hoog tegen deze autoriteiten opzag en dankbaar was voor
de zorg, die zij aan hem besteedden, en zoo voort. Zoodat, toen men
dien middag op de plakkaten der nieuwsbladen [16] las, dat ook hij
het werk neergelegd had, het velen toeleek dat het een afgesproken
zaak was. "Zij willen onze kracht op de proef stellen," zeiden de
passagiers in de treinen, die van hun kantoor naar huis gingen.
"'t Is maar goed dat we nu Caterham hebben."
"Dat is het antwoord op zijn proclamatie."
De lieden in de societeiten wisten er meer van. Zij verdrongen zich
allen om het telegraaflint of praatten in groepen in hunne rookzalen.
"Hij is ongewapend. Als hij wist wat daar gaande was, zou hij naar
Sevenoaks gaan."
"Caterham zal wel weten hoe hij hem klein moet krijgen."
De winkeliers vertelden het hun klanten. De kellners in restaurants
braken er een oogenblik tusschen de schotels uit om een avondblad
te lezen. De huurkoetsiers lazen het dadelijk na het wedren-nieuws
ingekeken te hebben... Op de plakaten van het voornaamste
regeeringsavondblad stond met vette letters te lezen van "De koe bij
de horens vatten"--Anderen trachtten effect te bereiken met: "Reus
Redwood gaat voort met de prinses te ontmoeten." "De Echo" volgde een
geheel eigen methode: "Berichten van Opstand onder de Reuzen in het
Noorden van Engeland. De Sunderland Reuzen op weg naar Schotland." De
"Westminster Gazette" liet haar gewone waarschuwende klanken hooren.
"Reuzen, Laat af," zei de "Westminster Gazette," en trachtte uit het
geval iets te halen, dat dienstig kon zijn om de Liberale Partij weder
te vereenigen--waarin ten dien tijde vreeselijke scheuring ontstaan
was door zeven intens-egoïstische leiders. In de latere bladen kwam
meer eenheid. "De Reus op den New Kent Road," luidde hun aankondiging.
"Ik wou wel es weten," zei de bleeke jongeling in de theezaak,
"waarom we niets hooren van de jonge Cossars. Je zoudt anders kunnen
verwachten dat zij zich meer dan een van de anderen zouden roeren..."
"Ik heb hooren zeggen, dat er wéér een van die jonge reuzen op pad
is," zei de buffetjuffrouw, een glas afdrogend. "Ik heb altijd gezegd
dat't gevaarlijke kerels waren om zoo maar los te late' loope'. 'k Heb
't al dàdelijk gezegd.... Ze moesten d'r 'n stokje voor steke'. Ik
'oop maar, in elk geval, dat ie deze kant niet uitkomt."
"Ik wou 'm anders wel es zien," zei de jonge man voor het buffet
snoeverig, en voegde erbij "'k heb de Prinses óók gezien."
"Denk je dat ze 'm wat doen zulle'?" zei de buffetjuffrouw.
"Zulle' misschien wel moete'," zei de jonge man die voor den toonbank
stond, zijn glas leegdrinkend.
En temidden van tien millioen dergelijke praatjes kwam de jonge
Caddles naar Londen...