Wat zocht hij toch? Hij verlangde iets dat de dwergen-wereld hem
niet gaf, een doel, dat de dwergen-wereld hem belette te bereiken,
dat zij hem zelfs belette duidelijk te zien, en dat hij nooit helder
zou zien. Dit was het haken van het eenzame stomme monster naar
gezelligheid, naar zijn ras, naar de dingen die aan hem verwant waren,
naar iets dat hij zou liefhebben en iets dat hij kon dienen, naar een
doel dat hij kon begrijpen, en een bevel dat hij kon gehoorzamen. En
ge weet dat dit alles in hem "stom" was en met stomme woede in hem
kookte, en dat hij het, zelfs al had hij een broeder-reus ontmoet,
niet in woorden had kunnen uitdrukken. Het eenige wat hij van het
leven kende was de eentonige kringloop van het dorpsbestaan, de
eenige taal die hij kende waren de onbelangrijke praatjes van het
boerderijtje, die zelfs zijn minst reusachtige behoefte onbevredigd
lieten. Deze reusachtige eenvoudige jongen kende geen geld, wist
niets af van handel, niets van de ingewikkelde voorwendsels waarop
het maatschappelijke gebouw der kleine menschjes gebouwd was. Hij
had behoefte aan...... Hij had behoefte aan......
Maar waar hij ook behoefte aan had, het werd nooit bevredigd.
Dien geheelen dag en den zomeravond die er op volgde, dwaalde hij rond,
hongerig wordend, doch tot dàn toe nog onvermoeid, het verkeer, dat
verschilde naar het karakter der straten, gadeslaand, de niet na te
gane affairetjes van al die ontelbare wezens. Het geheel droeg een
zeer verwarrend karakter voor hem......
Ik heb hooren vertellen dat hij in Kensington een dame uit haar
rijtuig nam, een dame in zeer chic avond-toilet, dat hij haar
nauwkeurig bekeek, haar sleep en schouderbladen en dat hij haar er
toen weder--een beetje achteloos--inzette met een diepen zucht. Doch
voor de waarheid hiervan kan ik niet instaan. Een uur lang stond hij
te kijken naar de menschen die vochten om plaatsen in de omnibussen
aan het einde van Picadilly. Men zag hem des middags een paar minuten
lang als een toren op Kennington Oval [17] staan, doch toen hij zag
dat deze opeengepakte duizenden verdiept waren in de mysteriën van
het cricket-spel en niet op hem letten, ging hij weder stenend heen.
Hij kwam weder in Picadilly Circus tusschen elf en twaalf uur des
nachts en vond daar nu een geheel ander soort van menigte. Blijkbaar
keken allen scherp om zich heen: vol van de dingen die zij, hij
begreep niet waarom, wilden doen en van andere dingen die zij niet
konden doen. Zij keken naar hem op en jouwden hem uit en gingen
door. De huurkoetsiers, met hun gierenoogen, volgden elkaar in één
lange rij, langs den rand van het krioelende trottoir. Er kwamen
lieden uit de restaurants of traden ze binnen, ernstig, vol aandacht,
vol waardigheid of lichtelijk en aangenaam opgewonden of waakzaam
en scherp om zich heen kijkend--gladder dan de gladste kellner die
hen wilde afzetten. Terwijl de kolossus daar op zijn hoek stond, keek
hij op dit alles neer. "Wat is toch het doel van dit alles?" mompelde
hij zacht en klagelijk. "Wat is toch het doel van dit alles? Zij zijn
allemaal zoo ernstig. Wat is er dan dat ik niet begrijp?"
En geen van die allen scheen te zien, zooals hij dit doen kon,
de dronken ellende der geblankette vrouwen op den hoek, die in
lompen gehulde ellende, die langs de goten voortsloop, de oneindige
beuzelachtigheid van al dit gedoe. De oneindige nietigheid! Geen van
die allen scheen ook maar in de verte de behoefte van dezen reus te
begrijpen, de schaduw der toekomst te zien, die over hun pad viel......
Aan den overkant gloeiden hoog in de lucht de geheimzinnige letters
op en verdwenen weder. Zoo hij ze had kunnen lezen, zouden ze hem
een denkbeeld hebben kunnen geven van de afmetingen der menschelijke
belangen, zouden zij hem hebben kunnen vertellen van de fundamenteele
behoeften en van de dingen des levens, zooals de kleine menschjes
dit tenminste opvatten. Eerst kwam er een gloeiende T.
Toen volgde er een U.