IV.

"Ze zeggen, dat wij scheiden moeten," zei de Prinses tot haar geliefde.

"Maar waarom?" riep hij uit. "Wat hebben die kleine wezens zich nu

weêr voor zotternij in het hoofd gehaald?"

"Weet je wel," vroeg zij, "dat mij liefhebben hoogverraad is?"

"Lief," riep hij uit, "wat komt het er alles op aan? Wat kan ons hun

recht--recht zonder een zweem van redelijkheid--en hun hoogverraad

en hun trouw aan den koning schelen?"

"Dat zal ik je vertellen," zeide zij, en vertelde hem van al wat men

tot haar gezegd had.

"Zoo'n typisch klein mannetje als er toch op me af kwam, met een

zachte, prachtig gemoduleerde stem, een gladjes daarheenloopend

heertje, dat zijdelings de kamer in kwam, net als een kat, en dat

zijn mooie witte handje zóó opstak, telkens als hij iets gewichtigs te

zeggen had. Hij is kaal, maar natuurlijk niet heelemaal, en zijn neus

en gezicht zijn klein en rozig als van een bazuinengeltje, en zijn

baard is allerliefst in een punt geknipt. Hij deed verscheidene malen

alsof hij erg onder den indruk was, en liet zijn oogen schitteren. Weet

je, hij is een warm aanhanger van de koninklijke familie hier, en

hij noemde mij zijn "waarde jonge dame," en was van het begin af

erg deelnemend. "M'n waarde jonge dame, u móógt zoo niet voortgaan,"

zei hij verscheidene malen en vervolgens: "u hebt plichten."

"Waar vormen ze toch zulke mannetjes?"

"O, hij mag zoo iets juist wel," zeide zij.

"Maar ik begrijp niet--"

"Hij zei heel ernstige dingen tegen me."

"Je gelooft toch niet, dat er iets zit in wat hij zei?" zei hij,

zich plotseling tot haar wendend.

"Zéker zit er iets in," zeide zij.

"Je meent dat--?"

"Ik meen, dat, zonder dat we 't zelf wisten, wij op de heiligste

concepties van dit kleine volkje hebben getreden. Wij, die koninklijk

bloed in onze aderen hebben, zijn een op zichzelfstaande klasse. Wij

zijn gevangenen die aangebeden worden, speelgoed om in processies

medegevoerd te worden. Wij betalen voor deze hulde met het verlies

van--onze vrijheid. En ik had dien prins moeten huwen--Maar van

hèm weet je niets. Nu, 't is een dwerg Prinsje. Hij is niet van 't

minste belang... Het schijnt, dat het den band tusschen mijn land en

een ander hechter gemaakt zou hebben. En ook dìt zou er voordeel van

gehad hebben. Stel je es voor!--de band hechter maken!"

"En wat nu?"

"Zij wenschen, dat ik in dezelfde verhouding tot hem blijf staan

alsof er niets tusschen òns bestond."

"Niets tusschen ons!"

"Ja, maar dat is nog niet alles. Hij zei--"

"Je specialiteit in takt?"

"Ja. Hij zei, dat het beter voor jou en beter voor alle reuzen zou

zijn als wij tweeën--ons onthielden van met elkaar te spreken. Zóó

zei hij het."

"Maar wat willen ze dan doen, gesteld dat we eens doen wat zij

verlangen?"

"Hij zei, dat jij je vrijheid dan zou kunnen krijgen."

"Ik!"

"Hij zei, met nadruk, "m'n waarde jonge dame, het zou heusch beter

zijn, het zou waardiger zijn, als ge uit eigen vrijen wil van elkaar

scheiddet." Dat zei hij, en legde den nadruk op "uit vrijen wil."

"Maar--! Maar wat hebben deze ellendige kleine peuters er eigenlijk

mee te maken, waar en hoe wij elkaar liefhebben! Wat hebben zij en

hun heele wereldje met ons uit te staan?"

"Zij denken er anders over."

"Natuurlijk," zei hij, "geef je niets om wat zij zeggen."

"Het lijkt me wel héél dwaas toe."

"Dat hunne wetten ons willen binden! Dat wij, in de eerste lente

van ons leven, ons ons geluk zouden laten ontnemen door hun oude

engagementen en hun redelooze oude instellingen. O--! Maar wij zullen

er ons niet aan storen."

"Ik ben de jouwe. In zooverre heb je gelijk, ja."

"In zooverre? Is dat dan niet alles?"

"Maar ze--Als ze ons nu eens willen scheiden--"

"Wat zouden ze kunnen beginnen?"

"Ik weet het niet. Wat kùnnen ze doen?"

"Wie geeft er wat om wat zij kunnen doen, of wat ze zùllen doen. Ik

behoor jou en jij mij. Verder is er niets. Ik ben de jouwe en jij de

mijne voor eeuwig. Denk je, dat ik je zou laten varen om hun kleine

wetjes, en hun kleine verbodjes, en hun roode waarschuwingsbordjes,

jawel!--en van jòu wegblijven?"

"Ja. Maar toch, wat kunnen ze ons doen?"

"Je bedoelt", zeide hij, "wat wij moeten doen?"

"Ja."

"Wij? wij gaan onzen gang."

"Maar als ze ons dat nu eens willen beletten?"

Hij balde de vuisten. Hij keek om zich heen alsof de kleine menschjes

er reeds aankwamen om het hem te beletten. Toen wendde hij zich van

haar af en staarde in de verte. "Ja," zei hij, "je hadt gelijk met

te vragen "wat kunnen ze doen?""

"Hier in dit kleine landje," zeide zij, en zweeg toen.

Het voedsel der Goden en hoe het op Aarde kwam · 第 78 / 103 题