"Maar we konden--"
"Waarheen?"
"We zouden heen kunnen gaan. We zouden samen de zeeën kunnen
overzwemmen. Aan de overzijde--"
"Ik ben nooit aan de andere zijde van de zee geweest."
"Daar zijn groote, eenzame bergen, waartusschen wij niet meer zouden
lijken dan kleine menschjes, daar zijn afgelegen en verlaten valleien,
nog onbekende meren en met sneeuw bedekte hooglanden, nog niet betreden
door een menschenvoet."
"Daar--"
"Doch om daar te komen, moeten wij ons iederen dag door millioenen
en millioenen menschen heen vechten."
"Het is onze eenige hoop. In dit dichtbevolkte land is geen
toevluchtsoord voor ons. Waar zouden wij moeten wonen temidden
van al deze millioenen? Zij die zoo klein zijn, kunnen zich voor
elkaar verbergen, doch waar moeten wij ons verschuilen? Er is geen
plaats waar wij zouden kunnen eten, geen plek om te slapen. Als we
vluchtten--zouden zij dag en nacht onze schreden volgen."
Toen viel hem iets in.
"Er is één plaats," zei hij, "zelfs op dit eiland."
"Waar?"
"De plaats die onze Broeders ginds gemaakt hebben. Zij hebben groote
aarden wallen om hun huis opgeworpen, aan noord- en zuid-, oost- en
westkant; zij hebben diepe groeven en verborgen plaatsen, en straks
nog--kwam er een bij mij. Hij zei--ik luisterde niet aandachtig naar
wat hij zei. Maar hij sprak van wapenen. Mogelijk--dat we daar een
schuilplaats zouden vinden..."
Na lang gezwegen te hebben, zei hij: "ik heb onze Broeders in
verscheidene dagen niet gezien... Liefste! ik heb gedroomd, en heb
alles om me heen vergeten! De dagen zijn voorbijgegaan en ik heb
niets gedaan dan uitgekeken naar het oogenblik, dat ik je weer zou
zien... Ik moet met hen gaan spreken en hen van jou vertellen en van al
de dingen die ons boven het hoofd hangen. Als zij ons helpen willen,
kunnen zij ons helpen. Dàn zou er hoop voor ons zijn. Ik weet niet
hoe sterk hun plaats is, maar zonder twijfel zal Cossar haar erg
versterkt hebben. Hiervóór--vóór jij mij ontmoette, herinner ik me,
dat er ook al onheil broedde. Toen was er eens een verkiezing--dat is
als de kleine menschen de zaken opknappen door het aantal hoofden te
tellen. Maar die verkiezing moet nu al voorbij zijn. Toen werden er
bedreigingen geuit tegen ons geheele ras--dat wil zeggen, tegen ons
geheele ras, behalve jou. Ik moet met onze Broeders gaan spreken. Ik
moet ze vertellen van al wat er tusschen ons is voorgevallen, en van
alles dat ons nu bedreigt."
De volgende maal dat zij elkaar zouden ontmoeten, moest zij eenigen
tijd wachten vóór hij kwam. Zij zouden dien dag tegen twaalf uur bij
elkaar komen in een gedeelte van het park dat in een bocht langs de
rivier liep, en terwijl zij zuidwaarts uitkeek, haar hand boven de
oogen houdend, viel het haar op dat alles heel stil was, ja, dat de
stilte drukkend was. En toen bemerkte zij, dat niettegenstaande het
reeds zoo laat was, haar gewoon gevolg van vrijwillige spionnen niet
tegenwoordig was. Rechts en links, waar zij ook keek, was niemand te
zien, en er was geen enkele boot in de zilveren bocht der Theems. Zij
trachtte voor deze vreemde stilte om haar een verklaring te vinden...
En toen zag zij tot haar blijdschap, den jongen Redwood aankomen,
boven een open plek uit, tusschen de boomen die haar het uitzicht
belemmerden.
Een oogenblik onttrokken de boomen hem aan haar gezicht en toen zag zij
hem er zich weder doorheen breken. Zij zag wel, dat er iets ongewoons
had plaats gegrepen, en toen zag zij, dat hij harder liep dan anders
en dat hij hinkte. Hij wenkte haar en zij liep naar hem toe. Zijn
gezicht werd nu duidelijker zichtbaar, en zij zag met bezorgdheid,
dat zijn gelaat bij iedere schrede pijnlijk vertrok.
Zij snelde naar hem toe, met het hoofd vol vragen en onbestemden
angst. Hij bereikte haar en hijgde zonder haar eerst te groeten:
"Moeten wij scheiden?"
"Neen," antwoordde zij. "Waarom? Wat is er?"
"Maar als we niet van elkaar gaan--! Het ìs al zoover."
"Wat is er dan?"
"Ik wil niet van je scheiden," zei hij. "Maar--"
Hij zweeg plotseling en vroeg een oogenblik later: "dus je wilt niet
van mij scheiden?"
Zij keek hem met vasten blik in de oogen. "Wat is er gebeurd?" drong
zij aan.
"Ook niet voor een tijd?"
"Wat voor een tijd?"
"Voor jaren misschien."
"Scheiden! Neen!"
"Heb je alles goed gewikt en gewogen?" hield hij aan.
"Ik wil niet scheiden." Zij vatte zijn hand. "Al moest ik nu op dìt
oogenblik sterven, zou ik je niet laten gaan."
"Al moest je op dit oogenblik sterven," zei hij, en zij voelde,
dat zijn vingers haar hand omknelden.
Hij keek om zich heen alsof hij vreesde de kleine menschen al te zien
aankomen terwijl hij nog sprak. En toen: "het is heel wel mogelijk,
dat het ons het leven kost."
"Vertel mij nu wat er gebeurd is," zeide zij.
"Zij probeerden mijn gaan hierheen te belemmeren."
"Hoe?"
"En toen ik uit mijn werkplaats kwam, waar ik het Godenvoedsel voor
de Cossars maak, om in voorraad te houden in hun kamp, zag ik een
klein inspecteurtje van politie--een man in het blauw gekleed, met
schoone witte handschoenen aan--die mij wenkte stil te staan. "Deze
weg is voor u afgesloten!" zei hij. Dit was geen bezwaar voor mij;
ik liep om mijn werkplaats heen naar een anderen weg die westwaarts
loopt, en daar stond er weer een. "Hier kunt u niet door!" zei hij
en voegde erbij: "alle wegen zijn voor u afgesloten!"
"En toen?"
"Ik redeneerde wat met hem. "Dit zijn publieke wegen!" zei ik.
"Precies," zei hij. "U maakt ze onbegaanbaar voor het publiek."
"Heel goed," zei ik, "dan zal ik de landen overgaan," en toen sprongen
er nog anderen op van achter heggen en zeiden "deze akkers zijn
privaat eigendom."
"Loop naar den duivel met je publiek en je privaat eigendom," zei
ik, "ik ga naar mijn Prinses," en ik bukte me en nam er een heel
voorzichtig op--hij schopte en schreeuwde erg--en zette hem uit den
weg. In een oogwenk leken de velden om mij te leven van hardloopende
mannen. Ik zag er een te paard naast mij voort hollen, die iets voorlas
onder het rijden--of liever, hij schreeuwde het. Hij hield op, wendde
zijn paard om, en galoppeerde weg--met gebogen hoofd. Ik begreep er
niets van. En toen hoorde ik achter mij het knallen van geweren."
"Geweren!"
"Geweren--net alsof zij op ratten schoten. De kogels floten door de
lucht met een geluid alsof er iets scheurde: een stak me in het been."
"En wat deed jij?"
"Ik liep door naar jou, en liet hen achter, schreeuwend en rennend
en op me schietend."
"En nu--"
"Nu?"
"Dit is slechts een begin. Zij zijn vastbesloten ons te scheiden. Zelfs
op dit oogenblik achtervolgen ze mij. Wij willen niet scheiden."
"Neen. Maar als we niet scheiden willen--dan moet je met me mee naar
de Broeders."
"Welken kant?" zeide zij.
"Naar het oosten. Van gindschen kant zullen mijne vervolgers komen. Dus
dit is de weg dien wij moeten volgen. Deze laan af. Laat mij voorgaan,
zoodat als zij wachten--"
Hij deed een schrede voorwaarts, doch zij had zijn arm gevat.
"Neen," riep zij uit. "Ik wil dicht bij je blijven, je
vasthouden. Misschien dat ze, omdat ik van koninklijken bloede en dus
heilig ben, dat ze niet zullen durven schieten. Als ik je vasthoud--God
gave, dat we konden vluchten terwijl ik mijn armen om je heengeslagen
hield! dan zouden ze misschien niet op je schieten--"
Zij hield zijn schouder vast, en vatte zijn hand terwijl zij nog sprak;
zij drong zich dichter tegen hem aan. "Mogelijk dat ze dan niet op je
schieten," herhaalde zij, en met plotselinge teederheid nam hij haar
in zijne armen en kuste haar op de wang. Zóó hield hij haar eenigen
tijd vast.
"Zelfs al kost het ons den dood," fluisterde zij.
Zij sloeg haar armen om zijn hals en hief haar gelaat tot het zijne.
"Liefste, kus mij nog eenmaal."
Hij trok haar naar zich toe. Stilzwijgend kusten zij elkaar op de
lippen, en hielden elkaar nog een oogenblik omklemd. En toen, terwijl
zij voortdurend trachtte haar lichaam dicht bij het zijne te houden,
gingen zij hand in hand op weg om te trachten het veilige kamp der
zonen van Cossar te bereiken, vóór de hen achtervolgende menschjes
hen achterhaalden.
En terwijl zij het gedeelte van het park achter het kasteel dóorstaken,
kwamen er tusschen de boomen ruiters aan galoppeeren, die tevergeefs
trachtten hun reuzenpassen bij te houden. En een oogenblik later
zagen zij voor zich huizen en mannen, die met geweren de huizen kwamen
uitloopen. Toen zij dit zag, deed zij hem omkeeren hoewel hij wilde
doorgaan en strijd leveren, en sloegen zij af naar het zuiden.
Terwijl zij vluchtten vloog een kogel rakelings over hunne hoofden.