De twee ontmoetten elkaar, alles bij elkaar genomen, veertien maal
vóór het begin van het einde. Zij kwamen samen in het Groote Park, of
op de hoogten en in de passen van het moer, dat doorsneden werd door
ruwe wegen en hier en daar begroeid was met sombere pijnbosschen, en
dat zich naar het zuidwesten uitstrekte. Tweemalen hadden zij elkaar
ontmoet in de groote kastanjelaan, en vijf malen aan den breeden,
aangelegden vijver, die de koning, haar grootvader, had doen graven. Er
was daar een plek waar een groot, mooi-glad grasperk, dat met hooge
coniferen bezet was, gracieus afhelde naar den waterkant, en daar
placht zij dan te gaan zitten, en hij legde zich aan hare knieën
neder, keek op naar haar gelaat en praatte; hij verhaalde haar van
alles wat voorgevallen was, en van het groote werk, dat zijn vader hem
opgedragen had te volbrengen, en van den grooten en verruimden droom
van al wat het reuzenvolk eens zijn zoude. Gewoonlijk kwamen zij bij
elkaar bij het aanbreken van den dageraad, doch eens ontmoetten zij
elkaar in den middag en zagen weldra, hoe zij omringd werden door
een menigte van loerende luisteraars, fietsrijders en voetgangers,
die allen van uit de struiken naar hen gluurden, ritselend (zooals
de musschen soms ritselen in de boschjes om u heen in de Londensche
parken) tusschen de dorre bladeren in de bosschen, het meer komend
afroeien in booten naar een punt, vanwaar zij hen konden zien, en
trachtend hen zoo dicht te naderen, dat zij hen goed konden zien en
hooren. Dit was voor de twee reuzen de eerste aanduiding van de groote
belangstelling die de geheele streek in hunne samenkomsten stelde. En
eens--het was de zevende maal, en verhaastte het schandaal nog--kwamen
zij samen op het frissche moerland bij helder maanlicht en fluisterden,
want de nacht was warm en stil. Zeer spoedig hadden zij het bewustzijn
verloren, dat in en door hen een nieuwe wereld van reusachtige dingen
zich vormde in de aarde, en dachten zij niet langer over den grooten
strijd tusschen klein en groot, waarin zij blijkbaar voorbeschikt
waren een rol te spelen, en dachten zij slechts aan meer persoonlijke
en grooter belangen. Telkens als zij elkaar ontmoetten en met elkaar
spraken en elkaar aanzagen, leerden zij iets meer begrijpen, dat er
iets dierbaarders en wondervollers dan enkel vriendschap in hun gevoel
voor elkaar was, en overal met hen meeging en hunne handen elkaar
deed zoeken. En binnen zeer korten tijd vonden zij het woord zelf en
waren zij minnenden, de Adam en Eva voor een nieuw geslacht op aarde.
Zij schreden tezamen de wonderschoone vallei der liefde in, met hare
diepe en vredige plaatsen. De wereld om hen nam een geheel ander
aanzicht aan, naarmate zij zelven anders gestemd waren, totdat weldra
een schoonheid als van het Heilige der Heiligen hunnen samenkomsten
weldra omgaf en de sterren niet anders dan bloemen van licht waren
onder de voeten hunner liefde, en de dageraad en de zonsondergang de
kleurige draperiën langs hunnen weg. Zij waren niet langer wezens van
vleesch en bloed voor elkaar en voor zichzelven; zij werden tot een
belichaamd weefsel en voor zichzelven; zij werden tot een beschaamd
weefsel van teederheid en verlangen. Eerst fluisterden zij en toen
zwegen zij geheel en naderden elkaar àl meer en staarden in elkaar's
door de maan verlichte, schemerige gezichten onder den oneindigen
boog des hemels. En de stille donkere pijnboomen stonden om hen
als wachters.
De weerklinkende schreden van den tijd werden tot stilte gebracht en
het leek hen alsof het heelal onbeweeglijk om hen heen hing. Alleen
de klop hunner harten was hoorbaar. Zij leken samen te leven in
een wereld waar geen dood meer was, en dit was werkelijk zoo in
hun gevoel. Het leek hen toe, dat zij peilden, en werkelijk peilden
zij zulke verborgen heerlijkheden in het hart der dingen als nooit
te voren door iemand bereikt was. Zelfs voor lage en kleine zielen
is de liefde een openbaring van groote heerlijkheden. En dit waren
reuzen-geliefden, die van het Voedsel der Goden gegeten hadden...
Stel u de zich steeds méér verspreidende schrik in deze goed-geordende
wereld voor, toen het bekend werd dat Hare Doorluchtigheid de Prinses,
die koninklijk bloed in de aderen had en die verloofd was met den
Prins! samenkwam,--dikwijls samenkwam--met den overvoeden telg van
een gewonen professor in de chemie, een schepsel zonder rang, zonder
positie, zonder rijkdom, en met hem praatte alsof er geen Koningen en
Prinsen waren, geen orde, geen eerbied--niets dan Reuzen en Dwergen
op aarde. Zij praatte met hem en men was er maar al te zeker van,
dat zij hem als haar minnaar beschouwde.
"Als de krantenlui er de lucht van krijgen!" zei Sir Arthur Poedel
Laarslik...
"Ik heb hooren zeggen"--fluisterde de oude bisschop van Frumps...
"Weer een nieuwtje boven," zei de eerste lakei, terwijl hij hier en
daar knabbelde aan dessert-dingen. "Voor zoover ik er uit wijs kon
worden, is die reuzen Prinses--"
"Men zegt--" zei de juffrouw die den winkel in kantoor- en
schrijfbehoeften bij den hoofdingang van het paleis hield, en bij wie
de kleine Amerikanen hun kaartjes nemen voor de Statie-Vertrekken...
En vervolgens:
"Wij kunnen uit goede bron tegenspreken--" zei "Picaroon," in "Het
Babbeltje."
En aldus kwam het geheele geval uit en ontstond al de last voor de
twee minnenden.