III.

De twee ontmoetten elkaar, alles bij elkaar genomen, veertien maal

vóór het begin van het einde. Zij kwamen samen in het Groote Park, of

op de hoogten en in de passen van het moer, dat doorsneden werd door

ruwe wegen en hier en daar begroeid was met sombere pijnbosschen, en

dat zich naar het zuidwesten uitstrekte. Tweemalen hadden zij elkaar

ontmoet in de groote kastanjelaan, en vijf malen aan den breeden,

aangelegden vijver, die de koning, haar grootvader, had doen graven. Er

was daar een plek waar een groot, mooi-glad grasperk, dat met hooge

coniferen bezet was, gracieus afhelde naar den waterkant, en daar

placht zij dan te gaan zitten, en hij legde zich aan hare knieën

neder, keek op naar haar gelaat en praatte; hij verhaalde haar van

alles wat voorgevallen was, en van het groote werk, dat zijn vader hem

opgedragen had te volbrengen, en van den grooten en verruimden droom

van al wat het reuzenvolk eens zijn zoude. Gewoonlijk kwamen zij bij

elkaar bij het aanbreken van den dageraad, doch eens ontmoetten zij

elkaar in den middag en zagen weldra, hoe zij omringd werden door

een menigte van loerende luisteraars, fietsrijders en voetgangers,

die allen van uit de struiken naar hen gluurden, ritselend (zooals

de musschen soms ritselen in de boschjes om u heen in de Londensche

parken) tusschen de dorre bladeren in de bosschen, het meer komend

afroeien in booten naar een punt, vanwaar zij hen konden zien, en

trachtend hen zoo dicht te naderen, dat zij hen goed konden zien en

hooren. Dit was voor de twee reuzen de eerste aanduiding van de groote

belangstelling die de geheele streek in hunne samenkomsten stelde. En

eens--het was de zevende maal, en verhaastte het schandaal nog--kwamen

zij samen op het frissche moerland bij helder maanlicht en fluisterden,

want de nacht was warm en stil. Zeer spoedig hadden zij het bewustzijn

verloren, dat in en door hen een nieuwe wereld van reusachtige dingen

zich vormde in de aarde, en dachten zij niet langer over den grooten

strijd tusschen klein en groot, waarin zij blijkbaar voorbeschikt

waren een rol te spelen, en dachten zij slechts aan meer persoonlijke

en grooter belangen. Telkens als zij elkaar ontmoetten en met elkaar

spraken en elkaar aanzagen, leerden zij iets meer begrijpen, dat er

iets dierbaarders en wondervollers dan enkel vriendschap in hun gevoel

voor elkaar was, en overal met hen meeging en hunne handen elkaar

deed zoeken. En binnen zeer korten tijd vonden zij het woord zelf en

waren zij minnenden, de Adam en Eva voor een nieuw geslacht op aarde.

Zij schreden tezamen de wonderschoone vallei der liefde in, met hare

diepe en vredige plaatsen. De wereld om hen nam een geheel ander

aanzicht aan, naarmate zij zelven anders gestemd waren, totdat weldra

een schoonheid als van het Heilige der Heiligen hunnen samenkomsten

weldra omgaf en de sterren niet anders dan bloemen van licht waren

onder de voeten hunner liefde, en de dageraad en de zonsondergang de

kleurige draperiën langs hunnen weg. Zij waren niet langer wezens van

vleesch en bloed voor elkaar en voor zichzelven; zij werden tot een

belichaamd weefsel en voor zichzelven; zij werden tot een beschaamd

weefsel van teederheid en verlangen. Eerst fluisterden zij en toen

zwegen zij geheel en naderden elkaar àl meer en staarden in elkaar's

door de maan verlichte, schemerige gezichten onder den oneindigen

boog des hemels. En de stille donkere pijnboomen stonden om hen

als wachters.

De weerklinkende schreden van den tijd werden tot stilte gebracht en

het leek hen alsof het heelal onbeweeglijk om hen heen hing. Alleen

de klop hunner harten was hoorbaar. Zij leken samen te leven in

een wereld waar geen dood meer was, en dit was werkelijk zoo in

hun gevoel. Het leek hen toe, dat zij peilden, en werkelijk peilden

zij zulke verborgen heerlijkheden in het hart der dingen als nooit

te voren door iemand bereikt was. Zelfs voor lage en kleine zielen

is de liefde een openbaring van groote heerlijkheden. En dit waren

reuzen-geliefden, die van het Voedsel der Goden gegeten hadden...

Stel u de zich steeds méér verspreidende schrik in deze goed-geordende

wereld voor, toen het bekend werd dat Hare Doorluchtigheid de Prinses,

die koninklijk bloed in de aderen had en die verloofd was met den

Prins! samenkwam,--dikwijls samenkwam--met den overvoeden telg van

een gewonen professor in de chemie, een schepsel zonder rang, zonder

positie, zonder rijkdom, en met hem praatte alsof er geen Koningen en

Prinsen waren, geen orde, geen eerbied--niets dan Reuzen en Dwergen

op aarde. Zij praatte met hem en men was er maar al te zeker van,

dat zij hem als haar minnaar beschouwde.

"Als de krantenlui er de lucht van krijgen!" zei Sir Arthur Poedel

Laarslik...

"Ik heb hooren zeggen"--fluisterde de oude bisschop van Frumps...

"Weer een nieuwtje boven," zei de eerste lakei, terwijl hij hier en

daar knabbelde aan dessert-dingen. "Voor zoover ik er uit wijs kon

worden, is die reuzen Prinses--"

"Men zegt--" zei de juffrouw die den winkel in kantoor- en

schrijfbehoeften bij den hoofdingang van het paleis hield, en bij wie

de kleine Amerikanen hun kaartjes nemen voor de Statie-Vertrekken...

En vervolgens:

"Wij kunnen uit goede bron tegenspreken--" zei "Picaroon," in "Het

Babbeltje."

En aldus kwam het geheele geval uit en ontstond al de last voor de

twee minnenden.

Het voedsel der Goden en hoe het op Aarde kwam · 第 77 / 103 题