II.

"Vertel het mij," zei zij, en de jonge Redwood begon haar bevend

en opgewonden te vertellen--het was toèn maar een onsamenhangende

en armelijke vertelling--van het Voedsel der Goden en van de

Reuzenkinderen, die over de geheele wereld verspreid waren.

Stel u hen voor, met opgewonden kleur en nog wat verschrikt, trachtend

elkaar te begrijpen uit tallooze half-verstane, half-uitgesproken

zinnen, steeds weder herhalend, en dan weder plotseling zwijgend,

en het nog eens opnieuw beproevend--een wonder-vreemd gesprek,

waarbij zij ontwaakte uit de onwetendheid waarin zij haar geheele

leven verkeerd had. En heel langzaam werd het haar duidelijk, dat zij

geen uitzondering vormde op den gewonen regel der menschheid, doch

dat zij deel uitmaakte van een verspreide broederschap, waarvan alle

leden van het Voedsel gegeten hadden, en die voor altijd de kleine

verhoudingen van de menschjes onder hunne voeten ontgroeid waren. De

jonge Redwood sprak van zijn vader, van Cossar, van de broederen die

over het gansche land verspreid waren, van den grooten dageraad die

grootscher willen met zich had gebracht en die in de geschiedenis der

wereld was opgegaan. "Wij zijn in het begin van een begin," zei hij;

"dit wereldje, dat ze nu hebben, is slechts een inleiding tot de wereld

die het Voedsel scheppen zal. Mijn vader gelooft--en ik met hem--dat

er een tijd zal komen, waarin kleinheid geheel uit de menschenwereld

verdwenen zal zijn,--waarin reuzen vrijelijk over deze aarde--hùnne

aarde zullen rondwandelen--voortdurend grooter en grootscher dingen

verrichtend. Doch dat--dat moet nog komen. Wij zijn hiervan zelfs

niet het eerste geslacht--wij zijn de eerste experimenten."

"En van al deze dingen wist ik niets!" zeide zij.

"Soms denk ik wel eens, dat wij te vroeg gekomen zijn. Natuurlijk één

van allen moest het eerst komen. Doch de wereld was geheel onvoorbereid

op onze komst en op de komst van al de minder groote dingen, die hunne

grootheid aan het Voedsel ontleenden. Er zijn grove fouten begaan;

er is strijd geweest. Het kleine menschenvolk haat ons...

"Zij zijn hard jegens òns, omdat zìj zoo klein zijn... En omdat onze

voeten zwaar neerkomen op de dingen, die hen doen leven. Doch hoe dit

ook zij, zij haten ons nu; zij moeten niets van ons hebben--alleen

als wij tot hunne normale grootte konden inkrimpen, zouden zij ons

langzamerhand vergeven...

"Zij zijn gelukkig in huizen, die ons gevangeniscellen toelijken;

hunne steden zijn ons te klein. Het doet ons pijn langs hunne smalle

wegen te loopen; wij kunnen niet mede opgaan naar hunne plaatsen

van eeredienst...

"Wij kijken over hunne muren, en over hunne verdedigingswerken;

we kijken zonder er bij te denken door hunne bovenste vensters;

wij houden geen rekening met hunne gewoonten; hun wetten zijn ons

slechts een net om onze voeten...

"Telkens als wij struikelen, hooren wij hen schreeuwen; telkens als wij

hunne grenzen overschrijden, of ons opmaken tot eenige breede daad...

"Als wij op ons doode gemak loopen, lijkt het hun alsof wij ergens

wild op losstormen, en al de dingen die zij groot en wondervol achten,

zijn voor ons niet meer dan poppen-pyramiden. De kleinheid van hun

methodes en toepassingen en verbeeldingskracht belemmert en verslaat

onze kracht. Er bestaan nog geen machines, die evenredig zijn aan

de kracht onzer handen, en geen hulpmiddelen die in onze nooden

kunnen voorzien. Zij maken onze grootte dienstbaar door duizenden

onzichtbare handen. Wij zijn man voor man honderdmaal sterker, doch

wij zijn ongewapend; juist onze grootte maakt ons tot schuldenaren;

zij laten rechten gelden op het land, waar wij nu op staan; zij

belasten onze grootere behoefte aan voedsel en onderdak, en voor al

deze dingen moeten wij om hunne dwergen-grillen te bevredigen, zwaren

arbeid verrichten met de werktuigen die deze dwergen voor ons maken....

"Op alle mogelijke manieren belemmeren zij onze bewegingen. Al

was het alleen maar om te leven, mòèten wij de grenzen die zij ons

gesteld hebben wel overschrijden. Om u hier vandaag te ontmoeten,

heb ik zelfs op verboden terrein moeten gaan. Alles wat aangenaam en

begeerenswaardig in het leven is, stellen zij buiten ons bereik. Wij

mogen niet in de steden komen; wij mogen niet over bruggen loopen;

wij mogen niet loopen door hun bebouwde velden of in de wildparken

voor het wild, dat zij dooden. Ik ben nu afgesneden van al de Broederen

behalve van de drie zonen van Cossar, en zelfs diè doorgang wordt met

elken dag nauwer. Het is of zij twist met ons zoèken, om ons het een

of ander te kunnen aandoen."

"Maar we zijn toch heel sterk," zeide zij.

"Wij behóórden tenminste sterk te zijn, ja. Allen voelen wij--en ik,

weet dat jij dat ook moet voelen--dat wij macht hebben, de kracht

om groote dingen te doen, macht die in ons dringt om vrijgelaten te

worden. Doch vóór wij iets kunnen beginnen--"

Hij stak driftig een hand uit, die een wereld scheen weg te vagen.

"Al heb ik ook gemeend, dat ik alleen op de wereld was," zeide zij,

na een tijdlang gezwegen te hebben, "heb ik tòch wel over deze dingen

nagedacht. Men heeft mij steeds geleerd, dat kracht bijna zonde was,

dat het beter was klein te zijn dan groot, dat alle ware godsdienst

bestond in het beschermen der zwakken en kleinen, de zwakken en

kleinen te bemoedigen, hen te helpen zich te vermenigvuldigen en

al maar vermenigvuldigen, totdat zij ten laatste elkaar verdringen;

men heeft mij geleerd al ònze kracht op te offeren voor hunne zaak,

maar... ik heb altijd getwijfeld aan wat men mij onderwees."

"Dit leven," zei hij, "deze lichamen, die wij gekregen hebben, zijn

niet om te sterven."

"Neen."

"En ook niet om in beuzeling door te brengen. Doch zoo wij dit laatste

niet doen willen, is het allen Broederen nu reeds duidelijk, dat een

strijd niet kan uitblijven. Ik kan niet zeggen hoe verbitterd de

strijd, die spoedig komen moet, zijn zal, vóór de kleine menschen

zullen dulden, dat wij leven op de wijze waaraan wij behoefte

hebben. Al de Broederen hebben hier over nagedacht. Ook Cossar,

waarvan ik je verteld heb, heeft hier over nagedacht."

"Zij zijn heel klein en zwak."

"Ja dat is zoo, tenminste het lijkt zoo. Maar jij weet ook, evenals ik,

dat zij alle middelen om te dooden in handen hebben, en die ook naar

de grootte hunner handen gemaakt zijn. Al honderdduizenden jaren lang

hebben deze kleine menschjes, wier wereld wij overrompelen, geleerd

hoe zij elkaar het beste en snelste kunnen dooden. Hierin zijn zij heel

bekwaam. In meerdere dingen zijn zij zeer bekwaam. En bovendien kunnen

zij bedriegen en zich plotseling anders voordoen dan zij zijn... ik

weet het niet... er is strijd op til. Jij--jij bent misschien anders

dan wij. Maar voor òns komt er zeker strijd.... Wat de menschen Oorlog

noemen. Wij weten het. En tot op zekere hoogte bereiden wij ons er

op voor. Maar je kent--deze kleine menschen!--wij weten niet hoe wij

dooden moeten, tenminste wij missen de lust om te dooden--"

"Zie eens," viel zij hem in de rede, en hij hoorde een toeterenden

hoorn.

Hij wendde zich om, en keek in de richting die hare oogen aanduidden

en zag hoe een helder-gele automobiel, met een donkeren chauffeur

met een motor-bril op, en met in bont gekleede passagiers, gillend en

dreunend en nijdig puffend bij zijn hiel stond. Hij verplaatste zijn

voet en het ding vervolgde met drie toornige kreten zijn lawaaierigen

weg in de richting van de stad.

"Blokkeeren tegenwoordig den weg ook al!" klonk er tot hem op.

Vervolgens zeide iemand: "Zie! heb je haar wel gezien? Daar ginds

achter de boomen staat de reuzen-prinses!" en al hun van stof-brillen

voorziene gezichten wendden zich naar haar toe om haar aan te staren.

"Nee maar, hoor es," zei een derde. "Dat gaat niet aan"...

"Dit alles," zeide zij, "verbaast mij meer dan ik zeggen kan."

"Dat ze je van dit alles niets gezegd hebben," zei hij en voltooide

zijn zin niet.

"Vóór je mij ontmoette, had ik geleefd in een wereld waarin ik

groot en--alléén was. Maar toch had ik mijn leven hier zoo goed

mogelijk aangepast. Ik dacht eerst, dat ik het slachtoffer was van

een gril der natuur. En nu is mijn wereldje in een half uur in elkaar

gevallen, en ik zie een andere wereld, andere voorwaarden, ruimere

mogelijkheden--kameraadschap--"

"Kameraadschap," antwoordde hij.

"Je moet me nog wat meer vertellen, nog véél meer," zeide zij. "Weet

je, dit alles vaart door mijn geest als een verhaal dat mij verteld

wordt. Zelfs jij... Binnen een dag of wat zal ik misschien in je

kunnen gelooven. Maar nu--nu droom ik... Luister!"

De eerste slag van een klok bovenop de paleisgebouwen ver weg drong

tot hen door. Elk telde werktuigelijk tot "zeven."

"Nu moet ik weg," zeide zij. "Zij zullen nu net ongeveer de bowl

met mijn koffie het vertrek waarin ik slaap binnendragen. De kleine

lakeien en bedienden--je kunt je haast niet voorstellen hoe ernstig

die zijn--zijn nu al weer druk bezig aan hunne werkzaamheidjes."

"Zij zullen zich wel verwonderen, waar... maar ik wil met je praten."

Zij dacht na.--"Maar ik wil er ook over denken. Ik wensch nu alléén

er over na te denken, en tot klaarheid te komen in deze algeheele

verandering der dingen, en de oude eenzaamheid weg te denken en jou en

al die anderen in mijn wereld in te denken... Ik moet nu heen. Vandaag

zal ik teruggaan naar mijn oude plaats in het kasteel, en morgen,

als de dageraad aanbreekt, zal ik hier weder komen."

"Ik zal je hier opwachten."

"Den geheelen dag zal ik droomen van deze nieuwe wereld die je mij

gegeven hebt. Ik kan het nu zelfs nog haast niet gelooven--"

Zij deed een schrede achterwaarts en nam hem op van het hoofd tot de

voeten. Hunne blikken ontmoetten elkaar en bleven een oogenblik vast

op elkaar gericht.

"Ja," zeide zij, met een lachje, dat bijna een snik was. "Je bent tòch

werkelijk. Maar het is zoo wondervreemd! Denk je--werkelijk--? En als

ik nu morgen eens hier kwam, en ik vond--dat je net zoo'n dwerg was

als de anderen!--Ja, ik moet over alles nog eens nadenken. En daarom,

voor vandaag--zooals de kleine menschen doen--"

Zij stak haar hand uit, en voor de eerste maal raakten zij elkander

aan. Zij hielden elkaar's hand stevig vast en hunne blikken ontmoetten

elkaar weder.

"Voor vandaag--goedendag," zeide zij. "Vaarwel! Vaarwel, Broeder Reus!"

Hij aarzelde, alsof hij nog iets wilde zeggen, en eindelijk zei hij

eenvoudig "goedendag."

Een tijdlang hielden zij elkaar's hand vast, en keken elkaar vorschend

aan. En nadat zij van elkaar gegaan waren, keek zij nog verscheidene

malen half weifelend naar hem om, en bleef staan op de plaats waar

zij elkaar ontmoet hadden...

Zij liep dwars over het plein van het Paleis hare vertrekken binnen

als een die in den slaap wandelt, met een grooten kastanje-tak,

die slap in hare hand hing.

Het voedsel der Goden en hoe het op Aarde kwam · 第 76 / 103 题