"Vertel het mij," zei zij, en de jonge Redwood begon haar bevend
en opgewonden te vertellen--het was toèn maar een onsamenhangende
en armelijke vertelling--van het Voedsel der Goden en van de
Reuzenkinderen, die over de geheele wereld verspreid waren.
Stel u hen voor, met opgewonden kleur en nog wat verschrikt, trachtend
elkaar te begrijpen uit tallooze half-verstane, half-uitgesproken
zinnen, steeds weder herhalend, en dan weder plotseling zwijgend,
en het nog eens opnieuw beproevend--een wonder-vreemd gesprek,
waarbij zij ontwaakte uit de onwetendheid waarin zij haar geheele
leven verkeerd had. En heel langzaam werd het haar duidelijk, dat zij
geen uitzondering vormde op den gewonen regel der menschheid, doch
dat zij deel uitmaakte van een verspreide broederschap, waarvan alle
leden van het Voedsel gegeten hadden, en die voor altijd de kleine
verhoudingen van de menschjes onder hunne voeten ontgroeid waren. De
jonge Redwood sprak van zijn vader, van Cossar, van de broederen die
over het gansche land verspreid waren, van den grooten dageraad die
grootscher willen met zich had gebracht en die in de geschiedenis der
wereld was opgegaan. "Wij zijn in het begin van een begin," zei hij;
"dit wereldje, dat ze nu hebben, is slechts een inleiding tot de wereld
die het Voedsel scheppen zal. Mijn vader gelooft--en ik met hem--dat
er een tijd zal komen, waarin kleinheid geheel uit de menschenwereld
verdwenen zal zijn,--waarin reuzen vrijelijk over deze aarde--hùnne
aarde zullen rondwandelen--voortdurend grooter en grootscher dingen
verrichtend. Doch dat--dat moet nog komen. Wij zijn hiervan zelfs
niet het eerste geslacht--wij zijn de eerste experimenten."
"En van al deze dingen wist ik niets!" zeide zij.
"Soms denk ik wel eens, dat wij te vroeg gekomen zijn. Natuurlijk één
van allen moest het eerst komen. Doch de wereld was geheel onvoorbereid
op onze komst en op de komst van al de minder groote dingen, die hunne
grootheid aan het Voedsel ontleenden. Er zijn grove fouten begaan;
er is strijd geweest. Het kleine menschenvolk haat ons...
"Zij zijn hard jegens òns, omdat zìj zoo klein zijn... En omdat onze
voeten zwaar neerkomen op de dingen, die hen doen leven. Doch hoe dit
ook zij, zij haten ons nu; zij moeten niets van ons hebben--alleen
als wij tot hunne normale grootte konden inkrimpen, zouden zij ons
langzamerhand vergeven...
"Zij zijn gelukkig in huizen, die ons gevangeniscellen toelijken;
hunne steden zijn ons te klein. Het doet ons pijn langs hunne smalle
wegen te loopen; wij kunnen niet mede opgaan naar hunne plaatsen
van eeredienst...
"Wij kijken over hunne muren, en over hunne verdedigingswerken;
we kijken zonder er bij te denken door hunne bovenste vensters;
wij houden geen rekening met hunne gewoonten; hun wetten zijn ons
slechts een net om onze voeten...
"Telkens als wij struikelen, hooren wij hen schreeuwen; telkens als wij
hunne grenzen overschrijden, of ons opmaken tot eenige breede daad...
"Als wij op ons doode gemak loopen, lijkt het hun alsof wij ergens
wild op losstormen, en al de dingen die zij groot en wondervol achten,
zijn voor ons niet meer dan poppen-pyramiden. De kleinheid van hun
methodes en toepassingen en verbeeldingskracht belemmert en verslaat
onze kracht. Er bestaan nog geen machines, die evenredig zijn aan
de kracht onzer handen, en geen hulpmiddelen die in onze nooden
kunnen voorzien. Zij maken onze grootte dienstbaar door duizenden
onzichtbare handen. Wij zijn man voor man honderdmaal sterker, doch
wij zijn ongewapend; juist onze grootte maakt ons tot schuldenaren;
zij laten rechten gelden op het land, waar wij nu op staan; zij
belasten onze grootere behoefte aan voedsel en onderdak, en voor al
deze dingen moeten wij om hunne dwergen-grillen te bevredigen, zwaren
arbeid verrichten met de werktuigen die deze dwergen voor ons maken....
"Op alle mogelijke manieren belemmeren zij onze bewegingen. Al
was het alleen maar om te leven, mòèten wij de grenzen die zij ons
gesteld hebben wel overschrijden. Om u hier vandaag te ontmoeten,
heb ik zelfs op verboden terrein moeten gaan. Alles wat aangenaam en
begeerenswaardig in het leven is, stellen zij buiten ons bereik. Wij
mogen niet in de steden komen; wij mogen niet over bruggen loopen;
wij mogen niet loopen door hun bebouwde velden of in de wildparken
voor het wild, dat zij dooden. Ik ben nu afgesneden van al de Broederen
behalve van de drie zonen van Cossar, en zelfs diè doorgang wordt met
elken dag nauwer. Het is of zij twist met ons zoèken, om ons het een
of ander te kunnen aandoen."
"Maar we zijn toch heel sterk," zeide zij.
"Wij behóórden tenminste sterk te zijn, ja. Allen voelen wij--en ik,
weet dat jij dat ook moet voelen--dat wij macht hebben, de kracht
om groote dingen te doen, macht die in ons dringt om vrijgelaten te
worden. Doch vóór wij iets kunnen beginnen--"
Hij stak driftig een hand uit, die een wereld scheen weg te vagen.
"Al heb ik ook gemeend, dat ik alleen op de wereld was," zeide zij,
na een tijdlang gezwegen te hebben, "heb ik tòch wel over deze dingen
nagedacht. Men heeft mij steeds geleerd, dat kracht bijna zonde was,
dat het beter was klein te zijn dan groot, dat alle ware godsdienst
bestond in het beschermen der zwakken en kleinen, de zwakken en
kleinen te bemoedigen, hen te helpen zich te vermenigvuldigen en
al maar vermenigvuldigen, totdat zij ten laatste elkaar verdringen;
men heeft mij geleerd al ònze kracht op te offeren voor hunne zaak,
maar... ik heb altijd getwijfeld aan wat men mij onderwees."
"Dit leven," zei hij, "deze lichamen, die wij gekregen hebben, zijn
niet om te sterven."
"Neen."
"En ook niet om in beuzeling door te brengen. Doch zoo wij dit laatste
niet doen willen, is het allen Broederen nu reeds duidelijk, dat een
strijd niet kan uitblijven. Ik kan niet zeggen hoe verbitterd de
strijd, die spoedig komen moet, zijn zal, vóór de kleine menschen
zullen dulden, dat wij leven op de wijze waaraan wij behoefte
hebben. Al de Broederen hebben hier over nagedacht. Ook Cossar,
waarvan ik je verteld heb, heeft hier over nagedacht."
"Zij zijn heel klein en zwak."
"Ja dat is zoo, tenminste het lijkt zoo. Maar jij weet ook, evenals ik,
dat zij alle middelen om te dooden in handen hebben, en die ook naar
de grootte hunner handen gemaakt zijn. Al honderdduizenden jaren lang
hebben deze kleine menschjes, wier wereld wij overrompelen, geleerd
hoe zij elkaar het beste en snelste kunnen dooden. Hierin zijn zij heel
bekwaam. In meerdere dingen zijn zij zeer bekwaam. En bovendien kunnen
zij bedriegen en zich plotseling anders voordoen dan zij zijn... ik
weet het niet... er is strijd op til. Jij--jij bent misschien anders
dan wij. Maar voor òns komt er zeker strijd.... Wat de menschen Oorlog
noemen. Wij weten het. En tot op zekere hoogte bereiden wij ons er
op voor. Maar je kent--deze kleine menschen!--wij weten niet hoe wij
dooden moeten, tenminste wij missen de lust om te dooden--"
"Zie eens," viel zij hem in de rede, en hij hoorde een toeterenden
hoorn.
Hij wendde zich om, en keek in de richting die hare oogen aanduidden
en zag hoe een helder-gele automobiel, met een donkeren chauffeur
met een motor-bril op, en met in bont gekleede passagiers, gillend en
dreunend en nijdig puffend bij zijn hiel stond. Hij verplaatste zijn
voet en het ding vervolgde met drie toornige kreten zijn lawaaierigen
weg in de richting van de stad.
"Blokkeeren tegenwoordig den weg ook al!" klonk er tot hem op.
Vervolgens zeide iemand: "Zie! heb je haar wel gezien? Daar ginds
achter de boomen staat de reuzen-prinses!" en al hun van stof-brillen
voorziene gezichten wendden zich naar haar toe om haar aan te staren.
"Nee maar, hoor es," zei een derde. "Dat gaat niet aan"...
"Dit alles," zeide zij, "verbaast mij meer dan ik zeggen kan."
"Dat ze je van dit alles niets gezegd hebben," zei hij en voltooide
zijn zin niet.
"Vóór je mij ontmoette, had ik geleefd in een wereld waarin ik
groot en--alléén was. Maar toch had ik mijn leven hier zoo goed
mogelijk aangepast. Ik dacht eerst, dat ik het slachtoffer was van
een gril der natuur. En nu is mijn wereldje in een half uur in elkaar
gevallen, en ik zie een andere wereld, andere voorwaarden, ruimere
mogelijkheden--kameraadschap--"
"Kameraadschap," antwoordde hij.
"Je moet me nog wat meer vertellen, nog véél meer," zeide zij. "Weet
je, dit alles vaart door mijn geest als een verhaal dat mij verteld
wordt. Zelfs jij... Binnen een dag of wat zal ik misschien in je
kunnen gelooven. Maar nu--nu droom ik... Luister!"
De eerste slag van een klok bovenop de paleisgebouwen ver weg drong
tot hen door. Elk telde werktuigelijk tot "zeven."
"Nu moet ik weg," zeide zij. "Zij zullen nu net ongeveer de bowl
met mijn koffie het vertrek waarin ik slaap binnendragen. De kleine
lakeien en bedienden--je kunt je haast niet voorstellen hoe ernstig
die zijn--zijn nu al weer druk bezig aan hunne werkzaamheidjes."
"Zij zullen zich wel verwonderen, waar... maar ik wil met je praten."
Zij dacht na.--"Maar ik wil er ook over denken. Ik wensch nu alléén
er over na te denken, en tot klaarheid te komen in deze algeheele
verandering der dingen, en de oude eenzaamheid weg te denken en jou en
al die anderen in mijn wereld in te denken... Ik moet nu heen. Vandaag
zal ik teruggaan naar mijn oude plaats in het kasteel, en morgen,
als de dageraad aanbreekt, zal ik hier weder komen."
"Ik zal je hier opwachten."
"Den geheelen dag zal ik droomen van deze nieuwe wereld die je mij
gegeven hebt. Ik kan het nu zelfs nog haast niet gelooven--"
Zij deed een schrede achterwaarts en nam hem op van het hoofd tot de
voeten. Hunne blikken ontmoetten elkaar en bleven een oogenblik vast
op elkaar gericht.
"Ja," zeide zij, met een lachje, dat bijna een snik was. "Je bent tòch
werkelijk. Maar het is zoo wondervreemd! Denk je--werkelijk--? En als
ik nu morgen eens hier kwam, en ik vond--dat je net zoo'n dwerg was
als de anderen!--Ja, ik moet over alles nog eens nadenken. En daarom,
voor vandaag--zooals de kleine menschen doen--"
Zij stak haar hand uit, en voor de eerste maal raakten zij elkander
aan. Zij hielden elkaar's hand stevig vast en hunne blikken ontmoetten
elkaar weder.
"Voor vandaag--goedendag," zeide zij. "Vaarwel! Vaarwel, Broeder Reus!"
Hij aarzelde, alsof hij nog iets wilde zeggen, en eindelijk zei hij
eenvoudig "goedendag."
Een tijdlang hielden zij elkaar's hand vast, en keken elkaar vorschend
aan. En nadat zij van elkaar gegaan waren, keek zij nog verscheidene
malen half weifelend naar hem om, en bleef staan op de plaats waar
zij elkaar ontmoet hadden...
Zij liep dwars over het plein van het Paleis hare vertrekken binnen
als een die in den slaap wandelt, met een grooten kastanje-tak,
die slap in hare hand hing.