En zij antwoordde met steeds toenemende verbazing, toen zij begon te
begrijpen: "Neen!"
De geheele wereld en de geheele beteekenis ervan begon in haar oog
anders te worden. Een kastanjetak ontgleed haar hand. "U wilt toch
niet zeggen, dat er nog meer reuzen op aarde zijn? Dat het een of
ander voedsel--?"
Nu was het zijn beurt om verbaasd te staan.
"Maar wist u dan niets?" riep hij uit. "Had u dan nooit van ons
gehoord? U, die door het Voedsel aan ons verwant zijt!"
Er sprak nog steeds angst uit de blikken die hem aanstaarden. Haar hand
ging naar haar keel en viel weder neer. Zij fluisterde: "Neen." Het was
haar of zij òf weenen, òf in zwijm vallen moest. Doch een oogenblik
later had zij hare zelfbeheersching herkregen en sprak en dacht
zij weder duidelijk en helder. "Dit is alles voor mij verborgen
gehouden," zeide zij. "Het is als een droom. Ik heb gedroomd--Ik heb
van dergelijke mogelijkheden gedroomd. Doch wakend--Neen. Vertel mij
toch alles. Alles! Wat zijt ge? Wat is dit Voedsel der Goden? Vertel
het me langzaam--en duidelijk. Waarom heeft men voor mij verborgen
gehouden, dat ik niet alleen sta in mijn grootte?"