I.

Nu gebeurde het in de dagen, toen Caterham bezig was met zijne campagne

tegen de Bomkinderen, vóór de Algemeene Verkiezingen die--temidden

van de meest tragische en vreeselijke omstandigheden--hem op het

kussen moesten helpen, dat de Reuzen-Prinses, die Doorluchtigheid,

welker voeding jaren te voren zulk een gewichtige rol had gespeeld in

de schitterende loopbaan van Dokter Winkles, het koninkrijk van haren

vader verlaten, en zich naar Engeland begeven had, voor eene zaak, die

als zeer gewichtig beschouwd werd. Zij was om staatsredenen verloofd

met een zekeren Prins--en het huwelijk zou tot een gebeurtenis van

internationale beteekenis gemaakt worden. Er was een geheimzinnig

oponthoud ontstaan. Het Gerucht en de Verbeelding vertelden samen

het wàarom en er ging heel wat van mond tot mond. Men sprak van een

recalcitranten prins, die verklaard had, dat hij terwille van niemand

een dwaas figuur wou slaan--tenminste niet zóó erg. Men sympathiseerde

met hem. En dat is de gewichtigste kant van de zaak.

Nu mag het volgende vreemd lijken, doch het is een feit, dat toen de

Reuzen-Prinses naar Engeland kwam, zij niets afwist van het bestaan van

nog andere reuzen. Zij had geleefd in een omgeving, waar tact bijna

een hartstocht is en gereserveerdheid de adem des levens. Men had

alles voor haar verborgen gehouden; men had haar van de buitenwereld

afgesloten, zoodat zij nooit een reus gezien of ervan gehoord had,

vóór de tijd gekomen was dat zij naar Engeland zou vertrekken. Vóór

zij den jongen Redwood ontmoette, had zij zelfs geen flauw vermoeden,

dat er sprake kon zijn van nog andere reuzen.

In het koninkrijk van den vader der Prinses waren onherbergzame

hooggebergten, waar zij vrij had rondgedwaald. Zij hield méér van

den zonsopgang en van den zonsondergang en van het geheele drama

der natuur, dan van iets anders ter wereld; doch onder een volk,

dat zóó democratisch is en tegelijkertijd zóó koningsgezind als het

Engelsche, werd haar vrijheid natuurlijk erg beperkt. De menschen

kwamen met Janpleziers, met pleizier-treinen, bij heele menigten

om haar te zien; zij fietsten lange afstanden om haar aan te gapen,

en zij moest vroeg opstaan als zij tenminste rustig wilde wandelen.

De dageraad was nog pas aangebroken, dien dag, toen de jonge Redwood

haar ontmoette.

Het groote Park bij het Paleis waar zij verblijf hield, strekte

zich meer dan twintig mijlen ver naar het westen en zuiden van

de westelijke poorten van het paleis uit. De kastanjeboomen der

lanen verhieven zich hoog boven haar hoofd. En elk hunner scheen,

terwijl zij voorbijging, te wedijveren wie van hen haar den rijksten

bloemenschat zou aanbieden. Een tijdlang stelde zij zich tevreden

met het zien en ruiken der mooie bloesems, doch eindelijk liet zij

zich overhalen en begon ijverig uit te zoeken en te plukken, zoodat

zij den jongen Redwood niet bemerkte vóór deze vlak bij haar was.

Zij bewoog zich tusschen de kastanjeboomen, met den haar door het

lot beschoren minnaar dicht bij zich, zonder dat zij het bevroedde of

iets bemerkte. Zij stak haar handen tusschen de takken, ze afbrekend

en vergârend. Zij was alleen op de wereld. En toen--

Zij keek op en in dat oogenblik was haar lot beslist.

Wij moeten onze verbeelding op zijn maat stellen, om de schoonheid

te kunnen zien, die hij zag. Die onbenaderbare grootheid die het

ons onmogelijk maakt ons een met haar te voelen, bestond voor hem

niet. Daar stond zij, een gracieus meisje, het eerste schepsel, dat

hem een waardige gezellin toeleek, licht en slank, licht gekleed,

terwijl de frissche morgenwind haar kleed plooide om de weeke lijnen

van haar gestalte, en met een groote massa bloeiende kastanjetakken

in hare handen. De boord van haar kleed was open en liet de blankheid

van haar hals en een zachte schaduwige rondheid zien, die naar hare

schouders afdaalde en aan het oog onttrokken werd. De wind had een vlok

haar gestolen en strekte de rood-gepunte haren over haar wangen. Haar

oogen waren groot en blauw en om haar lippen zweefde steeds de belofte

van een glimlach, terwijl zij tusschen de takken doorreikte.

Zij wendde zich met schrik naar hem om, bemerkte hem, en een tijdlang

deden zij niet anders dan elkaar aankijken. Het zien van hem was voor

haar wonderbaarlijk en zóó bijna-ongelooflijk, dat het haar eenige

oogenblikken lang iets vreeselijks toeleek. Hij was tot haar gekomen en

had haar geschokt zooals een bovennatuurlijke verschijning dit gedaan

zou hebben; hij verbrak al de vaste wetten van haar wereld. Hij was

toen een jongeling van een en twintig, slank, met het donkere teint

en den ernst van zijn vader. Hij was gekleed in sobere, zacht-bruin

lederen, nauw-passende, doch gemakkelijk-zittende kleêren en met bruine

kuitbroek aan, die hem goed stond en zijn figuur deed uitkomen. In

weer en wind, hij liep blootshoofds. Zij stonden elkaar al maar aan

te kijken--zij ongeloovig-verbaasd, en hij met snelkloppend hart. Het

was een oogenblik zonder inleiding, de belangrijkste ontmoeting van

hun leven.

Hij was minder verbaasd. Hij had haar aldaar gezocht, en zijn hart

klopte onstuimig. Hij ging naar haar toe, langzaam, met de oogen op

haar gelaat gevestigd.

"U is de prinses," zei hij. "Mijn vader heeft mij van u verteld. U

is de prinses die men van het Voedsel der Goden gegeven heeft."

"Ja, ik ben de Prinses,"--zei zij, met verbaasde blikken. "Maar--wie

zijt gij?"

"Ik ben de zoon van den man, die het Voedsel der Goden gemaakt heeft."

"Voedsel der Goden!"

"Ja, het Voedsel der Goden."

"Maar--"

Haar gezicht drukte de grootste verbazing uit, als begreep zij

hem niet.

"Wat is dat? Ik begrijp er niets van. Het Voedsel der Goden, zei u?"

"Hebt ge daar nooit van gehoord?"

"Van het Voedsel der Goden? Néén!"

Zij bemerkte dat zij hevig beefde. Zij verschoot van kleur. "Ik wist

niet," zei zij. "U wilt toch niet zeggen--?"

Hij wachtte tot zij haar zin voltooien zou.

"U wilt toch niet zeggen, dat er nog méér reuzen zijn?"

Het voedsel der Goden en hoe het op Aarde kwam · 第 74 / 103 题