IV.

Dit alles was voorgevallen toen zij nog maar jongens waren, doch

nu waren zij bijna mannen. En de ketenen waren àl nauwer om hen

saamgetrokken, met elk jaar van hun groei. Met ieder jaar dat zij

groeiden en het Voedsel zich verspreidde en groote dingen zich

vermenigvuldigden, werd ook de spanning grooter. Voor de groote

massa was het Voedsel eerst niet meer dan een ver-af wonder geweest,

en nu kwam het tot voor bijna iederen drempel, de geheele geregelde

orde van zaken bedreigend en verdringend. Het deed dìt dichtgroeien

en wierp dàt omver; het veranderde natuurlijke producten, en doordat

het de natuurlijke producten veranderde, zette het allerlei bedrijven

stil en maakte honderdduizenden werkloos; het vloog de grenzen over

en bracht de geheele handelswereld slag op slag toe; geen wonder dat

de menschen het haatten.

En daar het gemakkelijker is levende, dan levenlooze wezens te haten,

dieren meer dan planten, en zijn medemenschen meer dan dieren,

werd de angst en al de last die veroorzaakt werd door reuzennetels

en zes voet hooge grassprieten, vreeselijke insecten en tijgerachtig

ongedierte samengevat in één grooten haat tegen die verspreide groep

van groote menschelijke wezens, de kinderen van het Voedsel. Die haat

was de voornaamste kracht geworden in het politieke leven. De oude

partij-grenzen werden overschreden en uitgewischt en maakten plaats

voor deze nieuwere belangen, en de strijd werd nù gevoerd tusschen de

partij dergenen die wilden schipperen, die kleine politieke mannetjes

het Voedsel wilden laten controleeren en regelen; en de partij der

reactie voor wie Caterham sprak, steeds sprekend met een sinistere

dubbelzinnigheid, zijn bedoeling kristalliseerend nu eens in dezen

dreigenden zin, en dan weer in een anderen; nu eens zei hij, dat men

"den reuzengroei der bremstruiken moest snoeien," dan weder dat men

een "middel tegen olifantiasis" moest zien te vinden, en eindelijk,

aan den vooravond der verkiezingen, dat men de "netel moest aanpakken."

Op zekeren dag zaten de drie zonen van Cossar, die nu niet langer

jongens doch mannen waren, tusschen de massa's van hun nuttelooze

gewrochten, en spraken samen op hun wijze over al deze dingen. Zij

hadden den geheelen dag gewerkt aan een van een serie groote

samengestelde verschansingen die hun vader hen verzocht had te

maken, en nu neeg de zon ten ondergang, en zaten zij in het lapje

tuin voor het groote huis en keken op de wereld neder en rustten,

totdat de kleine bediendetjes daarbinnen zouden aankondigen dat het

eten klaar was.

Ge moet u deze machtige gestalten voorstellen, de kleinste veertig voet

lang, uitgestrekt liggend op een stuk grasveld, dat een gewoon mensch

een met rietstoppels bedekte oppervlakte zou toegeleken hebben. De eene

ging overeind zitten en krabde de aarde van zijn reusachtige schoenen

met een ijzeren dwarsbalk, die hij in de hand geklemd hield; de tweede

rustte op zijn elboog; de derde sneed een punt aan een pijnboom met

zijn zakmes en vervulde de lucht met harsgeur. Zij waren gekleed, niet

in laken, doch in onderkleeren van gevlochten touw en bovenkleederen

van met vilt bekleed aluminium-draad; ze waren geschoeid met hout en

ijzer, en de maliën en knoopen en gordels hunner kleederdracht waren

alle van geplet staal. Het groote huis met één verdieping waarin zij

woonden, in zijn massiefheid gelijkend op de Egyptische pyramiden,

gedeeltelijk gebouwd van monsterachtig-groote blokken krijt, en half

uitgehouwen in het graniet van den heuvel, had een gevel van ruim

honderd voet hoog, en daarachter rezen de schoorsteenen en raderen,

de kranen en daken hunner werk-plaatsen wondervreemd ten hemel. Door

een cirkelvormig raam in het huis was een pijp zichtbaar, waaruit

een wit-gloeiende metaal-massa druppelde in afgemeten druppels in een

onzichtbaren vergaarbak. De plaats was omheind, en ruw versterkt door

reusachtige aarden wallen, gestut door staal, zoowel boven de kruinen

der heuvelen uit, als dwars door de golvende vallei. Alleen een mensch

van gewone grootte kon de kolossaalheid ervan opmerken. De trein die

van Sevenoaks kwam aanrazen, binnen hun gezichtskring, en een oogenblik

later de tunnel invloog en zóó aan bun blik onttrokken werd, zag er in

zijn contrast met hen uit als een klein automatisch stukje speelgoed.

"Ze hebben de grenzen van al de bosschen aan dezen kant van Ightham

veranderd," zei de eene, "en het bord met "verboden terrein" erop,

dat eerst bij Knockholt stond, meer dan twee mijlen hierheen gezet."

"Ze konden slecht anders doen, hè?" zei de jongste, na een oogenblik

zwijgen. "Ze probeeren den wind uit Caterham's zeilen te nemen."

"Daar is het niet genoeg voor, en--het is ons bijna te veel," zei

de derde.

"Zij willen ons van Broeder Redwood afsnijden. De laatste maal toen

ik naar hem toeging, waren de roode waarschuwingsborden al weer een

mijl naar beide kanten verder gezet. De weg, die over de duinen naar

hem toeleidt, is niet meer dan een nauw laantje." De spreker dacht

na. "Wat kan er met onzen broeder Redwood gebeurd zijn?"

"Hoezoo?" zei de oudste broeder.

De spreker kapte een tak van zijn pijnboom.

"Het was net--of hij niet goed wakker was. Hij scheen heelemaal niet

te luisteren naar wat ik te zeggen had. En hij zei iets over--liefde."

De jongste tikte met zijn dwarsbalk op den rand van zijn ijzeren zool

en lachte. "Broer Redwood" zei hij, "is een droomer."

Beiden zwegen eenigen tijd. Toen zei de oudste:

"Dit hoe langer hoe nauwer insluiten wordt me haast te machtig. Ze

zullen zoowaar op z'n laatst nog een lijn om onze laarzen trekken en

ons bevelen daarbinnen te leven."

De middelste broeder veegde met één hand een massa dennetakken terzijde

en verschikte.

"Wat ze nu doen is nog niets vergeleken bij wat ze zullen gaan doen

als Caterham de macht in handen krijgt."

"Als hij die krijgt," zei de jongste broeder, met zijn dwarsbalk op

den grond slaand.

"Dat zal hij beslist," zei de oudste, naar zijn voeteind kijkend.

De middelste broeder hield op met kappen en zijn blik ging naar de

groote aarden wallen die hen aan alle kanten beschermden. "Dan,

broeders," zei hij, "is onze jeugd voorbij, en zullen wij ons,

zooals Vader Redwood ons lang geleden al gezegd heeft, moeten weren

als mannen."

"Jawel," zei de oudste broeder; "maar wat wil dat eigenlijk precies

zeggen? wat wil dat zeggen als die moeilijke dag aanbreekt?"

Ook hij keek naar die ruwe, ontzaglijke aarden wallen om hen heen,

doch niet zoozeer nààr hen, als wel er dóórheen en over de heuvelen

naar de ontelbare menigten daarachter. Allen overdachten iets

dergelijks--een visie van een klein volkje dat ten strijde optrok,

in ontelbare scharen, het kleine, onuitputtelijke, kwaadaardige kleine

volk der menschen...

"Ze zijn klein," zei de jongste broeder; "doch zij zijn niet te tellen,

als het zand aan den oever der zee."

"Zij hebben wapenen--zij hebben wapenen ja, die onze broeders in

Sunderland nog wel voor hen gemaakt hebben."

"Bovendien, Broeders, wat weten we van doodmaken, behalve hier en

daar wat ongedierte en kleine ongelukjes met kwade dingen?"

"Ja, 't is waar," zei de oudste broeder. "Maar toch--we zijn die we

zijn. Als de kwade dagen komen moeten we doen wat onze hand vindt om

te doen."

Hij klikte zijn mes dicht--het lemmet was zoo lang als een mensch--en

gebruikte zijn nieuwe dennenstaf om op te staan. Hij stond op en wendde

zich naar het kolossale, plompe huis. Het purper van den zonsondergang

overstroomde hem terwijl hij opstond, viel op de maliën en gespen

bij zijn hals en het gevlochten metaal over zijn armen, en het leek

zijnen broeders toe alsof hij plotseling overstroomd was van bloed...

Terwijl de jonge reus oprees, kreeg hij een kleine zwarte gedaante in

het oog, afstekende tegen den westelijken gloed die het bovengedeelte

van den aarden wal, machtig rijzend boven het duin, nog verlichtte. De

zwarte kleine ledematen zwaaiden met vreemde gebaren. Iets in dit

zwaaien deed den jongen reus denken aan haast. Hij zwaaide met zijn

dennemast ten antwoord, vervulde de geheele vallei met zijn enorm

"Hallo!" riep zijn broeders toe "d'r is iets aan de hand," en ging

met passen van vijf en twintig voet zijn vader tegemoet om te zien

of er te helpen viel.

Het voedsel der Goden en hoe het op Aarde kwam · 第 70 / 103 题