Dit alles was voorgevallen toen zij nog maar jongens waren, doch
nu waren zij bijna mannen. En de ketenen waren àl nauwer om hen
saamgetrokken, met elk jaar van hun groei. Met ieder jaar dat zij
groeiden en het Voedsel zich verspreidde en groote dingen zich
vermenigvuldigden, werd ook de spanning grooter. Voor de groote
massa was het Voedsel eerst niet meer dan een ver-af wonder geweest,
en nu kwam het tot voor bijna iederen drempel, de geheele geregelde
orde van zaken bedreigend en verdringend. Het deed dìt dichtgroeien
en wierp dàt omver; het veranderde natuurlijke producten, en doordat
het de natuurlijke producten veranderde, zette het allerlei bedrijven
stil en maakte honderdduizenden werkloos; het vloog de grenzen over
en bracht de geheele handelswereld slag op slag toe; geen wonder dat
de menschen het haatten.
En daar het gemakkelijker is levende, dan levenlooze wezens te haten,
dieren meer dan planten, en zijn medemenschen meer dan dieren,
werd de angst en al de last die veroorzaakt werd door reuzennetels
en zes voet hooge grassprieten, vreeselijke insecten en tijgerachtig
ongedierte samengevat in één grooten haat tegen die verspreide groep
van groote menschelijke wezens, de kinderen van het Voedsel. Die haat
was de voornaamste kracht geworden in het politieke leven. De oude
partij-grenzen werden overschreden en uitgewischt en maakten plaats
voor deze nieuwere belangen, en de strijd werd nù gevoerd tusschen de
partij dergenen die wilden schipperen, die kleine politieke mannetjes
het Voedsel wilden laten controleeren en regelen; en de partij der
reactie voor wie Caterham sprak, steeds sprekend met een sinistere
dubbelzinnigheid, zijn bedoeling kristalliseerend nu eens in dezen
dreigenden zin, en dan weer in een anderen; nu eens zei hij, dat men
"den reuzengroei der bremstruiken moest snoeien," dan weder dat men
een "middel tegen olifantiasis" moest zien te vinden, en eindelijk,
aan den vooravond der verkiezingen, dat men de "netel moest aanpakken."
Op zekeren dag zaten de drie zonen van Cossar, die nu niet langer
jongens doch mannen waren, tusschen de massa's van hun nuttelooze
gewrochten, en spraken samen op hun wijze over al deze dingen. Zij
hadden den geheelen dag gewerkt aan een van een serie groote
samengestelde verschansingen die hun vader hen verzocht had te
maken, en nu neeg de zon ten ondergang, en zaten zij in het lapje
tuin voor het groote huis en keken op de wereld neder en rustten,
totdat de kleine bediendetjes daarbinnen zouden aankondigen dat het
eten klaar was.
Ge moet u deze machtige gestalten voorstellen, de kleinste veertig voet
lang, uitgestrekt liggend op een stuk grasveld, dat een gewoon mensch
een met rietstoppels bedekte oppervlakte zou toegeleken hebben. De eene
ging overeind zitten en krabde de aarde van zijn reusachtige schoenen
met een ijzeren dwarsbalk, die hij in de hand geklemd hield; de tweede
rustte op zijn elboog; de derde sneed een punt aan een pijnboom met
zijn zakmes en vervulde de lucht met harsgeur. Zij waren gekleed, niet
in laken, doch in onderkleeren van gevlochten touw en bovenkleederen
van met vilt bekleed aluminium-draad; ze waren geschoeid met hout en
ijzer, en de maliën en knoopen en gordels hunner kleederdracht waren
alle van geplet staal. Het groote huis met één verdieping waarin zij
woonden, in zijn massiefheid gelijkend op de Egyptische pyramiden,
gedeeltelijk gebouwd van monsterachtig-groote blokken krijt, en half
uitgehouwen in het graniet van den heuvel, had een gevel van ruim
honderd voet hoog, en daarachter rezen de schoorsteenen en raderen,
de kranen en daken hunner werk-plaatsen wondervreemd ten hemel. Door
een cirkelvormig raam in het huis was een pijp zichtbaar, waaruit
een wit-gloeiende metaal-massa druppelde in afgemeten druppels in een
onzichtbaren vergaarbak. De plaats was omheind, en ruw versterkt door
reusachtige aarden wallen, gestut door staal, zoowel boven de kruinen
der heuvelen uit, als dwars door de golvende vallei. Alleen een mensch
van gewone grootte kon de kolossaalheid ervan opmerken. De trein die
van Sevenoaks kwam aanrazen, binnen hun gezichtskring, en een oogenblik
later de tunnel invloog en zóó aan bun blik onttrokken werd, zag er in
zijn contrast met hen uit als een klein automatisch stukje speelgoed.
"Ze hebben de grenzen van al de bosschen aan dezen kant van Ightham
veranderd," zei de eene, "en het bord met "verboden terrein" erop,
dat eerst bij Knockholt stond, meer dan twee mijlen hierheen gezet."
"Ze konden slecht anders doen, hè?" zei de jongste, na een oogenblik
zwijgen. "Ze probeeren den wind uit Caterham's zeilen te nemen."
"Daar is het niet genoeg voor, en--het is ons bijna te veel," zei
de derde.
"Zij willen ons van Broeder Redwood afsnijden. De laatste maal toen
ik naar hem toeging, waren de roode waarschuwingsborden al weer een
mijl naar beide kanten verder gezet. De weg, die over de duinen naar
hem toeleidt, is niet meer dan een nauw laantje." De spreker dacht
na. "Wat kan er met onzen broeder Redwood gebeurd zijn?"
"Hoezoo?" zei de oudste broeder.
De spreker kapte een tak van zijn pijnboom.
"Het was net--of hij niet goed wakker was. Hij scheen heelemaal niet
te luisteren naar wat ik te zeggen had. En hij zei iets over--liefde."
De jongste tikte met zijn dwarsbalk op den rand van zijn ijzeren zool
en lachte. "Broer Redwood" zei hij, "is een droomer."
Beiden zwegen eenigen tijd. Toen zei de oudste:
"Dit hoe langer hoe nauwer insluiten wordt me haast te machtig. Ze
zullen zoowaar op z'n laatst nog een lijn om onze laarzen trekken en
ons bevelen daarbinnen te leven."
De middelste broeder veegde met één hand een massa dennetakken terzijde
en verschikte.
"Wat ze nu doen is nog niets vergeleken bij wat ze zullen gaan doen
als Caterham de macht in handen krijgt."
"Als hij die krijgt," zei de jongste broeder, met zijn dwarsbalk op
den grond slaand.
"Dat zal hij beslist," zei de oudste, naar zijn voeteind kijkend.
De middelste broeder hield op met kappen en zijn blik ging naar de
groote aarden wallen die hen aan alle kanten beschermden. "Dan,
broeders," zei hij, "is onze jeugd voorbij, en zullen wij ons,
zooals Vader Redwood ons lang geleden al gezegd heeft, moeten weren
als mannen."
"Jawel," zei de oudste broeder; "maar wat wil dat eigenlijk precies
zeggen? wat wil dat zeggen als die moeilijke dag aanbreekt?"
Ook hij keek naar die ruwe, ontzaglijke aarden wallen om hen heen,
doch niet zoozeer nààr hen, als wel er dóórheen en over de heuvelen
naar de ontelbare menigten daarachter. Allen overdachten iets
dergelijks--een visie van een klein volkje dat ten strijde optrok,
in ontelbare scharen, het kleine, onuitputtelijke, kwaadaardige kleine
volk der menschen...
"Ze zijn klein," zei de jongste broeder; "doch zij zijn niet te tellen,
als het zand aan den oever der zee."
"Zij hebben wapenen--zij hebben wapenen ja, die onze broeders in
Sunderland nog wel voor hen gemaakt hebben."
"Bovendien, Broeders, wat weten we van doodmaken, behalve hier en
daar wat ongedierte en kleine ongelukjes met kwade dingen?"
"Ja, 't is waar," zei de oudste broeder. "Maar toch--we zijn die we
zijn. Als de kwade dagen komen moeten we doen wat onze hand vindt om
te doen."
Hij klikte zijn mes dicht--het lemmet was zoo lang als een mensch--en
gebruikte zijn nieuwe dennenstaf om op te staan. Hij stond op en wendde
zich naar het kolossale, plompe huis. Het purper van den zonsondergang
overstroomde hem terwijl hij opstond, viel op de maliën en gespen
bij zijn hals en het gevlochten metaal over zijn armen, en het leek
zijnen broeders toe alsof hij plotseling overstroomd was van bloed...
Terwijl de jonge reus oprees, kreeg hij een kleine zwarte gedaante in
het oog, afstekende tegen den westelijken gloed die het bovengedeelte
van den aarden wal, machtig rijzend boven het duin, nog verlichtte. De
zwarte kleine ledematen zwaaiden met vreemde gebaren. Iets in dit
zwaaien deed den jongen reus denken aan haast. Hij zwaaide met zijn
dennemast ten antwoord, vervulde de geheele vallei met zijn enorm
"Hallo!" riep zijn broeders toe "d'r is iets aan de hand," en ging
met passen van vijf en twintig voet zijn vader tegemoet om te zien
of er te helpen viel.