V.

Toevallig was ook juist op dezen tijd een jonge man, die geen reus

was, bezig zijn hart te luchten over deze zonen van Cossar. Hij

en zijn vriend waren van over de heuvels achter Sevenoaks gekomen,

en hij was voortdurend aan het woord. Onder het voorbijgaan hadden

zij in het kreupelhout een erbarmelijk gepiep gehoord en hadden drie

jonge meezen die in het nestje zaten, beschermd tegen den aanval van

twee reuzenmieren. Dit avontuur had hen aan het praten gebracht.

"Reactionair!" zei hij, toen zij het kamp der Cossars in het zicht

kregen. "Wie zou niet reactionair worden? Zie dat vierkant stuk grond

eens aan, dat gedeelte van God's aarde, dat eens zoo liefelijk en mooi

was, hoe woest, en ontheiligd en uitgegraven het is! Die loodsen! Dat

groote windrad! Die monsterachtige machine op raderen! Die aarden

wallen! Zie eens hoe die drie monsters daar neerhurken, onder elkaar de

een of andere duivelsche streek uitdenkend! Zie eens--zie de geheele

streek eens aan!"

Zijn vriend keek naar zijn gelaat. "Je hebt zeker Caterham hooren

spreken," zei hij.

"Nee, ik gebruik mijn eigen oogen en blik eens terug naar den

vrede en de goede orde van het verleden, dat wij achter ons gelaten

hebben. Dit gemeene Voedsel is de laatste gedaante van den Duivel,

nog altijd bedacht op den ondergang van onze wereld. Bedenk toch eens

wat de wereld moet geweest zijn vóór onzen tijd, wat zij nog was toen

onze moeders ons droegen, en zie nù eens! Bedenk toch eens hoe deze

hellingen blijde lachten onder den gouden oogst, hoe de heggen vol

geurige kleine bloemen stonden, en het bescheiden stukje grond van den

een scheidden van dat van zijn buurman; hoe de rood-gedakte boerderijen

over het land verspreid lagen en de kerkklokken van gindschen toren

elken Zondag de geheele omgeving tot het gebed opriepen. En nu groeit

er met ieder jaar steeds meer reusachtig onkruid en komt er steeds

meer monsterachtig ongedierte, en dan deze reuzen, die overal om ons

heen opgroeien, die over ons heen stappen, en tegen alles wat ons

heilig is aanloopen. Hier--kijk bijvoorbeeld hier maar eens!"

Hij wees ergens heen en het oog van zijn vriend volgde de richting

van zijn vinger.

"Eén van hun voetindrukken. Kijk! Is er drie voet diep in gezonken,

een valkuil voor paard en berijder, een valstrik voor hen die er

geen erg in hebben. Daar is een wilde roos vertrapt; daar is gras

uitgerukt en een koordendistel geknakt, de draineer-buis van een

boer afgebroken en de kanten van het pad afgetrapt. Vernielen! Dat

doen ze de geheele wereld over, en alle orde en fatsoen die tot nu

heerschten gooien zij omver. Ze vertrappen alles onder hun plompe

voeten. Reactie! Wat anders?"

"Maar--wat denk je met die reactie te bereiken?"

"Paal en perk stellen aan dit alles, vóór het te laat is," zei de

jonge man van Oxford.

"Maar--"

"Het is niet onmogelijk," riep de jonge man van Oxford, terwijl zijn

stem plotseling de hoogte in ging. "We hebben de vaste hand noodig;

een vernuftig plan, en een onwrikbaren geest. Wij zijn te bedeesd

geweest in onze uitdrukkingen en te zwak van hand; we hebben onzen

tijd verknoeid en de zaak op de lange baan geschoven, en het Voedsel

heeft tijd gehad om zich te verspreiden. En zelfs nù nog--"

Hij zweeg een oogenblik. "Dit is de echo van Caterham," zei zijn

vriend.

"En zelfs nù nog. Zelfs nù is er nog hoop--gegronde hoop, als we maar

eerst goed weten wat wij willen en wat we moeten vernietigen. Wij

hebben de groote massa op onze hand, veel meer dan dit een paar jaren

geleden het geval was; de wet is op onze hand, de grondwet en de goede

gang van zaken der maatschappij, de geest der erkende godsdiensten,

de gebruiken en gewoonten der menschheid staan allen aan onzen kant--en

tegenover het Voedsel. Waarom zouden wij de zaak nog langer op de lange

baan schuiven? Waarom zouden wij liegen? Wij haten het en hebben het

niet noodig; waarom zouden wij het dan dulden? Wou jij dan maar bij

de pakken neerzitten, en alleen lijdelijke obstructie voeren en niets

doen--tot het te laat is?"

Hij zweeg en wendde zich om. "Zie dat boschje brandnetels daar eens. In

het midden ervan staan huizen--verlaten--waar ééns heldere gezinnen

van eenvoudige lieden hun leven leefden! En daar!" hij keerde zich

driftig om naar de plaats waar de jonge Cossars over het onrecht dat

hun aangedaan werd zaten te praten.

"Kijk hen eens! En ik ken hun vader, een bruut, een soort van

bruut beest met een onverdragelijk luide stem, een wezen, dat

nu al dertig jaar en meer amok maakt in onze maar al te genadige

wereld. Een werktuigkundige! Alles wat ons heilig en dierbaar is,

is hem niets. Niets! De schoone overleveringen van ons ras en land,

de edele instellingen, de eerbiedwaardige orde, de breede, langzame

gang van precedent tot precedent, die ons Engelsche volk groot gemaakt

heeft en dit zonnige eiland vrij--dit is alles een ijdel verhaal,

dat verteld en dan vergeten wordt. Wat bombast over de Toekomst wordt

boven al deze heilige dingen gesteld..... Het soort van man dat een

trambaan over zijn moeder's graf zou laten loopen als hij dacht dat

het 't goedkoopst was hem zóó aan te leggen! En jij denkt er nog aan,

de zaak op de lange baan te schuiven, een compromis te sluiten, dat

je in staat zal stellen op jouw manier te leven, terwijl die--die

machinemensch het op zijn manier doet. Ik zeg je, 't geeft niets,

't is hopeloos. Je zoudt even goed een verdrag met een tijger kunnen

sluiten! Zij willen de dingen reusachtig groot hebben--wij wenschen ze

liefelijk en normaal. Je staat hier òf voor 't een, òf voor het ander."

"Maar wat kùn je aanvangen?"

"O, heel veel! Alles! Het Voedsel inhouden! Zij zijn nu nog verspreid,

deze reuzen, nog onrijp en nog niet vereenigd. Keten ze, stop ze een

prop in den mond, doe ze een muilband voor. Hoe dan ook, ze moeten

gestuit worden. Het gaat erom of deze aarde de hunne zal worden of

de onze blijven! We kunnen het Voedsel inhouden. We kunnen de lui

die het fabriceeren in de kast duwen. We zullen àl het mogelijke

doen om Cossar te stuiten! Je schijnt heelemaal niet in aanmerking

te nemen, dat--dat we maar één geslacht behoeven te onderdrukken,

en dàn--Dan kunnen we die aardhoopen weer met den grond gelijk maken,

hun voetsporen dempen, de leelijke sirenen van onze kerktorens nemen,

al onze olifanten-geweren aan stukken slaan, en terugkeeren tot de

oude orde der dingen, de rijpe oude beschaving, waarvoor de ziel van

den mensch aangelegd is."

"Dat zal een geweldige poging worden."

"Tot het bereiken van een grootsch doel. En als we haar niet

wagen? Zie je dan niet zoo helder als de dag, het verschiet dat voor

ons ligt? Overal zullen de reuzen zich vermenigvuldigen en groeien;

overal zullen zij het Voedsel gaan maken en verspreiden. Het gras

zal reusachtig hoog opgroeien in onze velden, het onkruid in onze

heggen, het ongedierte in het kreupelhout, de ratten in de riolen,

alles zal reusachtig worden. Steeds meer en meer. Dit is nog pas een

begin. De insecten-wereld zal tegen ons opstaan, en de plantenwereld

eveneens; ja, zelfs de visschen der zee zullen onze schepen doen

volloopen en ze doen zinken. Een reusachtige plantengroei zal onze

huizen verduisteren en ze verbergen, onze kerken verstikken, de goede

orde in onze steden vernietigen en wij zullen niet veel meer zijn dan

een zwak soort van ongedierte onder de voeten van het nieuwe ras. De

menschheid zal overstroomd worden en verdrinken in dingen die zij

zelve verwekt heeft! En dat volkomen doelloos. Grootte. Niets anders

dan grootte! Uitzetting en "da capo." Nu reeds moeten we oppassen waar

we onze voeten zetten tusschen de eerste aanduidingen van den komenden

tijd. En het eenige wat we doen, is zeggen: "wat een last!" We grommen

en doen niets. Neen!"

Hij hief zijne hand op.

"Laten zij doen wat ze denken te moeten doen. Dat zal ik ook. Ik

ben voor Reactie--voor reactie zonder vrees en die van geen wijken

weet. Wat kun je in deze wereld nog beginnen, als je zelf het

Voedsel niet wilt innemen? We hebben te lang getreuzeld op den gulden

middenweg. Treuzelen op middenwegen is jullie gewoonte, jelui bestaan,

en hetgeen waar jelui je tijd aan geeft. Doch Ik ben niet zoo! Ik ben

tegen het Voedsel met al de kracht die in mij is, en tot het uiterste

zal ik mij er tegen verzetten."

Hij wendde zich tot zijn metgezel toen hij diens gegrom van afkeuring

hoorde. "Aan welken kant sta jij?"

"Ja, dat is zoo in een paar woorden niet te zeggen, 't is een

ingewikkelde zaak--"

"Och--drijfhout!" zei de jonge man van Oxford bitter, terwijl hij

een wanhopend gebaar maakte met alle ledematen. "De middenweg leidt

tot niets. Wij hebben hier òf het een, òf het andere te kiezen. Ons

laten òpeten, of zèlf vernietigen. Wat kunnen we ànders beginnen?"

Het voedsel der Goden en hoe het op Aarde kwam · 第 71 / 103 题