Toevallig was ook juist op dezen tijd een jonge man, die geen reus
was, bezig zijn hart te luchten over deze zonen van Cossar. Hij
en zijn vriend waren van over de heuvels achter Sevenoaks gekomen,
en hij was voortdurend aan het woord. Onder het voorbijgaan hadden
zij in het kreupelhout een erbarmelijk gepiep gehoord en hadden drie
jonge meezen die in het nestje zaten, beschermd tegen den aanval van
twee reuzenmieren. Dit avontuur had hen aan het praten gebracht.
"Reactionair!" zei hij, toen zij het kamp der Cossars in het zicht
kregen. "Wie zou niet reactionair worden? Zie dat vierkant stuk grond
eens aan, dat gedeelte van God's aarde, dat eens zoo liefelijk en mooi
was, hoe woest, en ontheiligd en uitgegraven het is! Die loodsen! Dat
groote windrad! Die monsterachtige machine op raderen! Die aarden
wallen! Zie eens hoe die drie monsters daar neerhurken, onder elkaar de
een of andere duivelsche streek uitdenkend! Zie eens--zie de geheele
streek eens aan!"
Zijn vriend keek naar zijn gelaat. "Je hebt zeker Caterham hooren
spreken," zei hij.
"Nee, ik gebruik mijn eigen oogen en blik eens terug naar den
vrede en de goede orde van het verleden, dat wij achter ons gelaten
hebben. Dit gemeene Voedsel is de laatste gedaante van den Duivel,
nog altijd bedacht op den ondergang van onze wereld. Bedenk toch eens
wat de wereld moet geweest zijn vóór onzen tijd, wat zij nog was toen
onze moeders ons droegen, en zie nù eens! Bedenk toch eens hoe deze
hellingen blijde lachten onder den gouden oogst, hoe de heggen vol
geurige kleine bloemen stonden, en het bescheiden stukje grond van den
een scheidden van dat van zijn buurman; hoe de rood-gedakte boerderijen
over het land verspreid lagen en de kerkklokken van gindschen toren
elken Zondag de geheele omgeving tot het gebed opriepen. En nu groeit
er met ieder jaar steeds meer reusachtig onkruid en komt er steeds
meer monsterachtig ongedierte, en dan deze reuzen, die overal om ons
heen opgroeien, die over ons heen stappen, en tegen alles wat ons
heilig is aanloopen. Hier--kijk bijvoorbeeld hier maar eens!"
Hij wees ergens heen en het oog van zijn vriend volgde de richting
van zijn vinger.
"Eén van hun voetindrukken. Kijk! Is er drie voet diep in gezonken,
een valkuil voor paard en berijder, een valstrik voor hen die er
geen erg in hebben. Daar is een wilde roos vertrapt; daar is gras
uitgerukt en een koordendistel geknakt, de draineer-buis van een
boer afgebroken en de kanten van het pad afgetrapt. Vernielen! Dat
doen ze de geheele wereld over, en alle orde en fatsoen die tot nu
heerschten gooien zij omver. Ze vertrappen alles onder hun plompe
voeten. Reactie! Wat anders?"
"Maar--wat denk je met die reactie te bereiken?"
"Paal en perk stellen aan dit alles, vóór het te laat is," zei de
jonge man van Oxford.
"Maar--"
"Het is niet onmogelijk," riep de jonge man van Oxford, terwijl zijn
stem plotseling de hoogte in ging. "We hebben de vaste hand noodig;
een vernuftig plan, en een onwrikbaren geest. Wij zijn te bedeesd
geweest in onze uitdrukkingen en te zwak van hand; we hebben onzen
tijd verknoeid en de zaak op de lange baan geschoven, en het Voedsel
heeft tijd gehad om zich te verspreiden. En zelfs nù nog--"
Hij zweeg een oogenblik. "Dit is de echo van Caterham," zei zijn
vriend.
"En zelfs nù nog. Zelfs nù is er nog hoop--gegronde hoop, als we maar
eerst goed weten wat wij willen en wat we moeten vernietigen. Wij
hebben de groote massa op onze hand, veel meer dan dit een paar jaren
geleden het geval was; de wet is op onze hand, de grondwet en de goede
gang van zaken der maatschappij, de geest der erkende godsdiensten,
de gebruiken en gewoonten der menschheid staan allen aan onzen kant--en
tegenover het Voedsel. Waarom zouden wij de zaak nog langer op de lange
baan schuiven? Waarom zouden wij liegen? Wij haten het en hebben het
niet noodig; waarom zouden wij het dan dulden? Wou jij dan maar bij
de pakken neerzitten, en alleen lijdelijke obstructie voeren en niets
doen--tot het te laat is?"
Hij zweeg en wendde zich om. "Zie dat boschje brandnetels daar eens. In
het midden ervan staan huizen--verlaten--waar ééns heldere gezinnen
van eenvoudige lieden hun leven leefden! En daar!" hij keerde zich
driftig om naar de plaats waar de jonge Cossars over het onrecht dat
hun aangedaan werd zaten te praten.
"Kijk hen eens! En ik ken hun vader, een bruut, een soort van
bruut beest met een onverdragelijk luide stem, een wezen, dat
nu al dertig jaar en meer amok maakt in onze maar al te genadige
wereld. Een werktuigkundige! Alles wat ons heilig en dierbaar is,
is hem niets. Niets! De schoone overleveringen van ons ras en land,
de edele instellingen, de eerbiedwaardige orde, de breede, langzame
gang van precedent tot precedent, die ons Engelsche volk groot gemaakt
heeft en dit zonnige eiland vrij--dit is alles een ijdel verhaal,
dat verteld en dan vergeten wordt. Wat bombast over de Toekomst wordt
boven al deze heilige dingen gesteld..... Het soort van man dat een
trambaan over zijn moeder's graf zou laten loopen als hij dacht dat
het 't goedkoopst was hem zóó aan te leggen! En jij denkt er nog aan,
de zaak op de lange baan te schuiven, een compromis te sluiten, dat
je in staat zal stellen op jouw manier te leven, terwijl die--die
machinemensch het op zijn manier doet. Ik zeg je, 't geeft niets,
't is hopeloos. Je zoudt even goed een verdrag met een tijger kunnen
sluiten! Zij willen de dingen reusachtig groot hebben--wij wenschen ze
liefelijk en normaal. Je staat hier òf voor 't een, òf voor het ander."
"Maar wat kùn je aanvangen?"
"O, heel veel! Alles! Het Voedsel inhouden! Zij zijn nu nog verspreid,
deze reuzen, nog onrijp en nog niet vereenigd. Keten ze, stop ze een
prop in den mond, doe ze een muilband voor. Hoe dan ook, ze moeten
gestuit worden. Het gaat erom of deze aarde de hunne zal worden of
de onze blijven! We kunnen het Voedsel inhouden. We kunnen de lui
die het fabriceeren in de kast duwen. We zullen àl het mogelijke
doen om Cossar te stuiten! Je schijnt heelemaal niet in aanmerking
te nemen, dat--dat we maar één geslacht behoeven te onderdrukken,
en dàn--Dan kunnen we die aardhoopen weer met den grond gelijk maken,
hun voetsporen dempen, de leelijke sirenen van onze kerktorens nemen,
al onze olifanten-geweren aan stukken slaan, en terugkeeren tot de
oude orde der dingen, de rijpe oude beschaving, waarvoor de ziel van
den mensch aangelegd is."
"Dat zal een geweldige poging worden."
"Tot het bereiken van een grootsch doel. En als we haar niet
wagen? Zie je dan niet zoo helder als de dag, het verschiet dat voor
ons ligt? Overal zullen de reuzen zich vermenigvuldigen en groeien;
overal zullen zij het Voedsel gaan maken en verspreiden. Het gras
zal reusachtig hoog opgroeien in onze velden, het onkruid in onze
heggen, het ongedierte in het kreupelhout, de ratten in de riolen,
alles zal reusachtig worden. Steeds meer en meer. Dit is nog pas een
begin. De insecten-wereld zal tegen ons opstaan, en de plantenwereld
eveneens; ja, zelfs de visschen der zee zullen onze schepen doen
volloopen en ze doen zinken. Een reusachtige plantengroei zal onze
huizen verduisteren en ze verbergen, onze kerken verstikken, de goede
orde in onze steden vernietigen en wij zullen niet veel meer zijn dan
een zwak soort van ongedierte onder de voeten van het nieuwe ras. De
menschheid zal overstroomd worden en verdrinken in dingen die zij
zelve verwekt heeft! En dat volkomen doelloos. Grootte. Niets anders
dan grootte! Uitzetting en "da capo." Nu reeds moeten we oppassen waar
we onze voeten zetten tusschen de eerste aanduidingen van den komenden
tijd. En het eenige wat we doen, is zeggen: "wat een last!" We grommen
en doen niets. Neen!"
Hij hief zijne hand op.
"Laten zij doen wat ze denken te moeten doen. Dat zal ik ook. Ik
ben voor Reactie--voor reactie zonder vrees en die van geen wijken
weet. Wat kun je in deze wereld nog beginnen, als je zelf het
Voedsel niet wilt innemen? We hebben te lang getreuzeld op den gulden
middenweg. Treuzelen op middenwegen is jullie gewoonte, jelui bestaan,
en hetgeen waar jelui je tijd aan geeft. Doch Ik ben niet zoo! Ik ben
tegen het Voedsel met al de kracht die in mij is, en tot het uiterste
zal ik mij er tegen verzetten."
Hij wendde zich tot zijn metgezel toen hij diens gegrom van afkeuring
hoorde. "Aan welken kant sta jij?"
"Ja, dat is zoo in een paar woorden niet te zeggen, 't is een
ingewikkelde zaak--"
"Och--drijfhout!" zei de jonge man van Oxford bitter, terwijl hij
een wanhopend gebaar maakte met alle ledematen. "De middenweg leidt
tot niets. Wij hebben hier òf het een, òf het andere te kiezen. Ons
laten òpeten, of zèlf vernietigen. Wat kunnen we ànders beginnen?"