Het grootst, het sterkst en het meest ontzien van al de kinderen van
het Voedsel waren de drie zonen van Cossar. Het stuk bij Sevenoaks van
een mijl lengte en breedte ongeveer, waarop zij hun jeugd doorbrachten,
werd zóó omwald, zóó uitgegraven en onderste-boven-gehaald, zóó
bedekt met loodsen en reusachtige werk-modellen en al het gespeel
van hunne zich ontwikkelende krachten, dat er geen tweede plaats op
aarde was die hiermede vergeleken kon worden. En reeds lang was zij
te klein geworden voor de dingen die zij wilden doen. De oudste zoon
was een machtig ontwerper van rader-machines; hij had zich een soort
reuzen-fiets gemaakt, waarvoor geen weg ter wereld ruimte genoeg had,
en die geen brug kon dragen. Daar stond het ding, een groote structuur
van raderen en machines, in staat een snelheid van twee honderd
vijftig mijlen per uur te ontwikkelen, ongebruikt, behalve wanneer
hij er nu en dan op stapte en er die overvulde plaats mede overrende
en weder terug. Hij had er deze kleine aarde mee rond willen rennen;
met dit doel had hij het ding gemaakt, toen hij nog niet veel meer
dan een droomerige jongen was. Nu had de roest in de spaken gevreten,
die rood waren als wonden, overal waar het nikkel eraf geraakt was.
"Je moet er eerst een weg voor maken, zoontje," had Cossar gezegd,
"voor je dat kunt doen."
Zoodat op een goeden morgen de jonge reus en zijn beide broeders aan
het werk waren getogen om een weg om de wereld aan te leggen. Zij
schijnen een voorgevoel gehad te hebben van komende tegenkanting, en
zij werkten derhalve met nog meer vaart. De wereld had ze gauw genoeg
betrapt, terwijl ze dien weg aanlegden, zoo recht als een kegelbaan
naar het Engelsche Kanaal, toen ze er reeds eenige mijlen van gelijk
gemaakt en vastgestampt hadden. Vóór het midden van den dag waren
ze in hun werk gestoord door een groote menigte opgewonden lieden,
bestaande uit landeigenaars, makelaars, plaatselijke overheden,
advocaten, politie-agenten, en zelfs soldaten.
"We zijn bezig een weg aan te leggen," had de grootste jongen hun
uitgelegd.
"Dat is een heel verdienstelijk werk," zei de leidende advocaat
ter plaatse, "maar eerbiedig alstublieft de rechten van anderen. U
hebt nu reeds inbreuk gemaakt op de privaat-rechten van zeven
en twintig privaat-bezitters; om nog niet eens te spreken van de
bijzondere privilegien en het eigendom van een stedelijk bestuur,
negen parochie-besturen, een graafschapsraad, twee gasfabrieken en
een spoorweg-maatschappij"....
"Goeie grootje!" zei de oudste jongen van Cossar.
"U zult hier mee uit moeten scheiden."
"Maar heb je dan geen mooie rechte weg noodig, inplaats van al die
vunze stinkende laantjes?"
"Ik zal niet zeggen, dat het geen groot voordeel zou zijn, maar--"
"'t Is niet te doen," zei de oudste Cossar, zijn gereedschap opnemend.
"Niet op deze manier," zei de advocaat, "zeker niet zóó!"
"Maar hoe dan wèl?"
Het antwoord van den woordvoerenden advocaat was ingewikkeld en vaag.
Cossar zelf was er ook bijgekomen om te kijken naar het kwaad, dat
zijn kinderen aangericht hadden en berispte hen ernstig en lachte
verbazend en scheen erg blij te zijn met dit zaakje. "Jelui zult
nog een beetje moeten wachten, jongens," brulde hij naar hen op,
"voor je dergelijke dingen kunt gaan doen."
"Die advocaat zei, dat we moesten beginnen met een plan te maken,
en speciale vergunningen aan te vragen en dergelijke onzin. Zei dat
't jaren zou duren"--
"We zullen gauw genoeg een schema klaar hebben, ventje," riep Cossar
met zijn handen aan den mond, "maak je maar niks bezorgd. Maar nu
moet je nog maar liever een beetje hier spelen en modellen maken van
de dingen die je wilt doen."
En zij deden als gehoorzame zoons wat hij hen beval.
Maar niettegenstaande dit, broeiden de jongens van Cossar op iets.
"Dat is allemaal heel goed en wel," zei de tweede tot den eerste,
"maar ik heb er geen zin in hièr altijd te spelen en plannen te
maken. Ik wil iets doèn, weet je. Wij zijn niet geboren met zooveel
kracht in ons om hier maar wat te spelen op dit ellendige lapje grond,
en wandelingetjes te doen en zorgvuldig de steden te vermijden"--want
het was nu zoover gekomen dat alle bewoonde plaatsen hun verboden
waren. "Niets doen is slecht. Zouden we niks kunnen vinden, dat de
kleine menschjes noodig hebben, en het dan voor hen maken--alleen
maar voor het plezier van het doen?"
"Hoopen menschjes hebben geen goed-bewoonbare huizen," zei de tweede
jongen. "Laten we een huis voor ze gaan bouwen, vlak bij Londen,
waar er hoopen en nog es hoopen in kunnen, en het zoo maken, dat 't
er prettig en gezellig in is, en laten we een mooi weggetje voor hen
maken naar de plek waar ze allemaal heengaan om zaken te doen--een
mooi recht weggetje. We zullen alles zoo helder en prettig maken,
dat ze geen van allen langer zoo smerig en beestachtig meer kùnnen
leven zooals ze nu doen. Massa's water om zich in te wasschen moeten
ze hebben--want ze zijn zoo smerig, nu negen van de tien huizen zelfs
geen badgelegenheid hebben, die smerige kleine bunsings! En weet je wat
zoo grappig is, de lui die wèl baden hebben, gooien de anderen die ze
niet hebben beleedigingen naar hun hoofd, inplaats van ze te helpen,
zoodat ze er ook een kunnen aanschaffen--en noemen ze de "Groote
Ongewasschen Menigte." Nu zullen wij daar es verandering in brengen. En
we zullen electrisch licht voor ze maken en voor ze koken en groote
schoonmaak voor hen houden en al dergelijke dingen. Stel je voor! Ze
laten hun vrouwen--vrouwen die moeders zullen worden--rondkruipen
en de vloeren schrobben! Wij zouden alles zoo mooi kunnen doen. We
zouden een dam om een vallei ginds in die heuvelrij kunnen leggen,
en een mooi reservoirtje maken, en dan konden we hièr een groote
flinke gelegenheid maken voor het opwekken van onze electriciteit en
't alles zoo knus mogelijk maken. Is 't niet, broêr?... En dan zouden
ze ons misschien nog wel meer laten doen ook."
"Ja," zei de oudere broeder, "we zouden 't hun werkelijk heel prettig
kunnen maken."
"Nou, laten we 't dan doen óók," zei de tweede broeder.
"Ik heb er niet op tegen," zei de oudere broeder en keek om zich heen
naar een geschikt stuk gereedschap.
En ook dit leidde weer tot ontzettende moeilijkheden.
Opgewonden menigten zaten hun in minder dan geen tijd op den hals,
hun om duizenderlei redenen bevelend uit te scheiden, hen bevelend
te stoppen zonder éénige reden--kakelende, verwarde, veelsoortige
menigten. Het gebouw dat ze bouwden was te hoog--dat kon onmogelijk
veilig zijn. Het was leelijk; het stond bovendien het behoorlijk
verhuren van huizen in de buurt die de juiste hoogte hadden, in den
weg; het bracht den stijl van de geheele buurt in de war; 't was
ònbuurzaam; het was in strijd met Plaatselijke Bouwverordeningen;
het maakte inbreuk op de rechten der plaatselijke overheid, om
zelf te gaan knoeien met een eigen dure, petiterige, electrische
centrale; het botste aan tegen de belangen der plaatselijke
waterleidings-maatschappij.
Klerken van het Ministerie van Handel en Nijverheid werden zoo
actief, dat ze rechtskundige bezwaren in het midden brachten. Het
kleine advocaatje kwam weer te voorschijn om het woord te doen voor
een twaalftal bedreigde belanghebbenden; plaatselijke landeigenaars
voerden oppositie; menschen met vage aanspraken wenschten onzinnig
hooge schadevergoedingen; de werkliedenbonden van al de bouwvakken
verhieven eendrachtig hun stem; en een trust van handelaars in allerlei
soorten van bouwmateriaal werd een ware hinderpaal. Buitengewone
vereenigingen van menschen met profetische visies van aesthetische
verschrikkingen wierpen zich in den strijd om het natuurschoon te
bewaren van de plaats waar zij het groote huis wilden neerzetten, en
van de vallei waar zij het waterreservoir wilden maken. Deze laatste
groep van lieden waren wel de grootste ezels van het heele zoodje,
vonden de jongens van Cossar. Dat mooie huis van Cossar's jongens
werd in minder dan geen tijd als een wandelstok, die in een wespennest
gestoken wordt.
"Wel god beware me!" zei de oudere jongen.
"We kunnen er zoo niet mee voortgaan," zei de tweede broeder.
"Beroerde kleine beestjes zijn 't," zei de derde der broeders;
"we kunnen eenvoudig nìks doen?"
"Zelfs als 't voor hun eigen gemak is, niet."
"En we zouden 't hun zoo prettig en gezellig gemaakt hebben."
"Ze schijnen hun zotte kleine leventjes door te brengen met mekaar
in de wielen te rijden," zei de oudste jongen. "Rechten en wetten
en bepalingen en gemeenigheden; net een knibbelspelletje... Nu, dan
moeten ze nog maar wat langer in hun stoffige, smerige, zotte huisjes
wonen. 't Is nog al duidelijk dat wij er mee uit moeten scheiden."
En de kinderen van Cossar lieten het groote huis onvoltooid, niet
veel meer dan een gat voor de fundamenten en het begin van een muur,
en gingen bedrukt terug naar hun groote omheinde plaats. Na eenigen
tijd vulde het gat zich met water dat ging stinken, met waterplanten en
allerlei ongedierte, en het Voedsel, dat daar òf door Cossar's zonen
neergeworpen, òf als stof er heen gewaaid was, zette de groeikracht
aan als gewoonlijk. Waterratten verspreidden zich over het land en
richtten ontzettende verwoesting aan, en op zekeren dag betrapte
een boer zijne biggen op het drinken uit dezen poel, en slachtte ze
allen onmiddellijk met groote tegenwoordigheid van geest--want hij
herinnerde zich nog het geval met die groote zeug te Oakham. En uit
dien diepen poel kwamen ook de muskieten, werkelijk vreesaanjagende
muskieten, die alleen dit bewerkten, dat de zonen van Cossar, na een
beetje gestoken te zijn, het niet langer konden uithouden, doch een
maannacht uitkozen, toen wet en orde sliepen, en het water afleidden
naar de rivier bij Brook.
Doch de groote waterplanten en het onkruid en de groote waterratten
en allerlei andere ongewenschte dingen bleven nog leven en zich
voortplanten in de streek die Cossar's zonen bewoonden--het stuk grond
waarop het mooie groote huis voor de kleine menschjes zich ten hemel
had kunnen verheffen...