De jongere broeder was van plan geweest iets heel royaals te doen,
namelijk dezen terugkeer tot het leven te vieren met een diner in
het een of ander restaurant van onbetwistbare renommé, een diner
dat gevolgd zou worden door die uitermate schitterende opeenvolging
van indrukken, die de café-chantants dier dagen zoo uitmuntend geven
konden. Het was een waardige manier om hiermede alle restende sporen
van de gevangenis uit te wisschen door dit vertoon van gulheid;
doch wat het tweede gedeelte van het plan betrof, kwam er wijziging
in. Het diner werd gegeven, doch er was reeds een sterker verlangen
dan de lust naar vertooningen, een verlangen dat beter zijn somber
peinzen over zijn verleden kon doen verdwijnen dan eenig theater, en
dit was een alles overstemmende nieuwsgierigheid naar dit Bomvoedsel
en deze Bomkinderen--dit nieuwe dreigende reuzendom, dat de wereld
scheen te overheerschen.
"Ik heb 't er 't mijne nog niet van," zei hij. "Ze wille' me niet uit
't hoofd."
Zijn broeder had die fijnheid van geest, die zelfs kan heenstappen
over voorgenomen gastvrijheid. "Jij kunt kiezen vanavond, kerel,"
zei hij. "We zullen probeeren in 't Volkspaleis te komen bij die
massavergadering."
En eindelijk was de ex-gevangene zoo gelukkig zich, van alle kanten
opgedrongen, te bevinden tusschen een opeengepakte menigte, en van uit
de verte te staren naar een klein, helder-verlicht podium onder een
orgel en een gaanderij. De organist had iets gespeeld dat de voeten aan
het trappelen had gebracht, terwijl de menigte naar binnen stroomde;
doch nu zweeg het orgel weder.
Nauwelijks had de ontslagen gevangene zich neergezet en zijn twist
met een lastigen vreemde, die hem met de elbogen op zijde drong,
geëindigd, of Caterham kwam binnen. Hij trad vanuit het halfduister
midden op het podium, en leek, zoo van uit de verte gezien, een
alleronbeduidendste kleine dwerg, een kleine zwarte figuur met een
roze vlek als gezicht--en profil zag men zijn sterk geprononceerden
arendsneus--een klein gestaltetje, dat achter zich aansleepte--een
juichkreet. Applaus dat dicht bij hem werd aangeheven en aangroeide
en zich verspreidde. Een gedempt rumoer van stemmen, om het podium,
dat plotseling over de geheele menschenmassa heensloeg, in het gebouw
en daarbuiten. Wat applaudiseerde men: "Hoera! Hoera!!"
Niemand van al die myriaden applaudiseerde als de ontslagen
gevangene. De tranen stroomden hem langs de wangen en hij hield
niet eerder op met toejuichen, vóór zijn aandoening hem bijna had
doen stikken. Ge moet zoolang als hij in de gevangenis geweest zijn,
vóór ge begrijpen kunt, of zelfs ook maar een begrip kunt krijgen,
wat het zeggen wil voor zoo iemand om zijne longen eens flink uit te
kunnen zetten temidden van een menigte. (Doch niettegenstaande dit
alles maakte hij zich zelf zelfs niet wijs dat hij wist waar al dit
gejuich om was.) "Hoera!--Hoera!"
En toen volgde er eenigermate stilte. Caterham stond opzichtig-geduldig
te wachten tot het rumoer wat bedaard zoude zijn, en onbelangrijke en
slecht-te-verstane lieden zeiden en deden officieele en onbeduidende
dingen. Het was als stemmen die men in de lente door het ritselen
der bladeren heen hoort. "Wawawawa--" Wat kwam 't er ook op
aan? Groepen toehoorders praatten met elkaar--"Wawawawa"--de zaak
ging gewoon door. Kwam die grijs-harige suffer dan noòit aan het
eind? Tusschenroepen? Natuùrlijk werd er geroepen. "Wa, wa, wa, wa--"
Doch zullen wij Caterham beter hooren? In ieder geval kan je naar
Caterham kijken, en je kan opstaan en van uit de verte de trekken
van den grooten man eens opnemen. Hij was gemakkelijk te teekenen,
deze man, en reeds kon de wereld hem naar hartelust bekijken op
lampeschermpjes en kinder-bordjes, op Anti-Bomvoedsel-medailles en
Anti-Bomvoedsel-vlaggen, op het zelfkant van Caterham-zijde en katoen
en aan den binnenkant van Goede Oude Engelsche Caterham-hoeden. In
al de caricaturen van dien tijd is hij te vinden. Men ziet hem
als een zeeman bij een ouderwetsch kanon staan, met een lontstok,
met "Nieuwe Bomvoedsel-Wetten" erop, in zijn hand; terwijl de zee
dat reusachtige, leelijke, dreigende monster "Bomvoedsel" opgeeft;
of hij is een figuur-ten-voeten-uit in volle wapenrusting, met 't
St. George's kruis op schild en helm, en een laffe titanische Caliban,
aan den ingang van een vreeselijk hol gezeten, weigert onder allerlei
verwenschingen te gehoorzamen aan de "Nieuwe Bomvoedsel-Bepalingen;"
of hij komt als Perseus uit de lucht aanvliegen en bevrijdt een
geketende en schoone Andromeda (met een gordel om waarop duidelijk
te lezen staat "Beschaving") van een zich tot in oneindige
verten kronkelend zeemonster, op welks verschillende halzen en
klauwen te lezen staat: "Anti-Christ", "Alles vertredend Egoïsme",
"Mechanisme", "Monsterachtigheid" en dergelijke dingen. Doch als
"Jack de Reuzen-Dooder" beschouwde het groote publiek hem het best
getroffen, en de ontslagen gevangene stelde zich de gestalte die
daar in de verte stond dan ook voor als een Jack de Reuzen-Dooder,
zooals hij die op de aanplakbiljetten had zien staan.
Het "Wawawawa" hield plotseling op.
"Hij is klaar. Hij gaat zitten. Ja! Nee! Jawel! 't Is
Caterham! Caterham! Caterham!" En toen begon het gejuich opnieuw.
Er is een menigte toe noodig om zùlk een stilte te kunnen veroorzaken
als toen volgde op het lawaaierlge gejuich. Een man alléén in een
wildernis;--zeker is ook dit stilte tot op zekere hoogte; doch hij
hoort zichzelven ademhalen, hij hoort zichzelven bewegen, en hij hoort
allerlei andere dingen. Doch hier in deze zaal was Caterham's stem
het eenige dat verneembaar was, heel helder en duidelijk, als een
klein lichtje dat brandt in een zwart fluweelen nis. Of je hem kon
verstaan? Je kondt hem verstaan alsof hij naast je stond te spreken.
De indruk op den ontslagen gevangene was geweldig: die kleine
gesticuleerende gestalte, die daar stond in een stralenkrans van licht,
in een krans van weelderige, golvende klanken; en achter de gestalte
op het podium zaten, met gedeeltelijk uitgewischte gezichten, de
partijgenooten die hem steunden, en op den voorgrond was een ruim
veld van tallooze ruggen en profielen, één reusachtige aandacht
van een menigte. Die kleine gestalte scheen het wezen van die allen
uitgezogen te hebben.
Caterham sprak van onze oude instellingen.
"Juistjuistjuist", brulde de menigte, "Juist! net zoo!" zei de
ontslagen gevangene. Hij sprak van onzen ouden geest van orde en
rechtvaardigheid. "Jajajaja!" brulde de menigte. "Ja ja!" riep de
man uit de gevangenis, diep bewogen. Hij sprak van de wijsheid
onzer voorvaderen, van den langzamen groei van eerbiedwaardige
instellingen, van zedelijke en maatschappelijke overleveringen, die
zich aan onze nationale Engelsche eigenaardigheden aanpasten zooals
de huid over de hand. "Ja, ja!" kermde de man uit de gevangenis,
terwijl de tranen van opwinding hem over de wangen biggelden. En nu
zouden al deze dingen in den smeltkroes moeten verdwijnen. Ja, in
den smeltkroes! omdat twintig jaar geleden drie mannen een vreemde
zelfstandigheid hadden uitgevonden, daarom moest voor de geheele
geregelde orde der dingen--"Kreten van "Neen! Neen!"--Nu, als dit
nièt moest, dan dienden allen zich in te spannen, en alle aarzeling
op zij te zetten.--Toen Caterham zóóver gekomen was, volgde er weder
een uitbarsting van gejuich.--Dan moesten zij alle aarzeling en halve
maatregelen vaarwel zeggen."
"Wij hebben gehoord, heeren," riep Caterham, "van brandnetels, die
reuzen-netels werden. Eerst zijn ze niet meer dan gewone netels--kleine
plantjes die een stevige hand kan beetpakken en uittrekken; doch
als ge ze laat staan--als ge ze laat staan, groeien ze met zóóveel
giftige kracht, dat ge eindelijk bijl en touw noodig hebt, en loopen
uw leven en ledematen gevaar, en moet gij u inspannen en volgt er
moeite--onder het vellen ervan kunnen menschen gedood worden, onder
het vellen ervan kunnen menschen gedood worden--"
Er volgde even eenig rumoer en toen hoorde de ontslagen gevangene
Caterham's stem weder, die helder en krachtig opklonk: "Leer uw les
omtrent 'tgeen ge met het Bom-voedsel te doen hebt van het Bom-voedsel
zelf en--" Hij hield even op--"pak de brandnetel beet voor het te
laat is!"
Hij zweeg, en wischte zich de lippen af. "Een glas," riep iemand,
"een glas," en toen hoorde men weder dat geluid, dat zoo merkwaardig
snel aangroeide tot een donderend gejuich, tot het leek alsof de
geheele wereld juichte...
De ontslagen gevangene verliet de zaal eindelijk wonderbaar bewogen;
op zijn gelaat eene uitdrukking alsof hij een visioen gezien had. Nu
wist hij het, iedereen wist het nu; zijn denkbeelden waren niet langer
vaag. Hij was teruggekeerd in eene wereld die in een crisis verkeerde,
die onmiddellijk moest beslissen in een geweldige moeilijkheid. Hij ook
moest zijn rol in den grooten strijd spelen als een man--als een vrij
man, doordrongen van zijn verantwoordelijkheidsgevoel. De vijandelijke
botsing stond voor zijn verbeelding als een schilderij--Aan de eene
zijde deze reusachtige in-malien-gekleede gestalten van dien morgen--nu
zag hij ze in een heel ander licht--aan de andere zijde dit kleine, in
het zwart gekleede gesticuleerende mannetje onder het magnesium-licht,
dit dwergje met zijn goed-geordenden vloed van welluidende overredende
argumenten, met zijn klein-menschelijke, wonder-doordringende stem,
"John Caterham"--"Jack de Reuzen-Dooder." Zij moesten allen schouder
aan schouder staan "om de netel beet te pakken" vóór het "te laat" was.