II.

De jongere broeder was van plan geweest iets heel royaals te doen,

namelijk dezen terugkeer tot het leven te vieren met een diner in

het een of ander restaurant van onbetwistbare renommé, een diner

dat gevolgd zou worden door die uitermate schitterende opeenvolging

van indrukken, die de café-chantants dier dagen zoo uitmuntend geven

konden. Het was een waardige manier om hiermede alle restende sporen

van de gevangenis uit te wisschen door dit vertoon van gulheid;

doch wat het tweede gedeelte van het plan betrof, kwam er wijziging

in. Het diner werd gegeven, doch er was reeds een sterker verlangen

dan de lust naar vertooningen, een verlangen dat beter zijn somber

peinzen over zijn verleden kon doen verdwijnen dan eenig theater, en

dit was een alles overstemmende nieuwsgierigheid naar dit Bomvoedsel

en deze Bomkinderen--dit nieuwe dreigende reuzendom, dat de wereld

scheen te overheerschen.

"Ik heb 't er 't mijne nog niet van," zei hij. "Ze wille' me niet uit

't hoofd."

Zijn broeder had die fijnheid van geest, die zelfs kan heenstappen

over voorgenomen gastvrijheid. "Jij kunt kiezen vanavond, kerel,"

zei hij. "We zullen probeeren in 't Volkspaleis te komen bij die

massavergadering."

En eindelijk was de ex-gevangene zoo gelukkig zich, van alle kanten

opgedrongen, te bevinden tusschen een opeengepakte menigte, en van uit

de verte te staren naar een klein, helder-verlicht podium onder een

orgel en een gaanderij. De organist had iets gespeeld dat de voeten aan

het trappelen had gebracht, terwijl de menigte naar binnen stroomde;

doch nu zweeg het orgel weder.

Nauwelijks had de ontslagen gevangene zich neergezet en zijn twist

met een lastigen vreemde, die hem met de elbogen op zijde drong,

geëindigd, of Caterham kwam binnen. Hij trad vanuit het halfduister

midden op het podium, en leek, zoo van uit de verte gezien, een

alleronbeduidendste kleine dwerg, een kleine zwarte figuur met een

roze vlek als gezicht--en profil zag men zijn sterk geprononceerden

arendsneus--een klein gestaltetje, dat achter zich aansleepte--een

juichkreet. Applaus dat dicht bij hem werd aangeheven en aangroeide

en zich verspreidde. Een gedempt rumoer van stemmen, om het podium,

dat plotseling over de geheele menschenmassa heensloeg, in het gebouw

en daarbuiten. Wat applaudiseerde men: "Hoera! Hoera!!"

Niemand van al die myriaden applaudiseerde als de ontslagen

gevangene. De tranen stroomden hem langs de wangen en hij hield

niet eerder op met toejuichen, vóór zijn aandoening hem bijna had

doen stikken. Ge moet zoolang als hij in de gevangenis geweest zijn,

vóór ge begrijpen kunt, of zelfs ook maar een begrip kunt krijgen,

wat het zeggen wil voor zoo iemand om zijne longen eens flink uit te

kunnen zetten temidden van een menigte. (Doch niettegenstaande dit

alles maakte hij zich zelf zelfs niet wijs dat hij wist waar al dit

gejuich om was.) "Hoera!--Hoera!"

En toen volgde er eenigermate stilte. Caterham stond opzichtig-geduldig

te wachten tot het rumoer wat bedaard zoude zijn, en onbelangrijke en

slecht-te-verstane lieden zeiden en deden officieele en onbeduidende

dingen. Het was als stemmen die men in de lente door het ritselen

der bladeren heen hoort. "Wawawawa--" Wat kwam 't er ook op

aan? Groepen toehoorders praatten met elkaar--"Wawawawa"--de zaak

ging gewoon door. Kwam die grijs-harige suffer dan noòit aan het

eind? Tusschenroepen? Natuùrlijk werd er geroepen. "Wa, wa, wa, wa--"

Doch zullen wij Caterham beter hooren? In ieder geval kan je naar

Caterham kijken, en je kan opstaan en van uit de verte de trekken

van den grooten man eens opnemen. Hij was gemakkelijk te teekenen,

deze man, en reeds kon de wereld hem naar hartelust bekijken op

lampeschermpjes en kinder-bordjes, op Anti-Bomvoedsel-medailles en

Anti-Bomvoedsel-vlaggen, op het zelfkant van Caterham-zijde en katoen

en aan den binnenkant van Goede Oude Engelsche Caterham-hoeden. In

al de caricaturen van dien tijd is hij te vinden. Men ziet hem

als een zeeman bij een ouderwetsch kanon staan, met een lontstok,

met "Nieuwe Bomvoedsel-Wetten" erop, in zijn hand; terwijl de zee

dat reusachtige, leelijke, dreigende monster "Bomvoedsel" opgeeft;

of hij is een figuur-ten-voeten-uit in volle wapenrusting, met 't

St. George's kruis op schild en helm, en een laffe titanische Caliban,

aan den ingang van een vreeselijk hol gezeten, weigert onder allerlei

verwenschingen te gehoorzamen aan de "Nieuwe Bomvoedsel-Bepalingen;"

of hij komt als Perseus uit de lucht aanvliegen en bevrijdt een

geketende en schoone Andromeda (met een gordel om waarop duidelijk

te lezen staat "Beschaving") van een zich tot in oneindige

verten kronkelend zeemonster, op welks verschillende halzen en

klauwen te lezen staat: "Anti-Christ", "Alles vertredend Egoïsme",

"Mechanisme", "Monsterachtigheid" en dergelijke dingen. Doch als

"Jack de Reuzen-Dooder" beschouwde het groote publiek hem het best

getroffen, en de ontslagen gevangene stelde zich de gestalte die

daar in de verte stond dan ook voor als een Jack de Reuzen-Dooder,

zooals hij die op de aanplakbiljetten had zien staan.

Het "Wawawawa" hield plotseling op.

"Hij is klaar. Hij gaat zitten. Ja! Nee! Jawel! 't Is

Caterham! Caterham! Caterham!" En toen begon het gejuich opnieuw.

Er is een menigte toe noodig om zùlk een stilte te kunnen veroorzaken

als toen volgde op het lawaaierlge gejuich. Een man alléén in een

wildernis;--zeker is ook dit stilte tot op zekere hoogte; doch hij

hoort zichzelven ademhalen, hij hoort zichzelven bewegen, en hij hoort

allerlei andere dingen. Doch hier in deze zaal was Caterham's stem

het eenige dat verneembaar was, heel helder en duidelijk, als een

klein lichtje dat brandt in een zwart fluweelen nis. Of je hem kon

verstaan? Je kondt hem verstaan alsof hij naast je stond te spreken.

De indruk op den ontslagen gevangene was geweldig: die kleine

gesticuleerende gestalte, die daar stond in een stralenkrans van licht,

in een krans van weelderige, golvende klanken; en achter de gestalte

op het podium zaten, met gedeeltelijk uitgewischte gezichten, de

partijgenooten die hem steunden, en op den voorgrond was een ruim

veld van tallooze ruggen en profielen, één reusachtige aandacht

van een menigte. Die kleine gestalte scheen het wezen van die allen

uitgezogen te hebben.

Caterham sprak van onze oude instellingen.

"Juistjuistjuist", brulde de menigte, "Juist! net zoo!" zei de

ontslagen gevangene. Hij sprak van onzen ouden geest van orde en

rechtvaardigheid. "Jajajaja!" brulde de menigte. "Ja ja!" riep de

man uit de gevangenis, diep bewogen. Hij sprak van de wijsheid

onzer voorvaderen, van den langzamen groei van eerbiedwaardige

instellingen, van zedelijke en maatschappelijke overleveringen, die

zich aan onze nationale Engelsche eigenaardigheden aanpasten zooals

de huid over de hand. "Ja, ja!" kermde de man uit de gevangenis,

terwijl de tranen van opwinding hem over de wangen biggelden. En nu

zouden al deze dingen in den smeltkroes moeten verdwijnen. Ja, in

den smeltkroes! omdat twintig jaar geleden drie mannen een vreemde

zelfstandigheid hadden uitgevonden, daarom moest voor de geheele

geregelde orde der dingen--"Kreten van "Neen! Neen!"--Nu, als dit

nièt moest, dan dienden allen zich in te spannen, en alle aarzeling

op zij te zetten.--Toen Caterham zóóver gekomen was, volgde er weder

een uitbarsting van gejuich.--Dan moesten zij alle aarzeling en halve

maatregelen vaarwel zeggen."

"Wij hebben gehoord, heeren," riep Caterham, "van brandnetels, die

reuzen-netels werden. Eerst zijn ze niet meer dan gewone netels--kleine

plantjes die een stevige hand kan beetpakken en uittrekken; doch

als ge ze laat staan--als ge ze laat staan, groeien ze met zóóveel

giftige kracht, dat ge eindelijk bijl en touw noodig hebt, en loopen

uw leven en ledematen gevaar, en moet gij u inspannen en volgt er

moeite--onder het vellen ervan kunnen menschen gedood worden, onder

het vellen ervan kunnen menschen gedood worden--"

Er volgde even eenig rumoer en toen hoorde de ontslagen gevangene

Caterham's stem weder, die helder en krachtig opklonk: "Leer uw les

omtrent 'tgeen ge met het Bom-voedsel te doen hebt van het Bom-voedsel

zelf en--" Hij hield even op--"pak de brandnetel beet voor het te

laat is!"

Hij zweeg, en wischte zich de lippen af. "Een glas," riep iemand,

"een glas," en toen hoorde men weder dat geluid, dat zoo merkwaardig

snel aangroeide tot een donderend gejuich, tot het leek alsof de

geheele wereld juichte...

De ontslagen gevangene verliet de zaal eindelijk wonderbaar bewogen;

op zijn gelaat eene uitdrukking alsof hij een visioen gezien had. Nu

wist hij het, iedereen wist het nu; zijn denkbeelden waren niet langer

vaag. Hij was teruggekeerd in eene wereld die in een crisis verkeerde,

die onmiddellijk moest beslissen in een geweldige moeilijkheid. Hij ook

moest zijn rol in den grooten strijd spelen als een man--als een vrij

man, doordrongen van zijn verantwoordelijkheidsgevoel. De vijandelijke

botsing stond voor zijn verbeelding als een schilderij--Aan de eene

zijde deze reusachtige in-malien-gekleede gestalten van dien morgen--nu

zag hij ze in een heel ander licht--aan de andere zijde dit kleine, in

het zwart gekleede gesticuleerende mannetje onder het magnesium-licht,

dit dwergje met zijn goed-geordenden vloed van welluidende overredende

argumenten, met zijn klein-menschelijke, wonder-doordringende stem,

"John Caterham"--"Jack de Reuzen-Dooder." Zij moesten allen schouder

aan schouder staan "om de netel beet te pakken" vóór het "te laat" was.

Het voedsel der Goden en hoe het op Aarde kwam · 第 68 / 103 题