I.

Gedurende twintig jaren speelde de Verandering met de wereld. Voor de

meeste menschen kwamen de nieuwe dingen merkwaardig genoeg langzaam en

dag aan dag, doch niet zoo plotseling dat zij hen overstelpten. Doch

aan één mensch zou alles wat zich in die twintig jaar had opgehoopt,

geopenbaard worden plotseling en verbazingwekkend, en wel alles in één

dag. Voor ons doel is het noodzakelijk dien dag met hem te doorleven,

en iets te verhalen van de dingen die hij toen zag.

Deze man was een tot levenslange gevangenisstraf veroordeelde--wat

hij bedreven had komt hier minder op aan--dien de wet na twintig

jaren gratie geschonken had.

Op zekeren zomermorgen werd deze arme sukkel, die de wereld verlaten

had als een jonge man van drie en twintig, plotseling uit de grauwe

sleur van arbeid en discipline, waaraan hij gewoon was geworden,

geplaatst temidden der heerlijkst-schitterende vrijheid. Men had hem

ongewone kleêren aangetrokken; zijn haar had hij gedurende eenige weken

laten groeien, en hij had er gedurende eenige dagen een scheiding in

gekamd; en daar stond hij nu, met een soort armoedige, en onbeholpen

nieuwheid van lichaam en geest, knipperend met de oogen en zelfs

knipperend met zijn ziel, weder buiten de gevangenis, en trachtend in

één ongelooflijk iets te denken, namelijk dat hij zich gedurende een

tijdje weder in het daadwerkelijke leven bevond, en geheel onvoorbereid

op alle andere ongelooflijke dingen. Hij was zoo gelukkig een broeder

te bezitten, die wel zóóveel gaf om de vervlogen dingen van vroeger

dagen, welke zij tezamen beleefd hadden, om hem te komen afhalen

en zijn hand te drukken--een broeder dien hij als kleinen jongen

achtergelaten had en die nu een gebaard man was wien het goed ging

in de wereld--en wiens oogen hij zelfs niet meer herkende. En tezamen

kwamen hij en deze vreemdeling, die tot zijn naaste familie behoorde

in de stad Dover aan, wèinig met elkaar sprekend en véél denkend.

Zij zaten een tijdje in een café, terwijl de een de vragen van den

ander omtrent dezen en genen persoon beantwoordde; eigenaardige

oude gezichtspunten leefden weer op; eindelooze nieuwe uitzichten en

verten werden op zij geschoven, en toen was het tijd naar het station

te gaan, om den trein naar Londen te kunnen halen. Hunne namen en

de persoonlijke dingen die zij te bespreken hadden, komen er voor

onze geschiedenis minder op aan, doch enkel de veranderingen en al

het vreemde dat deze arme wederkeerende ziel vond in de eens hem

zoo bekende wereld. In Dover zelf viel hem weinig anders op dan dat

het goed was bier uit een pul te drinken--nooit had bier hem tevoren

ooit zóó gesmaakt, en het deed tranen van dankbaarheid in zijne oogen

wellen. "'t Bier is nog altijd even goed om te drinken," zei hij,

het inderdaad oneindig veel beter vindend dan vroeger...

Eerst toen de trein hen voorbij Folkestone deed vliegen, was hij

in staat iets verder te zien dan zijne onmiddellijke emoties,

en zag hij wat er met de aarde gebeurd was. Hij gluurde uit het

raampje. "Lekker zonnetje," zei hij, voor de twaalfde maal. "Ik kon

geen beter weêr treffen." En toen viel het hem voor het eerst op,

dat er nieuwe verhoudingen in de dingen gekomen waren. "Goeie hemel,"

riep hij uit, terwijl hij rechtop ging zitten, en voor de eerste

maal met levendigen blik naar buiten keek, "dat zijn allemachtig

groote distels, die daar op den oever bij dat brem daar groeien. As

't tenminste distels zijn. Of weet 'k 't niet meer?"

Doch het waren wèl distels, en wat hij voor hooge bremstruiken aanzag,

was het nieuwe gras, en hier middenin was een compagnie Britsche

soldaten--nog altijd met roode jassen aan--bezig te schermutselen

volgens de regelen van het excercitie-boekje dat gedeeltelijk herzien

was na den Boeren-oorlog. Toen plotseling--sjt--een tunnel in,

en toen vlogen zij Sandling Junction binnen, dat geheel omgeven en

verduisterd werd--alle lampen brandden er--door een groot kreupelbosch

van rododendrons, die uit een naburigen tuin gekropen waren en zich

over de geheele vallei verspreid hadden. Er stond een trein op het

zijspoor te Sandling, die hoog opgeladen was met rhododendronblokken,

en hièr hoorde de wederkeerende burger voor het eerst van Bomvoedsel.

Toen zij voortsnelden, een landstreek in die geheel onveranderd

scheen, waren de beide broeders druk bezig met hunne uitleggingen. De

een was vol van driftige vervelende vragen: de ander had zich nooit

bekommerd, en er nooit aan gedacht de quaestie als een op zichzelf

staand feit te zien, en bij sprak over dingen die hem heel gewoon

leken en die de ander zich moeilijk kon voorstellen. "Dat is dat

Bomvoedsel," zei hij, al zijn grondkennis van het geval op èenmaal

luchtend... "Snap je? Hebben ze je daar geen van allen iets van

verteld? Bomvoedsel! Dat weet je toch wel--Bomvoedsel. Waar de heele

verkiezing om draait. Wetenschappelijk goedje. Niemand je d'r ooit

van verteld?"

Hij vond dat de gevangenis een ontzettenden sufkop van zijn broeder

gemaakt had, dat hij dàt niet wist. Over en weer vlogen de vragen

en antwoorden. En hiertusschen waren soms tusschenpoozen dat zij

uit het raampje keken. In het begin was de belangstelling die de

man voor de dingen voelde, vaag en algemeen. Zijn verbeelding was

bezig geweest met wat die en die, dien hij nog kende van vroeger,

wel zeggen zou, hoe die en die er wel zou uitzien, hoe hij tegen

allen die hij van vroeger kende enkele dingen zou zeggen die zijn

"verhuizen naar de Nor," in een minder ongunstig daglicht zouden

stellen. Dit Bomvoedsel had zich 't eerst aan hem voorgedaan, alsof

hij er zóó van in een couranten-artikel gelezen had, en toen was het

een bron van geestelijke moeilijkheid geworden tusschen hem en zijn

broeder. Doch het werd hem spoedig duidelijk, dat dit Bom-voedsel in

ieder gesprek dat hij begon binnensloop.

In die dagen was de wereld in een alles desorganiseerend tijdperk

van overgang, zoodat dit groote nieuwe feit hem in zijne contrasten

trof met een schok. Het veranderingsproces was niet algemeen geweest;

het had zich verspreid vanuit centra, die ver van elkaar lagen. Het

land was in plekken verdeeld; er waren groote uitgestrektheden waar

het Voedsel nog komen moest, en andere, waar het reeds in den grond

en in de lucht zat, sporadisch en besmettend. Het was als een brutaal

nieuw motief dat zich tusschen oude, eerwaardige melodieën dringt.

Het contrast was te dien tijde vooral zeer levendig langs de spoorlijn

van Dover naar Londen. Een tijd lang snelden zij door juist zulk een

landstreek als hij gekend had sedert zijn kindsheid, de kleine ovale

met heggen-afgezette akkers, juist groot genoeg om door dwerg-paardjes

geploegd te worden, de weggetjes, breed als drie karren, de olmen en

eiken en populieren die als spikkels in deze velden stonden, kleine

boschjes van wilgen op de oevers der riviertjes, hooischelven die

niet hooger waren dan de knieën van een reus, poppen-landhuisjes met

ruitvormige venster-ruiten, braakliggende stukken land, en slingerende

dorpsstraatjes, de grootere huizen op de klein-groote, met bloemen

overdekte stations, en al die kleine dingen der negentiende eeuw die

nog weerstand boden aan deze enorme Grootheid. Hier en daar stond

een bosje door den wind gezaaide en verwaaide reuzendistels, die

den bijl weerstonden; hier en daar stond een tien voet hooge zwam,

of de buigzame stengels van een dor afgebrand bosje reuzen-gras;

doch dit was het eenige dat op de komst van het Voedsel duidde.

Een veertig mijlen ver was er niets dat wees op de aanwezigheid van

het reusachtige graan en van het onkruid, dat op nog geen twaalf

mijlen afstand over de heuvelen in de vallei van Cheasing Eyebright

groeide. En toen begonnen zich plotseling sporen van het Voedsel

te vertoonen.

Het eerste wat hem opviel, was het groote nieuwe viaduct te Tonbridge,

waar het moeras van de dichtgegroeide Medway (dit dichtgroeien was

veroorzaakt door een reuzen-varieteit van "Chara") in die dagen

begon. Toen weder het gewone kleine land, en vervolgens, toen de

klein-krioelende uitgestrektheid van Londen zich in de wazige verte

begon uit te spreiden, werden de sporen van den strijd der menschen

om deze grootheid buiten te sluiten, talrijk en zonder tusschenpoozen.

In dat zuid-oostelijk gedeelte van Londen, en overal om de plaats

waar Cossar en zijn kinderen woonden, was het Voedsel op honderden

punten op geheimzinnige wijze losgebroken; het kleine leven ging

gewoon zijn gang tusschen deze dagelijksche voorteekenen, die niet

langer waarschuwend tot de menschen spraken, door het geleidelijke van

hunnen aanwas, en doordat men langzaam en even geleidelijk wende aan

hunne tegenwoordigheid. Doch deze huiswaarts-keerende burger staarde

naar buiten, en zag voor het eerst hoe vreemd en overweldigend het

Voedsel gewerkt had. Platgebrande en verkoolde stukken grond, groote

wanstaltige verdedigingswerken en voorzorgsmaatregelen, barakken en

arsenalen, die deze subtiele volhoudende invloed in het leven der

menschen had gedrongen.

Hier had zich telkens en telkens weder op grooter schaal de

ondervinding der eerste Proef-Hoeve herhaald. Het Voedsel had gewerkt

in de minder belangrijke dingen des levens--op braakliggende plaatsen,

onregelmatig en zonder doel--en hierin had de komst van een nieuwe

kracht en nieuwe punten van uitgang zich het eerst doen gelden. Er

lagen groote kwalijkriekende erven en afgeschoten plaatsen, waar de

een of ander onuitroeibare wildernis van onkruid, brandstof leverde

voor reusachtige machinerieën (kleine stadsmenschjes kwamen staan

gapen naar de geoliede snorrende raderen en gaven de werklieden een

kwartje fooi); er waren wegen en wagensporen voor groote motoren en

voertuigen--wegen, die aangelegd waren van de inelkaar gevlochten

vezels van overvoed vlas; dan waren er torens met stoom-sirenen, die

onmiddellijk konden gillen en de wereld waarschuwen als er weder een

nieuw soort ongedierte was losgebroken, of, en dit was nog vreemder,

oude eerwaardige kerktorens, die in het oogloopend voorzien waren van

mechanisch-gillende instrumenten. Er waren kleine rood-geschilderde

vlucht-hutten en barakken voor het garnizoen, elk met een schietbaan

van 300 meter, waar de scherpschutters zich dagelijks oefenden

met kogels met zacht-looden punten, op schijven die den vorm van

reuzen-ratten hadden.

Sedert den tijd der Skinners was er zesmaal een reuzen-ratten-plaag

geweest--telkenmale vanuit de riolen van het zuidwesten van Londen,

en nù werd hun bestaan geaccepteerd, als dat der tijgers op den delta

van Calcutta...

De broeder van den man had op nonchalante wijze een courant gekocht

te Sandling en eindelijk viel het oog van den ontslagen gevangene

hierop. Hij sloeg de bladen waaraan hij zoozeer ontwend was, op--ze

leken hem kleiner, talrijker en anders gedrukt dan de couranten van

vroeger--en hij zag voor zich tallooze afbeeldingen van dingen die zóó

vreemd waren, dat hij er geen belang in stelde, en met lange kolommen

druks, welker opschriften even onbegrijpelijk voor hem waren alsof

ze in een vreemde taal geschreven waren--"Groote Redevoering van den

heer Caterham"; "De Bomvoedsel-Wetten."

"Wie is die Caterham?" vroeg hij, pogend het gesprek weder op gang

te brengen.

"O, laat diè maar loopen," zei zijn broeder.

"Aha! Zeker zoo'n politieker, he?"

"Legt 't 'r op an de Kamers naar huis te sturen. 't Wordt tijd ook,

hoor."

"Zoo!" Hij dacht even na. "'k Vertrouw dat al de lui die àn waren

toen ik er nog was--Chamberlain, Roseberry--al die lui--Wat?"

Zijn broeder had hem plotseling bij den pols gegrepen en wees het

portier uit.

"Daar heb je de Cossars!" De oogen van den ontslagen gevangene volgden

de richting van den vinger en zagen--"

"Mijn God!" riep hij uit, voor het eerst werkelijk overweldigd

van verbazing. De courant viel, nu geheel vergeten, tusschen zijne

voeten. Tusschen de boomen kon hij zeer duidelijk een menschelijke

gestalte van ruim veertig voet lang zien staan in een gemakkelijke

houding, wijdbeens, en in de hand een bal, alsof hij op het punt stond

dezen weg te slingeren. De gedaante schitterde in het zonlicht, gekleed

als zij was in een pak van gevlochten wit metaal en met een breeden

stalen gordel om. Een oogenblik concentreerde hij aller aandacht op

zich en toen werd deze afgetrokken door een tweeden reus, die een eind

verder stond, als klaar om op te vangen en het werd duidelijk dat

dit geheele groote terrein in de heuvelen even benoorden Sevenoaks,

gebezigd werd voor reuzendoeleinden.

Een reusachtige omwalde trens omgaf de krijtgroeve, waarin het huis

stond, een monsterachtige, plompe Egyptische structuur, die Cossar

voor zijne zonen gebouwd had, toen de Reuzen-Kinderkamer haar tijd

uitgediend had, en daarachter stond een groote donkere loods, die een

kathedraal had kunnen overkappen, waarin een sissende gloeihitte af

en aan laaide en waaruit een Titanisch gehamer klonk. Toen werd de

aandacht nogmaals gevestigd op den reus, toen de groote, met ijzer

beslagen houten bal uit zijne hand schoot en de lucht in vloog.

De beide mannen stonden op en keken verbaasd toe. De bal leek zoo

groot als een vat.

"Hij heeft 'em gegrepen!" riep de man uit de gevangenis, toen een

boom den werper aan het gezicht onttrok. De trein liet al deze dingen

slechts een ondeelbaar oogenblik zien en verdween toen achter boomen

en zoo de Chislehurst tunnel in. "Goeie God!" zei de ex-gevangene

nogmaals," toen de duisternis hen omsloot. "Die kerel is zoo groot

als een 'uis."

"Dat zijn die jonge Cossars," zei zijn broeder, met zijn hoofd een

gebaar makend naar den kant waar de reuzen verdwenen waren--"waar al

die herrie om is..."

Zij kwamen de tunnel weder uit en ontdekten nog meer torens met

sirenen erop, nog meer roode hutten, en toen de rijen villa's der

voorsteden. De kunst van het reclame-biljetten-aanplakken was er

in den tusschentijd niet op achteruit gegaan, en op tallooze hooge

schuttingen, op zijmuren van huizen, op omheiningen, en honderden

van dergelijke schoone gelegenheden waren de veelkleurige oproepingen

voor de groote Bomvoedsel-verkiezing te lezen.

"Caterham," "Bomvoedsel," en "Jack de Reuzendooder" telkens

en telkens weêr, en monsterachtige caricaturen en verminkte

afbeeldingen--honderden varieteiten van verkeerde, belachelijke

voorstellingen van die schitterende gestalten, die zij van zoo dichtbij

gepasseerd waren, enkele oogenblikken geleden...

Het voedsel der Goden en hoe het op Aarde kwam · 第 67 / 103 题