Doch weldra zou het Voedsel een nieuwe phase bij hem
intreden. Niettegenstaande de eenvoudige leeringen van den
dominé--leeringen die er op berekend waren, het bescheiden natuurlijke
leven dat een reuzen-boer paste, op de beste en meest afdoende
wijze af te ronden--begon hij te vragen naar allerlei dingen en te
dènken. Naarmate hij van jongen tot man opgroeide werd het steeds
duidelijker dat zijn brein er een eigen denk-proces op na hield--dat
geheel buiten het toezicht van den dominé viel. De predikant deed
zijn best dit verontrustend verschijnsel te negeeren, maar toch,--hij
voelde zeer goed dat het aanwezig was.
De stof waar de jonge reus over kon denken, vond hij overal om
zich heen. Zonder dat hij het bepaald kon helpen, moet hij toch,
met zijn ruimer uitzicht, zijn voortdurend op de dingen néérzien,
heel wat gezien hebben van het menschelijk leven, en naarmate het
hem duidelijker werd dat, uitgenomen zijn lompe grootte, hij óók een
mensch was, moet hij steeds meer hebben leeren inzien van hoeveel
hij buitengesloten was door dit meewarig punt van onderscheid. Het
gezellige gegons dat uit de school kwam, het mysterie van den
godsdienst dat in zooveel weelde genoten werd, en zulk een zoete
melodie uitademde, het joviale gezang dat uit de herberg klonk, de
warm-verlichte vertrekken, met kaarsen verlicht en met vuur verwarmd,
waarin hij gluurde van uit de duisternis buiten, of de luidruchtige
opwinding, de energie der in flanel gekleede jongens, die naar een,
door hem maar vaag begrepen doel speelden op het cricketveld--al
deze dingen moeten luid gesproken hebben tot zijn naar gezelligheid
hakend hart. Het blijkt dat naarmate hij langzaam zijn volwassen
staat bereikte, hij een warme belangstelling begon te voelen in de
handelingen van minnaars, in de keuzen en het paren, en in al die
intimiteiten die zoo gewichtig zijn in het leven.
Op zekeren Zondag, tegen het uur dat de sterren en de vledermuizen en
de hartstochten van het leven op het land te voorschijn komen, bevond
zich toevallig een jong paartje dat "mekaar een beetje kuste", in het
"Minnaarslaantje", een laantje met breede heggen, dat achterom loopt
naar de Upper Lodge. Zij vierden hun emotietjes bot, zoo veilig in
den warmen, stillen schemer als minnaars maar zijn kunnen. De eenige
stoornis kon, zoo meenden zij, van den kant van den weg komen, en deze
konden zij een heel eind afzien; de twaalfvoet hooge heg die naar de
stille duinen liep, leek hun een absolute waarborg tegen stoornis.
En toen werden zij--'t is haast niet te gelooven--van den grond
gelicht en van elkaar gescheiden.
Zij bevonden dat zij onder de oksels in de hoogte werden gehouden
tusschen een vinger en duim, terwijl de ontstelde bruine oogen van
den jongen Caddles hen scherp in hunne warme, kleurende gezichten
staarden. Het is begrijpelijk dat zij niets konden zeggen van
verbazing.
"Waaròm doen jelui dat zoo graag?" vroeg de jonge Caddles.
Ik maak, uit wat ik ervan gehoord heb, op, dat de verlegenheid
duurde tot de boerenjongen, zich herinnerend dat hij een man was,
den jongen Caddles heftig, met luide bedreigingen, geschreeuw en
manhaftige vloeken, zooals het geval vereischte, beval hen bij dit en
dat neêr te zetten. Waarop de jonge Caddles, plotseling inziend dat
hij onbeleefd was, hen knus dicht bij elkaar bracht, zoodat ze hun
omarmingen, indien ze zin hadden, dadelijk weder konden hervatten,
en nadat hij een oogenblik aarzelend boven hen was blijven staan,
verdween hij weder in den schemer...
"Maar ik voelde toch maar dat ik een héél raar figuur sloeg,"
deelde de jongen mij in vertrouwen mede. "We konden bijna niet naar
mekaar kijken--omdat hij ons zóó gesnapt had. We kusten mekaar zoo'n
beetje--weetje. En 't gekste van alles was dat ze mijn van alles de
schuld gaf", zei de jongen.
"Gaf me leelijk smeer, en wou de heele weg naar 'uis bena niet meer
teuge me spreke..."
Het leed geen twijfel of de reus begon de dingen zelf te
onderzoeken. Het was duidelijk dat zijn geest vragen begon te
stellen. Tot nu toe deed hij ze aan weinigen, doch hij liep er mede
rond. Ook zijn moeder kreeg haar deel van de strikvragen.
Hij placht het erf achter zijn moeder's huisje op te komen en na den
grond nauwkeurig onderzocht te hebben of er ook kippen of kuikens
liepen, zich langzaam op den grond neer te laten, met zijn rug tegen
den schuur. In een oogwenk waren de hoenders, die hem graag mochten,
bezig met overal aan hem te pikken aan de krijt-laag die zich in de
naden van zijn kleederen had vastgezet, en als het weder op regen
stond en het hard waaide, zette het jonge katje van juffrouw Caddles,
dat nooit het vertrouwen in hem verloor, een hoogen rug, en rende het
huisje in, naar het fornuis in de keuken, dan weer terug, naar buiten,
tegen zijn been op, dan tegen zijn lijf op, tot op zijn schouder,
bleef dan een oogenblik als in gedachten zitten, en dan, hip, daar
ging het weer! denzelfden weg terug en zoo voort. Soms zette het hem
de nagels wel eens in het gezicht van pure pret, doch hij durfde het
nooit aan te raken omdat hij er niet zeker van was wat het effect zoude
zijn als hij zijn zware hand op zulk een zwak wezentje legde. Bovendien
hield hij er wel van om gekitteld te worden. En een poosje later deed
hij dan zijne moeder eenige onhandige vragen.
"Moeder, als het goed is om te werken, waarom werkt dan iederéén niet?"
Dan keek zijn moeder naar hem op en antwoordde:
"Dat is goed voor ons soort van menschen."