Een dag of zoo na dit gesprek,--dat wil zeggen een dag of zoo na het
verbranden der Proef-Hoeve, kwam Winkles bij Redwood en liet hem een
beleedigenden brief zien. Het was een ongeteekende brief, en een auteur
behoort de geheimen zijner sujetten te bewaren. "Ge denkt eer in te
leggen met wat niets anders dan een volkomen natuurlijk verschijnsel
is," luidde de brief, "en ge tracht voor uzelf reclame te maken met uw
brief aan de "Times." U en uw Bomvoedsel! Laat ik u even zeggen dat
dit voedsel met zijn zotten naam slechts zeer toevallig in verband
staat met deze groote wespen en ratten. De naakte waarheid is dat er
een epidemie van Overvoeding heerscht--Besmettelijke Overvoeding--die
ge ongeveer even weinig kunt tegengaan als ge het zonnestelsel kunt
bedwingen. Het is een quaestie die zoo oud is als de wereld. Er
heerschte overvoeding in het geslacht van Enak. Geheel buiten uw
bereik, te Chaesing Eyebright bevindt zich op dit oogenblik een kind--"
"Beverige op- en neerhalen. Blijkbaar oude heer," zei Redwood. "Maar
het is toch vreemd dat een kind--"
Hij las een paar regels verder, en kreeg plotseling een ingeving.
"Bij den hemel!" zei hij. "Dat is mijn verdwenen juffrouw Skinner!"
Hij overviel haar plotseling den volgenden dag in den namiddag.
Zij was bezig uien te trekken in het tuintje voor haar dochter's
huisje, toen zij hem zag aankomen door het tuinhek. Zij bleef een
oogenblik "beduusd" staan, zooals de lui op 't land het uitdrukken,
sloeg toen de armen over elkaar en wachtte zijn komst af met het
bosje uien als ter verdediging onder haar linker elboog. Haar mond
opende en sloot zich verscheidene malen; zij mummelde wat met haar
eenigen tand, en eenmaal maakte zij plotseling een buiging, als het
flikkeren van een booglamp.
"Ik dacht wel dat ik je vinden zou," zei Redwood.
"Ja, dat heb ik ook al gedacht, meneer," zei zij, zonder veel
vreugdebetoon.
"Waar is Skinner?"
"'IJ 'eeft me nooit weer geschreve', meneer, en is ook nooit meer
'ier geweest vanaf dat ik 'ier ben."
"Weet je niet wat er van hem geworden is?"
"'IJ 'eeft me nooit meer geschreve', meneer,'' zei zij en deed
zijdelings een schrede naar links, half met het doel Redwood van de
deur af te houden.
"Niemand weet wat er van hem geworden is," zei Redwood.
"Nou maar, 'ijzèlf wel," zei juffrouw Skinner, "maar 'ij wil 't
niet zegge', want 'ij 'ad t'r altijd slag van 'n mensch, dat 't em
't naaste stond in last te brenge' en te late' zitte'. Maar slim was
ie, da mô' k zegge'," zei juffrouw Skinner....
"En waar is dat kind nu?" vroeg Redwood plotseling.
"Wâ blieft u?"
"Dat kind daar ik van heb hooren spreken, 't kind dat je ons goedje
gegeven hebt--het kind dat acht en twintig pond weegt."
De handen van juffrouw Skinner waren zenuwachtig in de weer,
en ze liet de uien vallen. "Warachies, meneer," zei zij, "ik weet
werkelijk niet wat u bedoel. M'n dochter, meneer, juffrouw Caddles,
'ééft een kind, meneer." En zij maakte zenuwachtig een reverence,
en probeerde er onschuldig-vragend uit te zien, door haar neus naar
één kant te trekken.
"Ik zou graag dat kind es zien, juffrouw Skinner," zei Redwood.
Juffrouw Skinner deed één oog wat wijder open toen zij hem voorging
naar de deel. "Natuurlijk, meneer, d'r kan ergens wel een klein beetje
in geweest zijn, in een kleine bus van Nicey die ik aan zijn vader
gaf om van de boerderij mee te brengen, of misschien een klein beetje
dat ik om 't zoo maar es uit te drukken bij me had, en dat door m'n
gauwe inpakke' d'r tussche' zal zijn geraakt...."
"H'm!" zei Redwood nadat hij een poosje naar het kind had staan
kijken. "H'm!"
Hij zei tot juffrouw Caddles dat het een erg voordeelig kind was, iets
wat zij hoe langer hoe meer in al zijn omvang begon te begrijpen,--en
na dit gezegd te hebben, bemoeide hij zich verder niet met haar. Een
oogenblik later verliet zij het vertrek uit louter onbeduidendheid.
"Nu dat je er mee begonnen bent, zul je er mee voort moeten gaan,"
zei hij tot juffrouw Skinner. Hij wendde zich plotseling tot haar.
"En denk er wel om, dat je 't niet wéér rondmorst," zei hij.
"'t Rondmorse, meneer?"
"Kom, je begrijpt me heel goed."
En dàt zij hem begreep bleek uit haar zenuwachtige gebaren.
"Je hebt er hier niemand iets van verteld? De ouders, den dorpsheer
op het heerenhuis, den dokter, aan niemand?"
Juffrouw Skinner schudde ontkennend het hoofd.
"Dat zou ik je ook niet raden," zei Redwood.
Hij ging naar de deel-deur en keek eens naar buiten. De schuurdeur
zag, tusschen het eind van het boerenplaatsje en eenige ongebruikte
varkenskotten, door een hek met vijf dwarslatten uit op den
heirweg. Daar achter bevond zich een hooge steenen muur, weelderig
met klimop, muurbloemen en huismanslook begroeid, en die van boven
voorzien was van glasscherven. Net voorbij den hoek van den muur stak
een door de zon verlicht bord tusschen de groene en gele bladerentakken
uit, boven de weelderige schakeeringen der eerste gevallen bladeren,
en behelsde het gebruikelijke "Verboden Terrein, volgens artikel 461
Wetboek van Strafrecht." De donkere schaduw van een gat in de heg
deed een eind prikkeldraad duidelijk uitkomen.
"Hm," zei Redwood, en toen nog eens wat dieper, "hm!"
Het geklep van paardenhoeven en het geratel van raderen kwam naderbij
en Lady Wondershoot's schimmels kwamen in het zicht. Hij lette
op de gezichten van koetsier en palfrenier, onderwijl de equipage
naderbij kwam. De koetsier was een zeer mooi exemplaar in zijn soort,
welgedaan en rijp, en hij mende met een soort van sacramenteele
waardigheid. Anderen mochten aan hun roeping en positie twijfelen in
de wereld, hij was er ten minste zéker van--hij reed de barones. De
palfrenier zat naast hem met over elkaar geslagen armen en met een
onbeweeglijk, zéker gezicht. Toen werd de groote dame zelf zichtbaar,
met hoed en mantel die alle elegance verachtten. Twee jonge dames
rekten, met haar, hunne halzen uit en gluurden naar buiten. De dominé,
die aan den anderen kant voorbij kwam, nam met een zwaai den hoed
van zijn David's voorhoofd, zonder dat hij opgemerkt werd.
Redwood bleef nog langen tijd nadat het rijtuig verdwenen was,
in den deurpost staan kijken, de handen op zijn rug. Zijn blikken
gingen naar het hooge duinland en de met wolken geplekte lucht,
en gingen toen weder terug naar den met glasscherven afgezetten
muur. Hij wendde zich om naar de koele schaduwen daarbinnen, en
temidden van plekken en klodders kleur zag hij daar het reuzen-kind
in dat Rembrandtieke halfduister, naakt op een flanellen luier na,
gezeten op een ontzettend dikke wis stroo en met zijn teenen spelend.
"Ik begin in te zien, wat wij gedaan hebben," zei hij.
Hij verzonk in gedachten, en de jonge Caddles en zijn eigen kind
en Cossar's jongens vormden deel van zijne mijmeringen. Plotseling
begon hij te lachen. "Goeie hemel!" zei hij, als om een voorbijgaande
gedachte.
"In ieder geval mag hij niet gekweld worden met storing in het geregeld
krijgen van zijn voedsel. Dàt kunnen we tenminste voorkomen. Ik zal je
elk half jaar een bus sturen. Daar zal hij wel mee uitkomen, denk ik,"
zei hij tot juffrouw Skinner.
Juffrouw Skinner mompelde iets van "als uwes dat denkt, meneer," en
"is er vast bij ongeluk tusschen geraakt.... dacht niet dat 't kwaad
kon as 'k 'em er 'n beetje van gaf," en aldus met behulp van allerlei
buigzame gebaren beduidde zij hem dat ze hem begreep.
En aldus ging het kind voort met groeien.
"Feitelijk," zei Lady Wondershoot, "heeft hij ieder kalf in het dorp
opgegeten. Als die Caddles toch nog weer zoo'n kind--"