V.

"Wel, wel!" zei de dominé tegen zijn ontbijt-gerei--den dag na de

aankomst van juffrouw Skinner.

"Wel, wel, wat hebben we hier?" en richtte zijn bril op zijn courant

met een afkeurenden blik.

"Reuzenwespen! Wat beleven we al niet... Amerikaansche journalisten,

vertrouw ik! Ik moet niets hebben van al die nieuwe fratsen. Ik ben

al heel tevreden met reuzen-klapbessen."

"Onzin!" zei de dominé, dronk in één teug zijn koffie leeg, met zijn

blikken vast op zijn courant gevestigd, en smakte ongeloovig met

de lippen.

"Nonsens!" zei de dominé, het bericht niet willend gelooven. Doch den

volgenden dag stond er meer over in, en toen ging hem plotseling een

licht op. Doch alles werd hem niet opeens duidelijk. Toen hij dien dag

zijn digestie-wandeling ging doen, liep hij nog onderdrukt te lachen

over dat nonsensicale verzinsel, dat zijn courant hem op de mouw

wilde spelden. "Jawel! Wespen--die een hond gedood hadden!" Toen hij

toevallig voorbij de plek kwam waar die eerste was van Wolfsveesten

groeide, merkte hij bij zichzelven op dat het gras daar erg hoog en

weelderig groeide, doch hij bracht dit op geenerlei wijze in verband

met dat waarover hij in stilte zulk een pleizier had.

"Dan zouden we er toch hier ook wel ièts van gehoord hebben," zei hij;

"Whitstable is nog geen twintig mijlen hier vandaan."

Een eindje verder vond hij weder een wolfsveest, een van de tweede

collectie, die als het ei van een rock [15] uit de abnormaal grove

aarde stak.

Toen schoot de beteekenis van dit alles in hem als een bliksemstraal.

Dien morgen deed hij niet zijn gebruikelijke rondte. Hij sloeg af bij

den tweeden overstap en liep zóó om naar het huisje der Caddles. "Waar

is je kind?" vroeg hij, en toen hij het zag, riep hij uit: "Goeie

hemel!"

Hij liep den stijgenden weg naar het dorp op en kwam den dokter tegen

die in allerijl naar beneden liep. Hij vatte hem bij den arm. "Wat

betéékent dit allemaal?" zei hij. "Heb je de laatste dagen couranten

gelezen?"

De dokter antwoordde toestemmend.

"Nu, en wat is er aan de hand met dat kind? En al dat andere--wespen,

wolfsveesten, zuigelingen, hè, zeg? Wat is het dat ze zoo sterk doet

groeien? 't Komt erg onverwacht. En dat nog wel in Kent! Als 't nu

nog Amerika was--"

"'t Is op 't oogenblik nog moeilijk te zeggen wat 't precies is,"

zei de dokter. "Zoover als ik de symptomen kan nagaan--"

"...is het overmatige voeding--algemeene overvoeding."

"Overvóéding?"

"Ja, algeheele--doet den geheelen lichaamsbouw aan--het geheele

organisme. Tusschen ons, in vertrouwen gezegd, ben ik er wel haast van

overtuigd dat het dàt is... Maar je moet altijd een beetje voorzichtig

zijn in je oordeel."

"Ha," zei de dominé, erg opgelucht, te bevinden dat de dokter tegen

het geval was opgewassen; "maar hoe komt 't dat 't overal op deze

manier uitbreekt?"

"Ja, dat is weer iets dat moeilijk te zeggen valt."

"In Urshot, en nu hier, 't is een vrij duidelijk geval van

verspreiding."

"Ja," zei de dokter, "ja. Ik geloof het ook. Het lijkt in elk geval

erg op de een of andere epidemie. Waarschijnlijk zal 't wel Epidemische

Overvoeding zijn."

"Epidemisch!" zei de dominé. "Je wilt toch niet zeggen dat 't

besmettelijk is?"

De dokter glimlachte vriendelijk en wreef zich in de handen. "Ja,

zie je, dàt kan ik niet zeggen," zei hij.

"Maar--!" riep de dominé, met wijd open oogen. "Als 't eens

besmettelijk is--dan--dan steekt 't òns ook aan!"

Hij liep een paar pas den weg op en wendde zich toen weder om.

"Ik kom er juist vandaan," riep hij. "Zou 't niet goed zijn als--? Ik

ga dadelijk naar huis, om een bad te nemen en mijn kleeren te

ontsmetten."

De dokter keek zijn zich verwijderende gestalte een oogenblik na,

wendde zich toen om en ging naar zijn eigen huis...

Doch onderweg dacht hij na over het feit dat er nu al een maand lang

een geval in het dorp was zonder dat iemand anders er door besmet

werd, en na een korte aarzeling besloot hij moedig te zijn zooals

een dokter betaamt en de gevolgen als een man af te wachten.

En wèl waren zijn overdenkingen juist. Want groei was het allerlaatste

dat hèm nog zou aansteken. Hij,--en ook de dominé--kon een handkar

vol Herakleophorbia opgegeten hebben. Want de groei was bij hen uit,

voor altijd.

Het voedsel der Goden en hoe het op Aarde kwam · 第 52 / 103 题