Niemand weet wat de dominé van de Reuzen-Wolfsveesten [14] dacht.
Zonder twijfel was hij een van de eersten die ze ontdekte. Met kleine
afstanden ertusschen waren ze langs het pad verspreid; tusschen den
dichtst bijzijnden heuvel en het einde van het dorp--een pad dat hij
dagelijks bezocht op zijn digestie-wandelingetje. Alles bij elkaar
genomen, waren er van het begin tot het einde, minstens dertig van deze
zwammen. De dominé schijnt naar elk van hen afzonderlijk verbaasd te
hebben staan kijken, en in de meeste een paar maal met zijn wandelstok
te hebben gestooten. Eén ervan trachtte hij met zijne armen te meten,
doch zij barstte bij zijn Ixionische omarming.
Hij sprak er met verscheidene menschen over en zeide dat zij
"wonderbaarlijk!" waren en hij verhaalde aan minstens zeven
verschillende personen de welbekende geschiedenis van den vloersteen,
die opgelicht werd van den keldervloer door een hoop paddestoelen
die er onder groeiden. Hij keek er zijn Sowerby eens op na om te
zien of het Lycoperdon coelatum of giganteum was. Hij hield er een
geliefkoosde theorie op na, dat de benaming "giganteum" niet juist was.
Men weet niet of hij ook opmerkte dat deze witte bollen juist op
het pad groeiden dat die oude vrouw gisteren gevolgd had, en of hij
opmerkte dat de laatste op nog geen twintig passen van het hek van
het huisje van Caddles zijn dikken kop opstak. Zoo hij dit alles al
opmerkte, trachtte hij toch niet er aanteekening van te houden. Zijn
observatie-vermogen in botanische dingen was wat de kleinere
natuurkundigen een "geoefende waarneming" noemen--men zoekt naar
zekere bepaalde dingen en ziet alle verdere dingen over het hoofd. En
hij deed geen moeite om dit verschijnsel in verband te brengen met
het merkwaardig snelle groeien van den zuigeling van Caddles, wat nu
al eenige weken aan den gang was; ja, feitelijk van den dag af dat
Caddles ongeveer een maand tevoren zijn schoonmoeder was gaan bezoeken
en hij zijn schoonmoeder hoorde opsnijden over het fokken van kippen.