Cheasing Eyebright had natuurlijk een dominé.
Nu zijn er dominé's en dominé's; en van alle soorten houd ik van een
nieuwigheden invoerenden dominé--van een bonten, naar vooruitgang
strevenden professioneelen reactionnair--het minst. Doch de dominé
van Cheasing Eyebright was iemand die wel het allerminst dacht aan
nieuwigheden invoeren, een brave, gezette, rijpe en conservatieve
kleine man. Het is niet meer dan passend een eindje met ons verhaal
terug te gaan om van hem te vertellen. Hij paste volkomen bij zijn
dorpsbewoners en men kan hen zich het beste voorstellen zooals zij
waren, op den avond tegen zonsondergang, toen juffrouw Skinner--gij
herinnert u haar vlucht nog wel!--het voedsel, zonder dat iemand het
vermoedde, tusschen haar wereldsche goederen deze landelijke rust
binnen droeg.
In dit licht uit het westen, zag het dorp er op zijn best uit. Het
strekte zich uit over de lengte der vallei onder de beukenwouden van
den "Hanger," als een koralensnoer van met riet bedekte en roodpannige
huisjes--huisjes met portico's, die met latten bespijkerd waren en
met pyracanthus [8] afgezette voorgevels, welke zich al dichter
en dichter tegen elkaar aandrongen naarmate de weg daalde van de
taxusboomen bij de kerk naar de brug. De pastorie gluurde niet al
te hoogmoedig tusschen de boomen uit achter het dorpslogement; zij
had een Georgiaanschen gevel, gerijpt door den tijd, en de spits der
kerk verhief zich blij boven de holte die de vallei in de heuvels
vormde. Een kronkelend riviertje, dat als een smal lint van schuim
en hemelblauw voortstroomde, glinsterde tusschen breede randen riet
en zich er overheen neigende wilgen, midden door een méékronkelende
strook weide. Het geheel bood den eigenaardigen Engelschen aanblik
van goede bebouwing--dien aanblik van kalme afgerondheid--die de
volmaaktheid nabijkomt in de warmte van de ondergaande zon.
En ook de dominé zag er rijp uit. Hij was gewoon er bijzonder rijp
uit te zien, alsof hij geboren was als een murwe baby, een rijpe,
en sappige kleine jongen. Al vóór hij het u vertelde, was het aan
hem te zien dat hij op eene oude gevestigde openbare kostschool was
geweest, die begroeid was met klimop, en die schitterende tradities,
aristocratische relaties, en geen scheikundige laboratoria bezat;
en dat hij vandaar gegaan was naar een eerwaardige hoogeschool,
gebouwd in den rijpsten gothischen stijl. Hij bezat weinig boeken die
jonger waren dan duizend jaar; van dezen vormden Yarrow en Ellis en
goede preeken uit den tijd vóór de Methodisten het meerendeel. Hij
was een man van middelmatige lengte, een beetje kleiner lijkend door
zijn equatoriale afmetingen en met een gezicht, dat hoewel rijp van
het begin af, nu climacterisch [9] rijp was. De baard van een David
verborg zijne dubbele onderkin; hij droeg geen horloge-ketting uit
verfijning, en zijn hoogsteenvoudige kleeding van geestelijke, was
gemaakt door een kleermaker uit het West-End [10]... En hij zat daar,
met een hand op elke dij, genoegelijk knipoogend naar zijn dorp. Hij
wuifde er met een mollige hand naar. En in hem zong weer zijn oude
refrein. "Wat kan men meer wenschen?" "Onze ligging is heel gelukkig,"
zei hij, zich niet al te sterk uitdrukkend.
"Wij liggen in een sterke vesting tusschen de heuvelen," legde hij
nader uit.
En eindelijk kwam hij geheel en al voor de zaak uit. "Wij liggen er
gelukkig geheel van afgesloten."
Want hij en zijn vriend hadden gepraat over de Verschrikkingen der
Eeuw, over Democratie en Openbaar onderwijs en Lucht-schrapers [11]
en auto's en de Inval van Amerika, het Onoordeelkundig Lezen van het
Publiek, en het verdwijnen van allen smaak.
"Wij staan er hier heelemaal buiten," herhaalde hij en net terwijl
hij dit zei trof het geluid der voetstappen van iemand die dien kant
uitkwam zijn oor, en hij rolde zich om in zijn stoel en keek naar haar.
Gij kunt u de stage, beverige nadering der oude vrouw wel voorstellen,
met haar pak in haar knoestige, vermagerde hand geklemd, haar neus (die
haar gezicht vormde) gerimpeld van ademlooze vastberadenheid. Gij ziet
de klaprozen al zwaar van noodlot knikken op haar hoed, en de met stof
bedekte elastieken laarzen onder haar schamele rokken onherroepelijk
en langzaam beurtelings oost en west wijzend. Onder haar arm schoof
een niet zeer kostbare parapluie heen en weer, als een oproerige
gevangene. Wat kon den Dominé aanduiden, dat deze grotesque oude
gestalte--tenminste voor zoover het zijn dorp betrof--niemand anders
was dan het Vruchtbare Toeval, en het Onverwachte--de oude harpij die
de menschen het Noodlot noemen. Doch voor ons is zij niemand anders
dan juffrouw Skinner.
Daar zij te veel bepakt was om een buiging te maken, deed zij net of
zij hem en zijn vriend niet zag, en ging hen dus, flip, flap, op nog
geen drie pas voorbij, op het dorp toe. De dominé zag haar daar zoo
langzaam in stilte heentrekken en deed ondertusschen een opmerking
in zich rijpen...
Het voorval leek hem niet in het minst belangrijk. Er zijn stééds
oude vrouwen, in àlle tijden, geweest die bundels getorst hebben,
de geheele wereld door. En wat heeft het uitgemaakt? "Wij liggen
er geheel en al buiten," zei de dominé. "Wij leven in een sfeer
van eenvoudige dingen die niet licht veranderen; van Geboorte en
Arbeid, simpelen tijd van zaaien en simpelen oogst. Het rumoer
gaat ons voorbij." Hij kon altijd goed praten over wat hij noemde
de permanente dingen. "De dingen veranderen," placht hij te zeggen,
"doch de Menschheid--aere perennius". [12] Hij hield van een klassieke
aanhaling die listiglijk verkeerd te pas gebracht werd. En verder op,
den heuvel af, was de ongracieuze doch vastberaden juffrouw Skinner,
op grappige wijze één geworden met Wilmerding's "overstap." [13]