II.

Cheasing Eyebright had natuurlijk een dominé.

Nu zijn er dominé's en dominé's; en van alle soorten houd ik van een

nieuwigheden invoerenden dominé--van een bonten, naar vooruitgang

strevenden professioneelen reactionnair--het minst. Doch de dominé

van Cheasing Eyebright was iemand die wel het allerminst dacht aan

nieuwigheden invoeren, een brave, gezette, rijpe en conservatieve

kleine man. Het is niet meer dan passend een eindje met ons verhaal

terug te gaan om van hem te vertellen. Hij paste volkomen bij zijn

dorpsbewoners en men kan hen zich het beste voorstellen zooals zij

waren, op den avond tegen zonsondergang, toen juffrouw Skinner--gij

herinnert u haar vlucht nog wel!--het voedsel, zonder dat iemand het

vermoedde, tusschen haar wereldsche goederen deze landelijke rust

binnen droeg.

In dit licht uit het westen, zag het dorp er op zijn best uit. Het

strekte zich uit over de lengte der vallei onder de beukenwouden van

den "Hanger," als een koralensnoer van met riet bedekte en roodpannige

huisjes--huisjes met portico's, die met latten bespijkerd waren en

met pyracanthus [8] afgezette voorgevels, welke zich al dichter

en dichter tegen elkaar aandrongen naarmate de weg daalde van de

taxusboomen bij de kerk naar de brug. De pastorie gluurde niet al

te hoogmoedig tusschen de boomen uit achter het dorpslogement; zij

had een Georgiaanschen gevel, gerijpt door den tijd, en de spits der

kerk verhief zich blij boven de holte die de vallei in de heuvels

vormde. Een kronkelend riviertje, dat als een smal lint van schuim

en hemelblauw voortstroomde, glinsterde tusschen breede randen riet

en zich er overheen neigende wilgen, midden door een méékronkelende

strook weide. Het geheel bood den eigenaardigen Engelschen aanblik

van goede bebouwing--dien aanblik van kalme afgerondheid--die de

volmaaktheid nabijkomt in de warmte van de ondergaande zon.

En ook de dominé zag er rijp uit. Hij was gewoon er bijzonder rijp

uit te zien, alsof hij geboren was als een murwe baby, een rijpe,

en sappige kleine jongen. Al vóór hij het u vertelde, was het aan

hem te zien dat hij op eene oude gevestigde openbare kostschool was

geweest, die begroeid was met klimop, en die schitterende tradities,

aristocratische relaties, en geen scheikundige laboratoria bezat;

en dat hij vandaar gegaan was naar een eerwaardige hoogeschool,

gebouwd in den rijpsten gothischen stijl. Hij bezat weinig boeken die

jonger waren dan duizend jaar; van dezen vormden Yarrow en Ellis en

goede preeken uit den tijd vóór de Methodisten het meerendeel. Hij

was een man van middelmatige lengte, een beetje kleiner lijkend door

zijn equatoriale afmetingen en met een gezicht, dat hoewel rijp van

het begin af, nu climacterisch [9] rijp was. De baard van een David

verborg zijne dubbele onderkin; hij droeg geen horloge-ketting uit

verfijning, en zijn hoogsteenvoudige kleeding van geestelijke, was

gemaakt door een kleermaker uit het West-End [10]... En hij zat daar,

met een hand op elke dij, genoegelijk knipoogend naar zijn dorp. Hij

wuifde er met een mollige hand naar. En in hem zong weer zijn oude

refrein. "Wat kan men meer wenschen?" "Onze ligging is heel gelukkig,"

zei hij, zich niet al te sterk uitdrukkend.

"Wij liggen in een sterke vesting tusschen de heuvelen," legde hij

nader uit.

En eindelijk kwam hij geheel en al voor de zaak uit. "Wij liggen er

gelukkig geheel van afgesloten."

Want hij en zijn vriend hadden gepraat over de Verschrikkingen der

Eeuw, over Democratie en Openbaar onderwijs en Lucht-schrapers [11]

en auto's en de Inval van Amerika, het Onoordeelkundig Lezen van het

Publiek, en het verdwijnen van allen smaak.

"Wij staan er hier heelemaal buiten," herhaalde hij en net terwijl

hij dit zei trof het geluid der voetstappen van iemand die dien kant

uitkwam zijn oor, en hij rolde zich om in zijn stoel en keek naar haar.

Gij kunt u de stage, beverige nadering der oude vrouw wel voorstellen,

met haar pak in haar knoestige, vermagerde hand geklemd, haar neus (die

haar gezicht vormde) gerimpeld van ademlooze vastberadenheid. Gij ziet

de klaprozen al zwaar van noodlot knikken op haar hoed, en de met stof

bedekte elastieken laarzen onder haar schamele rokken onherroepelijk

en langzaam beurtelings oost en west wijzend. Onder haar arm schoof

een niet zeer kostbare parapluie heen en weer, als een oproerige

gevangene. Wat kon den Dominé aanduiden, dat deze grotesque oude

gestalte--tenminste voor zoover het zijn dorp betrof--niemand anders

was dan het Vruchtbare Toeval, en het Onverwachte--de oude harpij die

de menschen het Noodlot noemen. Doch voor ons is zij niemand anders

dan juffrouw Skinner.

Daar zij te veel bepakt was om een buiging te maken, deed zij net of

zij hem en zijn vriend niet zag, en ging hen dus, flip, flap, op nog

geen drie pas voorbij, op het dorp toe. De dominé zag haar daar zoo

langzaam in stilte heentrekken en deed ondertusschen een opmerking

in zich rijpen...

Het voorval leek hem niet in het minst belangrijk. Er zijn stééds

oude vrouwen, in àlle tijden, geweest die bundels getorst hebben,

de geheele wereld door. En wat heeft het uitgemaakt? "Wij liggen

er geheel en al buiten," zei de dominé. "Wij leven in een sfeer

van eenvoudige dingen die niet licht veranderen; van Geboorte en

Arbeid, simpelen tijd van zaaien en simpelen oogst. Het rumoer

gaat ons voorbij." Hij kon altijd goed praten over wat hij noemde

de permanente dingen. "De dingen veranderen," placht hij te zeggen,

"doch de Menschheid--aere perennius". [12] Hij hield van een klassieke

aanhaling die listiglijk verkeerd te pas gebracht werd. En verder op,

den heuvel af, was de ongracieuze doch vastberaden juffrouw Skinner,

op grappige wijze één geworden met Wilmerding's "overstap." [13]

Het voedsel der Goden en hoe het op Aarde kwam · 第 49 / 103 题