Ons thema, dat zoo beknopt begon in de studeerkamer van den heer
Bensington, heeft zich reeds uitgebreid en vertakt, tot het nu dezen,
dan genen kant uitwijst en van nu aan zullen de gebeurtenissen
in ons verhaal op verschillende plaatsen voorvallen. Het Voedsel
der Goden verder te volgen, staat gelijk met de vertakkingen van
een voortdurend lotenschietenden boom na te gaan; in korten tijd,
in het vierde gedeelte van een menschenleven, was het voedsel uit
zijn eersten bron te Hickleybrow op de kleine boerderij, gelekt en
had zich verspreid--het voedsel, en ook de faam en schaduw van zijn
kracht--de geheele wereld over. Zeer spoedig had het zich ook buiten
Engeland verspreid. Weldra werkte het in Amerika, op het geheele
vasteland van Europa, in Japan, in Australië, eindelijk de geheele
wereld over, naar het gezette doel. Steeds werkte het langzaam, langs
indirecte kanalen en tegen de verdrukking in. Het was de grootheid die
in opstand gekomen was. Niettegenstaande vooroordeelen, ten spijt van
wet en verordening, niettegenstaande al de koppige vasthoudendbeid,
die ten grondslag ligt aan de formeele orde der menschheid, ging het
Voedsel der Goden, als het eenmaal losgelaten was, zijn onnaspeurlijken
en niet te stuiten gang. Gedurende al deze jaren groeiden de kinderen
van het Voedsel staag; dit was de belangrijkste factor van dien
tijd. Doch het zijn juist de gevallen waarin het uitbrak, die het
tot historie maken. De kinderen die ervan gegeten hadden, groeiden,
en weldra waren er nog andere kinderen die ook begonnen te groeien; en
de beste voornemens ter wereld konden niet verhoeden dat het telkens
en telkens maar weer aan uitlekte. Het Voedsel volhardde in het
losbreken, alsof het een levend iets was. Als het met bloem van meel
vermengd geraakte, werd het Voedsel, bij droog weder, als bij opzet
tot fijn poeder en stoof voor het lichtste briesje uit. Nu eens was
het een of ander insect dat tot tijdelijke noodlottige ontwikkeling
kwam, dan weder een nieuw uitbreken der rattenplaag uit de riolen,
en dergelijk ongedierte. Eenige dagen lang had het dorp Pangbourne in
Berkshire te kampen met reuzenmieren. Drie mannen werden gebeten en
stierven. Er placht een paniek te ontstaan, er werd gekampt en dan was
de losgebroken plaag weder aan banden gelegd, doch liet steeds iets
na in de minder op den voorgrond tredende dingen des levens--die voor
altijd veranderd waren. Dan was het weder een acute en onrustbarende
uitbarsting, een snel opgroeien van monsterachtig kreupelhout, een
vertakking over de aarde van onredelijk-sterk groeiende distels,
van torren die door de menschen bevochten werden met jachtgeweren,
of een plaag van reusachtige vliegen.
Hier en daar werd op vreemde en wanhopige wijze gekampt in obscure
plaatsen. Het Voedsel verwekte helden in de zaak der kleinheid...
En in de levens der menschen kwamen allerlei, tot nu toe ongekende,
gebeurtenissen en zij traden ze tegen zooals zij het beste konden,
en zeiden tegen elkaar, dat er eigenlijk in de orde der dingen
niets veranderd was. Na de eerste groote paniek werd Caterham,
niettegenstaande zijn groote welsprekendheid, een minder belangrijke
figuur in de politieke wereld, en bleef slechts in de heugenis der
menschen hangen als de voorstander van een zeer geavanceerde opvatting.
Slechts zeer langzaam veroverde hij zich een op den voorgrond tredende
positie. "Er had geen verandering in de essentieele orde der dingen
plaats gegrepen"--die eminente leider der moderne gedachte, Dokter
Winkles zei hier zeer duidelijke dingen over,--en de voorstanders
van wat men in die dagen Progressief Liberalisme noemde, werden
werkelijk sentimenteel over de essentieele onoprechtheid hunner
vooruitstrevendheid. Het blijkt dat hunne droomen uitsluitend liepen
over natietjes, taaltjes, huishoudentjes, elk zichzelf bedruipend op
zijn eigen kleine hoeve. Er ontstond plotseling een mode van het kleine
en nette. Groot-zijn was "vulgair", en sierlijk, net, mignon, miniatuur
"minitieus-volmaakt" werden de grond-woorden voor critischen bijval.
Ondertusschen groeiden de Kinderen van het Voedsel rustig en namen hun
tijd ervoor, zooals kinderen dit moeten, in een wereld die veranderde
om hen te ontvangen, en verzamelden kracht en postuur en kennis,
werden persoonlijkheden met een doel in het oog, en groeiden langzaam
op tot de afmetingen waarvoor het lot hen bestemd had. Weldra leken zij
een natuurlijk deel te vormen van de wereld rondom hen, en begonnen
de menschen zich verwonderd af te vragen, hoe alles vóór hun tijd
geweest was. Verhalen van wat de reuzen-jongens konden doen drongen
tot hunne ooren door, en men zei "dat is sterk!"--zonder eenige
verwondering. De populaire bladen verhaalden van de drie zonen van
Cossar en hoe deze wonderbaarlijke kinderen groote kanonnen konden
optillen, ijzer-massa's honderden meters ver weg slingeren, en twee
honderd voet ver springen. Men vertelde dat zij bezig waren een put
te graven, dieper dan eenig andere put of mijn die de menschen ooit
gemaakt hadden, en dat zij, zoo zei men, zochten naar schatten die
in de aarde verborgen lagen sedert de aarde geschapen werd.
"Deze Kinderen," zeiden de populaire tijdschriften, "zullen bergen
met den grond gelijk maken, zeeën overbruggen, tunnels graven door
jelui aarde tot deze een honiggraat gelijkt." "Merkwaardig," zei
het kleine volk, "niet waar? Wat een massa gemakken zullen we dan
hebben!" en gingen weder huns weegs, alsof er van geen Voedsel der
Goden sprake was op aarde. En inderdaad was dit alles nog slechts
een vage aanduiding en belofte van wat de "Kinderen van het Voedsel"
zouden kùnnen doen, later. Nù was alles nog slechts kinderspel bij hen,
niet anders dan het eerste gebruik maken van kracht, waarin nog geen
doel stak. Zij zelven wisten nog niet waarvoor zij waren. Zij waren
kinderen--langzaam groeiende kinderen van een nieuw geslacht. De
reuzenkracht groeide dag aan dag--de reuzen-wìl moest nog tot een
doel rijpen; doch inderdaad zag niemand het komen van Grootheid in de
wereld, zooals ook niemand ter wereld, vóór er eeuwen verloopen waren,
het verval en den ondergang van Rome als één gebeurtenis zag. Zij,
die in die dagen leefden, stonden te veel temidden van deze heele
ontwikkeling van Groei, om ze als een enkel op zichzelf staand iets te
zien. Het leek zelfs wijzen menschen toe, dat het Voedsel de wereld
niets anders zou geven dan een oogst van onhandelbare, met elkaar
niets uit te staan hebbende dingen, die de bestaande orde van zaken
konden doen beven op hare grondvesten en haar konden verontrusten,
doch verder niets.
Het wonderbaarste in dezen tijd van toenemende kracht leek
wel--tenminste één' opmerker leek het dit--het koppig volharden van
de groote massa in den ouden toestand, hun rustig voortgaan in het
negeeren van de kolossale gestalten die zich tusschen hen bewogen,
en van de belofte van nog meer kolossale dingen, die temidden van hen
zouden opgroeien. Zooals menige stroom het rustigst voortstroomt,
diep en krachtig, in de nabijheid van een waterval, zoo scheen al
wat behoudend in den mensch was, in die dagen een kalm overwicht te
voeren. De reactie werd populair; men praatte van het bankroet der
wetenschap, van het sterven van den vooruitgang, van de nadering der
Mandarijnen--, en van dergelijke dingen, terwijl de schreden van de
"Kinderen van het Voedsel" te midden van hen daverden. De lawaaierige
doellooze Revolutien van ouds, een groote menigte dwaze kleine lieden
die den een of anderen dwazen kleinen monarch verjoegen, dit alles lag
ver achter hen en hiermede had men afgedaan; doch de Verandering was
nièt gestorven. Het eenige was, dat de Verandering veranderd was. Het
nieuwe was bezig te komen op zijn eigen manier en dit ging boven het
alledaagsch begrip der wereld.
Uitvoerig te verhalen van deze komst, zou gelijk staan met een groote
Geschiedenis te schrijven, doch overal was een evenwijdig-loopende
keten van gebeurtenissen. Zoodat het verhalen van de komst ervan op
ééne plaats, feitelijk het verhalen van het geheel is. Toevallig
viel er een zaadje dezer Onmetelijkheid in het aardige dorpje
Cheasing Eyebright in Kent; en te oordeelen naar het verhaal van de
eigenaardige ontkieming ervan en van de tragische beuzelachtigheden
die hieruit ontstonden, kan men trachten--als het ware één draad
volgend--de richting aan te wijzen waarin dit geheele groote weefsel
van gebeurtenissen het weefgestoel van den Tijd ontrolde.