II.

Dusdanig waren de omstandigheden, waardoor de wereld voor de tweede

maal bemerkte, dat het Voedsel weder losgebroken was. Binnen een week

was Keston Common in volle werking, en werd wat de natuurkundigen

een "verspreidings-centrum" noemen. Ditmaal waren er geen wespen

of ratten, geen oorwormen en geen netels, doch er waren tenminste

drie water-spinnen, verscheidene larven van waterjuffers, die

weldra zelf waterjuffers werden, en geheel Kent verblindden met

hun zwevende saffier-kleurige lichamen; en dan was er nog een vieze,

gelei-achtige vegetatie, die over den rand van den vijver heengroeide,

en zijn glibberige groene massa's halverwege het tuinpad naar dokter

Winkles' huis opstuwde. En er begonnen reuzen-biezen, en equisetum en

potamogeton te groeien, die eerst gestuit werden toen zij den vijver

hadden doen opdrogen.

Het werd het publiek spoedig duidelijk, dat er ditmaal niet één

verspreidings-centrum was doch een heele màssa centrum. Er was er

een te Ealing--dat lijdt nu geen twijfel meer en hieruit ontstonden

de vliegen- en de roode spinnenplaag; er was er een te Sunbury,

die vraatzuchtige palingen voortbracht, die aan land konden komen,

en schapen doodden; en er was er een te Bloomsbury, die de wereld

een nieuw ras van kakkerlakken van een vreeselijke soort gaf,

welke met allerlei ander gespuis een oud huis in Bloomsbury

bewoonden. Plotseling, zonder voorteekenen, stond de wereld weer

tegenover al de verschijnselen van Hickleybrow, met allerlei vreemde

buitensporig-vergrootte monsters, (die men tot nu toe als doodgewone

onschadelijke dieren gekend had), inplaats van de reuzen-hennen,

ratten en wespen.

Ieder centrum brak uit met zijn eigen karakteristieke plaatselijke

fauna en flora...

Wij weten nu, dat elk van deze centra in verband stond met een

der patienten van dokter Winkles, doch dit was niet bekend te

dien tijde. Dokter Winkles was de laatste om onder verdenking

te vallen. Natuurlijk ontstond er een paniek, een woedende

verontwaardiging, doch tegen het Voedsel en nog niet zoozeer tegen het

Voedsel als wel tegen den ongelukkigen Bensington, wien de publieke

verbeeldingskracht van het begin af hardnekkig had beschouwd als de

eenige persoon die voor deze nieuwe zaak aansprakelijk was.

De poging om hem te lynchen, die volgde, is niet meer dan een van die

plotselinge uitbarstingen van volkswoede welke in de geschiedenis zoo

menigvuldig voorkomen, en die in werkelijkheid wel de onbelangrijkste

aller gebeurtenissen zijn.

De geschiedenis van dezen opstand is in het duister gehuld. De groote

massa van de menigte kwam ongetwijfeld uit een Anti-Bomvoedsel Meeting

in Hyde-Park, georganiseerd door drijvers van Caterham's partij,

doch er schijnt niemand geweest te zijn die het eerst voorstelde,

en niemand die ook maar doelde op de gewelddadigheid waaraan zooveel

menschen meededen. Het is een probleem voor den heer Gustave le Bon

[5]--een mysterie in de psychologie der menigten. Het blijkt dat des

Zondagsmiddags tegen drie uur een merkwaardig groote en kwaadaardige

Londensche menigte, die niet meer te regeeren was, Thursday Street kwam

afstroomen, bedacht op des heeren Bensington's exempleerlijken dood

als afschrikwekkend voorbeeld voor alle wetenschappelijke navorschers,

en dat deze menigte dichter bij het volvoeren van haar plan kwam dan

eenig andere menigte ooit gekomen is sedert de hekken van Hyde-Park

omver gehaald werden in de ver achter ons liggende tijden van het

midden van Victoria's regeering. Deze menigte kwam zelfs zoo dicht

bij haar doel, dat gedurende een uur een enkel woord het lot van den

ongelukkigen Bensington zou beslist hebben.

Hij bemerkte het eerst wat er gaande was aan het rumoer dat het volk

buiten maakte. Hij ging naar het venster en gluurde naar buiten, niet

bevroedend wat hem boven het hoofd hing. Een minuut lang misschien zag

hij het aan hoe de menigte zich om den ingang verdrong, een dozijn

politieagenten die haar den weg versperden, uit den weg ruimend,

vóór hij ten volle de rol begreep die hij in de zaak speelde. Toen

ging hem plotseling een licht op en begreep hij dat die brullende,

deinende menigte het op hem gemunt had. Hij was geheel alleen op de

verdieping--misschien gelukkig nog--daar zijn nicht Jeanne naar Ealing

op de thee was bij een familielid van moeder's kant, en hij had even

weinig begrip hoe zich onder dergelijke omstandigheden te gedragen, als

van de etiquette van den Dag des oordeels. Hij was bezig door de kamers

te hollen, aan de meubelen vragend wat hij beginnen moest, sleutels

in sloten omdraaiend en ze dan weder ontsluitend, naar deur, raam en

slaapkamer vliegend--toen de beambte van de verdieping binnenkwam. [6]

"Geen oogenblik te verliezen, meneer," zei hij. "Ze hebben uw nummer

gevonden op het bord in den gang! Ze komen recht hier naar toe!"

Hij sleepte den heer Bensington mee den corridor op, die reeds

weerklonk van het naderend tumult op de groote trap, draaide de deur

achter hen op slot en ging Bensington voor naar de tegenoverliggende

kamers, die hij binnenging door middel van een duplicaat sleutel.

"Dat is onze eenige kans nog," zei hij.

Hij wierp het venster open dat uitkwam op een ventilatie-koker en

vanuit dit venster zagen zij dat in den muur een rij krammen op

gezetten afstand onder elkaar waren geslagen die een zeer ruwe en

gevaarlijke ladder vormden, welke als brandladder moest dienen om

uit de bovenste verdiepingen te komen. Hij duwde den heer Bensington

zachtjes het raam uit, toonde hem hoe hij zich vast moest houden, en

kwam achter hem de ladder op, hem in zijne beenen porrend en prikkend

met een bos sleutels zoodra hij even met klimmen ophield. Het leek

Bensington soms of hij die verticale ladder verder tot in alle

eeuwigheid zou moeten blijven beklimmen. Boven, was de goot nog

onbereikbaar ver--'t leek wel een mijl--; beneden--Hij durfde niet

denken aan wat er beneden wachtte.

"Vooruit!" riep de klerk, en pakte hem bij den enkel. Het was

vreeselijk zoo bij den enkel gepakt te worden en de heer Bensington

greep de ijzeren kram boven zich zóó stevig beet alsof hij op 't punt

was te verdrinken, en slaakte een onderdrukten kreet van angst.

Het bleek dat de klerk een ruit ingedrukt had, en toen leek het hem

alsof hij zijdelings een enorm eind gesprongen was, en toen drong het

geluid van een venster, dat neergeschoven werd tot zijn besef door. Hij

brulde allerlei dingen. De heer Bensington wendde voorzichtig het hoofd

tot hij den klerk kon zien. "Kom zes treden naar beneden," beval deze.

Al dit beweeg leek hem erg dwaas toe, maar heel, heel behoedzaam liet

hij toch een voet zakken.

"Niet trekken!" riep hij uit, toen de klerk hem wilde helpen vanuit

het open venster.

Het leek hem toe dat het bereiken van het raam van de ladder af een

heel respectabel feit zou zijn voor een vliegenden vos, en het was

meer met het idee van een fatsoenlijken zelfmoord, dan in de hoop hem

te volbrengen, dat hij den stap eindelijk waagde en de klerk heesch

hem meedoogenloos naar binnen.

"U zult hier moeten blijven," zei de klerk; "mijn sleutels helpen

hier niet. 't Is een Amerikaansch slot. Ik zal naar buiten gaan en

de deur achter me dichtslaan, en zien of ik 't mannetje van deze

verdieping kan vinden. U zult zoolang opgesloten moeten blijven. 't

Eenigste is, ga niet naar 't raam. 't Is de kwaadaardigste menigte

die ik ooit gezien heb. Als ze maar eerst denken dat u uit is, zullen

ze zich waarschijnlijk wel tevreden stellen met uw boeltje in mekaar

te slaan--"

"De indicator wees "Tehuis" aan," zei Bensington.

"Dat zal je de drommel halen! In ieder geval, ze moeten mij hier

niet vinden--"

Hij verdween, de deur achter zich dichtslaand.

Bensington was weder aan zijn eigen initiatief overgelaten. En dit

initiatief dreef hem onder het bed. Daar werd hij een oogenblik later

gevonden door Cossar.

Bensington was bijna versuft van angst toen hij gevonden werd, want

Cossar had de deur met zijn schouder ingeloopen door er van den

overkant van den gang op toe te springen.

"Kom er onderuit, Bensington," zei hij. "'t Is goed volk. Ik ben 't. We

moeten zien hier vandaan te komen. Zij steken het huis in brand. De

portiers gaan er allemaal vandoor. De bedienden zijn al weg. 't Is

gelukkig dat ik den man, die van dit zaakje afwist, te pakken kreeg."

"Kijk es hier."

Toen Bensington onder het bed uit gluurde, zag hij eenige zonderlinge

kleedingstukken over Cossar's arm hangen, en wat het belachelijkste

van alles was, een zwarten vrouwenmuts in diens hand!

"Ze zoeken het heele huis af," zei Cossar. "Als ze het niet in brand

steken, komen ze beslist hierheen. Troepen kunnen er niet binnen een

uur zijn. Vijftig percent "Hooligans" [7] onder de menigte, en hoe

meer gemeubileerde kamers ze binnenkomen, hoe meer ze den smaak er

van beet zullen krijgen. Ligt voor de hand... Trek dezen rok aan en

zet dien muts op, Bensington, en snij uit met mij."

"Bedoel je--?" begon Bensington, een hoofd onder het bed uitstekend,

op de manier van een schildpad.

"Ik bedoel, maak er wat mee voort, en kom mee."

En met plotselinge heftigheid trok hij Bensington onder het bed

uit, en begon hem zelf aan te kleeden als een oud vrouwtje uit het

volk. Hij sloeg zijn broek op, liet hem zijn pantoffels uittrekken,

deed zijn boord, das, jas en vest uit, schoot een zwarten rok over

zijn hoofd en deed hem een rood-flanellen keurslijf aan en een lijf van

dezelfde stof. Hij liet hem zijn al te karakteristieken bril afzetten

en drukte hem de muts vast op het hoofd. "Je kondt waarachtig als

ouwe vrouw geboren zijn," zei hij, terwijl hij de linten der muts

onder Bensington's kin samenbond. Toen kwamen de elastieke laarzen

aan de beurt--een pijnlijk getrek voor de likdorens--en de shawl,

en de vermomming was voltooid.

"Loop es op en neer," zei Cossar, en Bensington gehoorzaamde.

"'t Zal gaan," zei Cossar.

En in deze vermomming, onbeholpen struikelend over zijn ongewone

rokken, en een vloed van vrouwelijke verwenschingen doend neerdalen op

zijn eigen hoofd, met een schrille falsetto om in zijn rol te blijven,

en temidden van het brullen eener menigte die er op uit was om hem te

lynchen, kwam de oorspronkelijke ontdekker van Herakleophorbia IV, den

corridor der Chesterfield-Mansions af, midden tusschen die verwoede

wanordelijke menigte, en verdween aldus geheel van het tooneel der

gebeurtenissen die ons verder verhaal vormen.

Na deze ontsnapping bemoeide hij zich nooit weder met de

wonderbaarlijke ontwikkeling van het Voedsel der Goden, dat het eerst

aan hem zijn ontstaan te danken had.

Het voedsel der Goden en hoe het op Aarde kwam · 第 42 / 103 题