Dusdanig waren de omstandigheden, waardoor de wereld voor de tweede
maal bemerkte, dat het Voedsel weder losgebroken was. Binnen een week
was Keston Common in volle werking, en werd wat de natuurkundigen
een "verspreidings-centrum" noemen. Ditmaal waren er geen wespen
of ratten, geen oorwormen en geen netels, doch er waren tenminste
drie water-spinnen, verscheidene larven van waterjuffers, die
weldra zelf waterjuffers werden, en geheel Kent verblindden met
hun zwevende saffier-kleurige lichamen; en dan was er nog een vieze,
gelei-achtige vegetatie, die over den rand van den vijver heengroeide,
en zijn glibberige groene massa's halverwege het tuinpad naar dokter
Winkles' huis opstuwde. En er begonnen reuzen-biezen, en equisetum en
potamogeton te groeien, die eerst gestuit werden toen zij den vijver
hadden doen opdrogen.
Het werd het publiek spoedig duidelijk, dat er ditmaal niet één
verspreidings-centrum was doch een heele màssa centrum. Er was er
een te Ealing--dat lijdt nu geen twijfel meer en hieruit ontstonden
de vliegen- en de roode spinnenplaag; er was er een te Sunbury,
die vraatzuchtige palingen voortbracht, die aan land konden komen,
en schapen doodden; en er was er een te Bloomsbury, die de wereld
een nieuw ras van kakkerlakken van een vreeselijke soort gaf,
welke met allerlei ander gespuis een oud huis in Bloomsbury
bewoonden. Plotseling, zonder voorteekenen, stond de wereld weer
tegenover al de verschijnselen van Hickleybrow, met allerlei vreemde
buitensporig-vergrootte monsters, (die men tot nu toe als doodgewone
onschadelijke dieren gekend had), inplaats van de reuzen-hennen,
ratten en wespen.
Ieder centrum brak uit met zijn eigen karakteristieke plaatselijke
fauna en flora...
Wij weten nu, dat elk van deze centra in verband stond met een
der patienten van dokter Winkles, doch dit was niet bekend te
dien tijde. Dokter Winkles was de laatste om onder verdenking
te vallen. Natuurlijk ontstond er een paniek, een woedende
verontwaardiging, doch tegen het Voedsel en nog niet zoozeer tegen het
Voedsel als wel tegen den ongelukkigen Bensington, wien de publieke
verbeeldingskracht van het begin af hardnekkig had beschouwd als de
eenige persoon die voor deze nieuwe zaak aansprakelijk was.
De poging om hem te lynchen, die volgde, is niet meer dan een van die
plotselinge uitbarstingen van volkswoede welke in de geschiedenis zoo
menigvuldig voorkomen, en die in werkelijkheid wel de onbelangrijkste
aller gebeurtenissen zijn.
De geschiedenis van dezen opstand is in het duister gehuld. De groote
massa van de menigte kwam ongetwijfeld uit een Anti-Bomvoedsel Meeting
in Hyde-Park, georganiseerd door drijvers van Caterham's partij,
doch er schijnt niemand geweest te zijn die het eerst voorstelde,
en niemand die ook maar doelde op de gewelddadigheid waaraan zooveel
menschen meededen. Het is een probleem voor den heer Gustave le Bon
[5]--een mysterie in de psychologie der menigten. Het blijkt dat des
Zondagsmiddags tegen drie uur een merkwaardig groote en kwaadaardige
Londensche menigte, die niet meer te regeeren was, Thursday Street kwam
afstroomen, bedacht op des heeren Bensington's exempleerlijken dood
als afschrikwekkend voorbeeld voor alle wetenschappelijke navorschers,
en dat deze menigte dichter bij het volvoeren van haar plan kwam dan
eenig andere menigte ooit gekomen is sedert de hekken van Hyde-Park
omver gehaald werden in de ver achter ons liggende tijden van het
midden van Victoria's regeering. Deze menigte kwam zelfs zoo dicht
bij haar doel, dat gedurende een uur een enkel woord het lot van den
ongelukkigen Bensington zou beslist hebben.
Hij bemerkte het eerst wat er gaande was aan het rumoer dat het volk
buiten maakte. Hij ging naar het venster en gluurde naar buiten, niet
bevroedend wat hem boven het hoofd hing. Een minuut lang misschien zag
hij het aan hoe de menigte zich om den ingang verdrong, een dozijn
politieagenten die haar den weg versperden, uit den weg ruimend,
vóór hij ten volle de rol begreep die hij in de zaak speelde. Toen
ging hem plotseling een licht op en begreep hij dat die brullende,
deinende menigte het op hem gemunt had. Hij was geheel alleen op de
verdieping--misschien gelukkig nog--daar zijn nicht Jeanne naar Ealing
op de thee was bij een familielid van moeder's kant, en hij had even
weinig begrip hoe zich onder dergelijke omstandigheden te gedragen, als
van de etiquette van den Dag des oordeels. Hij was bezig door de kamers
te hollen, aan de meubelen vragend wat hij beginnen moest, sleutels
in sloten omdraaiend en ze dan weder ontsluitend, naar deur, raam en
slaapkamer vliegend--toen de beambte van de verdieping binnenkwam. [6]
"Geen oogenblik te verliezen, meneer," zei hij. "Ze hebben uw nummer
gevonden op het bord in den gang! Ze komen recht hier naar toe!"
Hij sleepte den heer Bensington mee den corridor op, die reeds
weerklonk van het naderend tumult op de groote trap, draaide de deur
achter hen op slot en ging Bensington voor naar de tegenoverliggende
kamers, die hij binnenging door middel van een duplicaat sleutel.
"Dat is onze eenige kans nog," zei hij.
Hij wierp het venster open dat uitkwam op een ventilatie-koker en
vanuit dit venster zagen zij dat in den muur een rij krammen op
gezetten afstand onder elkaar waren geslagen die een zeer ruwe en
gevaarlijke ladder vormden, welke als brandladder moest dienen om
uit de bovenste verdiepingen te komen. Hij duwde den heer Bensington
zachtjes het raam uit, toonde hem hoe hij zich vast moest houden, en
kwam achter hem de ladder op, hem in zijne beenen porrend en prikkend
met een bos sleutels zoodra hij even met klimmen ophield. Het leek
Bensington soms of hij die verticale ladder verder tot in alle
eeuwigheid zou moeten blijven beklimmen. Boven, was de goot nog
onbereikbaar ver--'t leek wel een mijl--; beneden--Hij durfde niet
denken aan wat er beneden wachtte.
"Vooruit!" riep de klerk, en pakte hem bij den enkel. Het was
vreeselijk zoo bij den enkel gepakt te worden en de heer Bensington
greep de ijzeren kram boven zich zóó stevig beet alsof hij op 't punt
was te verdrinken, en slaakte een onderdrukten kreet van angst.
Het bleek dat de klerk een ruit ingedrukt had, en toen leek het hem
alsof hij zijdelings een enorm eind gesprongen was, en toen drong het
geluid van een venster, dat neergeschoven werd tot zijn besef door. Hij
brulde allerlei dingen. De heer Bensington wendde voorzichtig het hoofd
tot hij den klerk kon zien. "Kom zes treden naar beneden," beval deze.
Al dit beweeg leek hem erg dwaas toe, maar heel, heel behoedzaam liet
hij toch een voet zakken.
"Niet trekken!" riep hij uit, toen de klerk hem wilde helpen vanuit
het open venster.
Het leek hem toe dat het bereiken van het raam van de ladder af een
heel respectabel feit zou zijn voor een vliegenden vos, en het was
meer met het idee van een fatsoenlijken zelfmoord, dan in de hoop hem
te volbrengen, dat hij den stap eindelijk waagde en de klerk heesch
hem meedoogenloos naar binnen.
"U zult hier moeten blijven," zei de klerk; "mijn sleutels helpen
hier niet. 't Is een Amerikaansch slot. Ik zal naar buiten gaan en
de deur achter me dichtslaan, en zien of ik 't mannetje van deze
verdieping kan vinden. U zult zoolang opgesloten moeten blijven. 't
Eenigste is, ga niet naar 't raam. 't Is de kwaadaardigste menigte
die ik ooit gezien heb. Als ze maar eerst denken dat u uit is, zullen
ze zich waarschijnlijk wel tevreden stellen met uw boeltje in mekaar
te slaan--"
"De indicator wees "Tehuis" aan," zei Bensington.
"Dat zal je de drommel halen! In ieder geval, ze moeten mij hier
niet vinden--"
Hij verdween, de deur achter zich dichtslaand.
Bensington was weder aan zijn eigen initiatief overgelaten. En dit
initiatief dreef hem onder het bed. Daar werd hij een oogenblik later
gevonden door Cossar.
Bensington was bijna versuft van angst toen hij gevonden werd, want
Cossar had de deur met zijn schouder ingeloopen door er van den
overkant van den gang op toe te springen.
"Kom er onderuit, Bensington," zei hij. "'t Is goed volk. Ik ben 't. We
moeten zien hier vandaan te komen. Zij steken het huis in brand. De
portiers gaan er allemaal vandoor. De bedienden zijn al weg. 't Is
gelukkig dat ik den man, die van dit zaakje afwist, te pakken kreeg."
"Kijk es hier."
Toen Bensington onder het bed uit gluurde, zag hij eenige zonderlinge
kleedingstukken over Cossar's arm hangen, en wat het belachelijkste
van alles was, een zwarten vrouwenmuts in diens hand!
"Ze zoeken het heele huis af," zei Cossar. "Als ze het niet in brand
steken, komen ze beslist hierheen. Troepen kunnen er niet binnen een
uur zijn. Vijftig percent "Hooligans" [7] onder de menigte, en hoe
meer gemeubileerde kamers ze binnenkomen, hoe meer ze den smaak er
van beet zullen krijgen. Ligt voor de hand... Trek dezen rok aan en
zet dien muts op, Bensington, en snij uit met mij."
"Bedoel je--?" begon Bensington, een hoofd onder het bed uitstekend,
op de manier van een schildpad.
"Ik bedoel, maak er wat mee voort, en kom mee."
En met plotselinge heftigheid trok hij Bensington onder het bed
uit, en begon hem zelf aan te kleeden als een oud vrouwtje uit het
volk. Hij sloeg zijn broek op, liet hem zijn pantoffels uittrekken,
deed zijn boord, das, jas en vest uit, schoot een zwarten rok over
zijn hoofd en deed hem een rood-flanellen keurslijf aan en een lijf van
dezelfde stof. Hij liet hem zijn al te karakteristieken bril afzetten
en drukte hem de muts vast op het hoofd. "Je kondt waarachtig als
ouwe vrouw geboren zijn," zei hij, terwijl hij de linten der muts
onder Bensington's kin samenbond. Toen kwamen de elastieke laarzen
aan de beurt--een pijnlijk getrek voor de likdorens--en de shawl,
en de vermomming was voltooid.
"Loop es op en neer," zei Cossar, en Bensington gehoorzaamde.
"'t Zal gaan," zei Cossar.
En in deze vermomming, onbeholpen struikelend over zijn ongewone
rokken, en een vloed van vrouwelijke verwenschingen doend neerdalen op
zijn eigen hoofd, met een schrille falsetto om in zijn rol te blijven,
en temidden van het brullen eener menigte die er op uit was om hem te
lynchen, kwam de oorspronkelijke ontdekker van Herakleophorbia IV, den
corridor der Chesterfield-Mansions af, midden tusschen die verwoede
wanordelijke menigte, en verdween aldus geheel van het tooneel der
gebeurtenissen die ons verder verhaal vormen.
Na deze ontsnapping bemoeide hij zich nooit weder met de
wonderbaarlijke ontwikkeling van het Voedsel der Goden, dat het eerst
aan hem zijn ontstaan te danken had.