Het mannetje dat de geheele zaak op touw zette, verdwijnt uit deze
geschiedenis en na eenigen tijd verdween hij heelemaal uit de wereld
der zichtbare en vertelbare dingen. Doch omdat bij de zaak aan den
gang bracht, lijkt het mij niet meer dan billijk, aan zijn uitvaart
een extra bladzijde te wijden. Gij kunt hem u wel voorstellen in later
tijd, zooals Tunbridge Wells hem leerde kennen. Want te Tunbridge
Wells dook hij weder op, na een tijdelijke verdwijning, zoodra hij ten
volle begreep hoe voorbijgaand, hoe exceptioneel en onbeduidend die
oproerige woede der menigte was. Hij verscheen weder onder de hoede
van nicht Jeanne, om zijn geschokt zenuwgestel te restaureeren, en
hiervoor werden alle verdere belangen terzijde gesteld. Hij scheen ook
volkomen onverschillig te zijn geworden voor den strijd die toen juist
woedde om deze nieuwe centra van verspreiding, en voor de Kinderen
van het Voedsel.
Hij nam zijn intrek in het Mount-Glory Hydro-Geneeskundig Hotel,
dat werkelijk bijzonder goed ingericht is op het gebied van
gecarbonneerde Baden, Creosoot-Baden, Galvanische en Faradische
Baden-Behandeling, Massage, Dennen-Baden, Stijfsel- en Kervel-Baden,
Radium-Baden, Licht-Baden, Hitte-Baden, Zemel- en Naalden-Baden, Teer-
en Vogeldons-Baden--alle mogelijke soorten van baden; en hij gaf al
zijn denken aan de ontwikkeling van dat systeem van geneeskundige
behandeling, dat nog niet volmaakt was toen hij stierf. En soms reed
hij in een huurrijtuig, met een met zeehondenleer gevoerde jas naar de
Pantiles, of als zijne voeten het hem permitteerden liep hij er ook
wel heen, en dan slurpte hij daar ijzerhoudend water onder toezicht
van nicht Jeanne.
Zijn gebogen schouders, zijn roode gezicht, zijn schitterende bril,
dit alles werd een van de typische dingen van Tunbridge Wells. Niemand
was ook maar in het minst onvriendelijk tegen hem, en het plaatsje
en het Hotel schenen zelfs erg met zijne tegenwoordigheid vereerd te
zijn. En hoewel hij liever den verderen loop zijner uitvinding niet
volgde in de dagbladen, was het, als hij de Promenade vóór het Hotel
overstak, of de Pantiles afliep, en hij hoorde fluisteren "dat is
'em, dat is 'em!"--toch geen ontevredenheid die een zachter trek om
zijn mond bracht en een oogenblik in zijn oog schitterde.
Deze kleine figuur, deze heel kleine gestalte, zond het Voedsel der
Goden de wereld in! Men weet werkelijk niet wat verbazingwekkender
is, de grootheid of de kleinheid dezer mannen der wetenschap en
filosofie. Ge ziet hem voor u, op de Pantiles, in den met bont
gevoerden overjas. Hij staat onder dat steenen kozijn waar de fontein
opspringt, en houdt het glas met ijzerhoudend water, waaruit hij nu en
dan een teug neemt, in de hand. Eén helder oog is, over den vergulden
rand van zijn bril gevestigd op nicht Jeanne, met onverbiddelijke
strengheid. "Mm," zegt hij en slurpt.
En wij maken ons souvenir voor hem, in deze houding, zóó richten wij
onze camera op hem, en "nemen" dezen ontdekker voor de laatste maal,
en laten hem achter, als een spikkel op onzen voorgrond, en gaan
verder naar het grootere schilderij dat zich om hem gevormd heeft,
naar het verhaal van zijn Voedsel, hoe de verspreide Reuzen-Kinderen
met den dag grooter werden en opgroeiden temidden eener wereld die
zóóveel te klein voor hen was, en hoe het net der Bomvoedsel-wetten,
en Bomvoedsel-conventies die de Bomvoedsel-commissie aan het weven was,
zich ieder jaar al dichter en dichter om hen samentrok. Totdàt--