I.

Het was in den tijd toen de Koninklijke Commissie tot onderzoek van het

Bomvoedsel haar rapport opmaakte, dat Herakleophorbia werkelijk begon

te laten zien hoe geschikt het was om ergens uit te lekken. En deze

te vroege uitbarsting kwam des te ongelegener, tenminste van Cossar's

standpunt, omdat de schets van het rapport, die nog bestaat, aantoont

dat de commissie, onder voogdijschap van dat hoogstbekwame lid, Doctor

Stephen Winkles (Lid van het Koninklijk Genootschap, Medicinal Doctor,

Vrederechter, Litterarum Doctor enz.) er reeds eenstemmig over was,

dat dergelijke toevallige ontsnappingen onmogelijk waren, en gereed

was te verklaren dat zoo men de contrôle erover in handen stelde

van een bevoegde commissie (vooral Winkles), met een onbeperkte

contrôle over den verkoop ervan, dit meer dan voldoende was om aan

alle redelijke bezwaren, die geopperd konden worden tegen de vrije

verspreiding ervan, te gemoet te komen. Het comité zou een onbeperkt

monopolie hebben. En zonder twijfel moet het beschouwd worden als

een deel van de ironie des levens, dat de eerste en ernstigste dezer

tweede serie van ontsnappingen plaats greep op nog geen vijftig pas

van een klein landhuis in Kent, dat voor de zomermaanden door dokter

Winkles betrokken was.

Er kon geen twijfel meer aan bestaan, dat Redwood's weigering om

Winkles in te wijden in de samenstelling van Herakleophorbia IV,

in laatstgenoemden heer een hem tot dan toe vreemde en hevige

belangstelling had gewekt voor analytische chemie. Hij was geen

erg zaakkundige werker, en juist hierdoor zag hij waarschijnlijk

kans om te werken, niet in de uitstekend uitgeruste laboratoria

in Londen, die ter zijner beschikking waren, doch zonder iemand te

raadplegen, en steelsgewijze, in een klein laboratorium, dat in een

verwaarloosd tuintje van zijn huis te Keston stond. Hij schijnt bij

zijne onderzoekingen geen al te groot blijk van energie of groote

bekwaamheid gegeven te hebben; ja, het is slechts al te duidelijk,

dat hij zijn onderzoek opgaf, na er met tusschenpoozen gedurende een

maand aan gewerkt te hebben.

Dit tuin-laboratorium, waarin hij werkte, was zeer elementair

uitgerust, voorzien van een standpijp met water, dat afliep door

een pijp, die uitkwam in een drassigen, met biezen afgezetten poel

onder een elzenstruik in een afgelegen hoekje van de weide, die zich

aan de andere zijde van den heg bevond. De pijp was gebarsten en het

overblijfsel van het Voedsel der Goden ontsnapte door de scheur in

een kleinen plas, te midden van bosjes biezen, juist vóór het ontwaken

der lente.

Het leven in dat vuile, kleine hoekje was uit zijn winterslaap

ontwaakt. Er dreef kikkerdril, sidderend van donderpadjes, die juist

door hun geleiachtig omhulsel braken; er waren kleine waterslakken

die uitkropen; en onder den groenen bast van het riet, deden de

larven van den grooten waterkever al hun best om uit hunne eieren

te komen. Ik weet niet of de lezer de larven kent van den kever, die

(ik weet niet waarom) Dytiscus genoemd wordt. Zoo'n tor is een geleed,

vreemd beest, erg gespierd, en plotseling in haar bewegingen, en heeft

de gewoonte om met haar kop naar beneden te zwemmen, met haar staart

uit het water; zij is zoo lang als het bovenste lid van een mannenduim,

en misschien nòg langer--wel twee duim (dat wil zeggen, diè torren,

die niet van het Voedsel gegeten hebben)--en zij heeft twee scherpe

kaken die vóór haar kop samenkomen--cylinder-vormige kaken met scherpe

punten,--waardoor zij 't bloed harer slachtoffers opzuigt... De eerste

wezens die de ronddrijvende kruimels van het Voedsel te pakken kregen,

waren de donderpadden en de kleine waterslakken; de kleine kronkelende

donderpadden in het bijzonder, kregen er veel trek in, toen zij er

eenmaal den smaak van beet hadden.

Doch nauwelijks begon er een van hen een in het oog loopende positie te

bereiken in dat kleine donderpaddenwereldje, en een kleinen broeder of

zoo te nuttigen als aanvulling van een vegetarisch diëet, of kip! daar

sloeg een van de Tor-larven haar kromme bloedzuigende scharen in zijn

hart, en met dien rooden stroom ging Herakleophorbia IV, in een staat

van oplossing of ontbinding, in het organisme van een nieuwen cliënt

over. Het eenige, dat, naast deze monsters, nog iets van het Voedsel

kon te pakken krijgen, was het riet en het slijmerige groene schuim

op het water en de pas ontkiemde waterplanten in de modder op den

bodem. Een schoonmaak van de studeerkamer kort daarop, wiesch een

nieuwen vloed van het Voedsel in den poel, deed hem overstroomen,

en voerde deze geheele onheilspellende vermeerdering in den strijd om

het bestaan naar den aangrenzenden poel onder de wortels van den els...

De eerste die ontdekte wat er gaande was, was een zeker heer Lukey

Carrington, buitengewoon leeraar in de natuurwetenschappen onder

de Londensche Commissie van Onderwijs en, in zijn vrijen tijd,

specialiteit in zoetwaterplanten, en zeer zeker behoeven wij hem zijn

ontdekking niet te benijden.

Hij was van Keston Common gekomen om dien dag een aantal proef-buizen

te vullen om later te onderzoeken, en hij kwam met, zeg een dozijn,

gekurkte buisjes die zacht tegen elkaar klingelden in zijn zak, over

den zanderigen heuveltop heen en zoo naar den poel, met den stok

in de hand. Een tuinjongen, die op de bovenste trede der keukentrap

stond en de heg van dokter Winkles aan het knippen was, zag hem in

dit weinig bezochte hoekje, en vond hem en zijn bezigheid genoegzaam

onverklaarbaar en interessant om hem nauwkeurig na te gaan.

Hij zag den heer Carrington zich voorover buigen naar den poel,

met zijn hand tegen den stam van den ouden els, en in het water

gluren, doch natuurlijk kon hij de verrassing en het genoegen niet

apprecieeren, waarmede de heer Carrington de groote, ongewoon-lijkende

knobbels en slingers der waterplanten op den bodem gadesloeg. Er

waren geen donderpadden meer te zien--die waren nu allen gedood--en

het schijnt, dat de heer Carrington niets ongewoons zag dan den

buitengewoon weelderigen plantengroei. Hij stroopte zijn mouw op

tot den elleboog, boog zich voorover, en stak den arm in het water

om een exemplaar te bemachtigen. Zijn tastende hand ging steeds

lager. Onmiddellijk schoot er iets uit de koele schaduw onder

de boomwortels. Bliksemsnel had het zijn scharen diep in zijn arm

begraven--een bizarre gedaante was het--een voet en meer lang, bruin

en geleed als een schorpioen.

De leelijke verschijning en de plotselinge, scherpe pijn die de beet

veroorzaakte, deden den heer Carrington het evenwicht verliezen. Hij

voelde dat hij van den oever afgleed en gilde luid. Daar ging hij

met zijn gezicht vooruit, plas! den poel in.

De jongen zag hem verdwijnen en hoorde hem spartelen in het water. Hij

zag den ongelukkige weder bovenkomen, zonder hoed, druipend van het

water en gillend!

De jongen had nog nooit te voren een màn hooren gillen.

Het leek wel alsof deze verbazingwekkende vreemde aan iets rukte aan

den kant van zijn gezicht. Er vertoonden zich daar strepen bloed. Hij

stak zijn armen op als in wanhoop, sprong in de lucht als een bezetene,

liep razend tien of twaalf pas, viel toen op den grond en rolde al

maar rond, tot de jongen hem niet meer zien kon. De jongen was in een

oogwenk van de trap af en door de heg--gelukkig met de heggeschaar

nog in de hand. Hij zegt, dat, toen hij bezig was door de bremstruiken

te dringen, hij half en half zin had om terug te gaan, daar hij bang

was met een krankzinnige te doen te hebben, doch het bezit van de

heggeschaar stelde hem gerust. "Als ie me wat had willen doen, kon ik

'm altijd in z'n oogen gestoken hebben," legde hij uit. Zoodra de

heer Carrington hem zag, begon hij zich te gedragen als iemand die

wèl bij zinnen, doch wanhopig is. Hij krabbelde op de been, wankelde,

stond op en kwam naar den jongen toe.

"Kijk es!" riep hij, "ik kan ze er niet afkrijgen!"

En met een rilling van ontzetting zag de jongen dat er aan de wang

van den heer Carrington, aan zijn blooten arm en aan zijn dij, en

verwoed slaand met hunne lenige bruine gespierde lichamen, zich drie

van deze afschuwelijke larven hadden vastgeklemd, met hunne groote

haken diep in zijn vleesch, en zich vastzogen alsof 't om hun leven

ging. Zij hielden zich vast als buldoggen en de pogingen van den heer

Carrington om de monsters van zijn gezicht los te maken, hadden tot

eenig resultaat, dat hij het vleesch waaraan het beest zich vastgehecht

had, afscheurde, en zijn gelaat, hals en jas met levend purper bedekte.

"'k Zal em d'r afknippe'; hou je goed, meneer."

En met het behagen, dat jongens op dien leeftijd in dergelijke dingen

scheppen, scheidde hij de koppen der aanvallers van den heer Carrington

een voor een van hunne lichamen. "Yoep," zei de jongen met een beetje

benauwd gezicht, telkens als er een voor hem neerviel. En zelfs toèn

nog was hun greep zoo vast en taai, dat de afgesneden koppen nog een

tijdlang woest bleven toebijten en zuigen, terwijl het bloed achter

uit hun halzen stroomde. Doch de jongen maakte hier een eind aan met

nog een paar happen van zijn schaar--waarvan de heer Carrington zelf

er ook nog een mee kreeg.

"Ik kon ze er niet afkrijgen!" herhaalde Carrington en bleef een

tijdje lang staan, wankelend en hevig bloedend. Hij bette met slappe

handen zijne wonden en keek naar zijn handpalmen. Toen zonken zijn

knieën onder hem uit en hij viel voorover zoo lang als hij was voor

de voeten van den jongen in zwijm, tusschen de nog steeds opspringende

lichamen zijner verslagen vijanden. Gelukkig viel het den jongen niet

in water op zijn gezicht te sprenkelen,--want er waren nog meer van

deze monsters onder de wortels van den els--, en inplaats hiervan ging

hij om den vijver heen, den tuin door, om hulp te halen. En daar kwam

hij den tuinman-koetsier tegen en vertelde hem het geheele geval.

Toen zij samen den heer Carrington weder bereikten, zat hij op,

versuft en zwak, doch met genoeg bewustzijn om hen te waarschuwen

voor het gevaar in den poel.

Het voedsel der Goden en hoe het op Aarde kwam · 第 41 / 103 题