V.

Er schijnt een lengte-grens te zijn voor moedertrots, en deze werd

in mevrouw Redwood's geval bereikt, toen haar spruit de zesde

maand van zijn aardsch bestaan volbracht, zijn uiterst soliede

bassinet-kinderwagen in elkaar deed zakken, en thuis gebracht werd op

den melkwagen. De jonge Redwood woog te dien tijde vijf en negentig en

een half pond, mat acht en veertig duim in de lengte en kon ongeveer

zestig pond opbeuren. Hij werd naar de kinderkamer boven gedragen door

de keukenmeid en de werkmeid. Na deze gebeurtenis was ontdekking nog

slechts een quaestie van dagen. Op zekeren middag kwam Redwood uit

zijn laboratorium thuis en vond zijn ongelukkige vrouw verdiept in de

boeiende bladzijden van "Het Machtige Atoom," [4] en toen zij hem zag,

legde zij haar boek terzijde, liep driftig op hem toe en barstte in

tranen uit, terwijl zij tegen zijn schouder leunde.

"Zeg mij toch wat je aan hem gedaan hebt," klaagde zij. "Zeg me toch

wat je gedaan hebt."

Redwood vatte haar hand, en leidde haar naar de sofa, terwijl hij

nadacht hoe hij zich het best verdedigen kon.

"O, 't is niets, lieve," zei hij; "'t is niets hoor. Je bent alleen

wat overspannen. 't Komt door dien goedkoopen kinderwagen. Ik heb een

man, die altijd achter een ziekenstoel loopt, besteld om morgen hier

te komen met iets stevigers."

Mevrouw Redwood keek hem door haar tranen heen aan over de punt van

haar zakdoek.

"Een baby in een ziekenstoel?" snikte zij.

"Nu, waarom niet?"

"Dan is het net of hij kreupel is."

"Als een jonge reus, lieve, en je hoeft je heusch niet over hem

te schamen."

"Je hebt iets aan hem gedaan, Dandy," zei zij. "Ik kan het aan je

gezicht zien."

"Nu, in ieder geval heeft hij toch niet opgehouden te groeien,"

zei Redwood harteloos.

"Ik wist het wel," zei mevrouw Redwood en frommelde haar zakdoek tot

een bal in haar eene hand. Zij keek hem plotseling streng aan. "Wat

heb je aan ons kind gedaan?"

"Wat is er dan met hem?"

"Hij is zoo groot. 't Is een monster."

"Onzin. Hij is zoo recht van lijf en leden en zoo gladjes als je maar

wenschen kunt. Wat is er dan met hem?"

"Zie dan toch eens hoe groot hij is."

"O, dat is volkomen in orde. Kijk liever eens om je heen naar die

kleine, sukkelende kinderen van anderen. Hij is de flinkste baby--"

"Hij is tè flink," zei mevrouw Redwood.

"Dat gaat zoo niet door," zei Redwood geruststellend, "'t is zoo maar

een groeischeut."

Maar hij wist zeer goed, dat het wèl zou doorgaan. En dat deed het

dan ook. Toen deze baby een jaar oud was, waggelde hij heen en weer,

juist een duim onder de vijf voet lang, en woog honderd vijftien pond;

hij was inderdaad even groot als een cherubin in de Sint Pieters "in

Vaticano", en zijn speelsche greep naar het haar en de gelaatstrekken

der bezoekers werd het onderwerp van den dag in West-Kensington. Zij

hadden een invalide-stoel om hem naar boven en beneden te dragen

naar zijn kinderkamer, en zijn speciale ziekenzuster, een stevig

jong vrouwspersoon die juist haar proeftijd achter den rug had,

ging met hem wandelritten doen in een Panhard-ziekenstoel-auto van

8 paardekracht, in staat heuvels van een hoek van vijftien graden te

beklimmen, en speciaal gemaakt ten zijnen dienste. Het was in ieder

opzicht gelukkig dat Redwood bij zijn professorschap nog verstand

van dergelijke dingen had ook. Als men over den schok van de enorme

grootte van den kleinen Redwood heen was, zoo hebben wij lieden die

hem dagelijks langzaam Hyde-Park zagen rond-tuf-tuffen hooren zeggen,

was hij een wonder-vroolijke en lieve baby. Hij schreeuwde zelden en

behoefde niet gesust te worden. Doorgaans omklemde hij een grooten

ratel, en soms riep hij onder het voorbijgaan de omnibus-koetsiers

en de politie-agenten langs den weg buiten het hek toe met "Dadda"

en "Babba!" op een sociaaldemocratische manier.

"Daar gaat dat groote kind, dat met Bomvoedsel gevoed wordt," zei de

omnibus-koetsier dan.

"Ziet er gezond uit," zei de passagier, die naast hem op den bok zat.

"Opgevoed met de flesch," legde de koetsier dan uit. "Ze zeggen

dat er zoowat vier liter ingaat, en dat ie speciaal voor 'm gemaakt

moest worden."

"'Eel gezond kind, 'oe dan ook," besliste de passagier voorop.

Toen mevrouw Redwood tot het besef kwam, dat de groei onbepaald en

logisch voortging--en dit deed ze werkelijk voor de eerste maal

toen de motor-kinderwagen voor de deur reed--gaf ze toe aan een

wilde smart. Ze verklaarde, dat ze nooit weder in de kinderkamer

wilde komen, dat ze wenschte dat ze dood was, en dat haar kind dood

was, dat iedereen dood was, wenschte dat ze Redwood nooit getrouwd

had, dat ze niemand getrouwd had, en trok zich in haar eigen kamer

terug, waar zij gedurende drie dagen bijna uitsluitend van kippesoep

leefde. Toen Redwood kwam om haar tot andere gedachten te brengen,

gooide zij met de sofakussens, weende en bracht haar haar in wanorde.

"O, hij is zoo gezond als een visch," zei Redwood. "Waarachtig, hij

is er niet slechter aan toe omdat hij groot is. Je zoudt toch niet

willen, dat hij kleiner was dan de kinderen van anderen?"

"Ik wil dat hij nèt is als andere kinderen, niet kleiner en niet

grooter. Ik had gehoopt dat hij een aardig klein ventje zou worden,

net als Georgina Phyllis een aardig klein meisje is, en ik wilde hem

grootbrengen zoodat hij lief werd, en kijk nù eens"--en de stem van

de ongelukkige vrouw brak weder--"hij draagt schoenen van nummer vier

voor volwassenen, en wordt rondgereden door--boeboe!--Petroleum! Ik

kan hem nooit liefhebben," klaagde zij. "Hij is me tè groot! Ik kan

nooit een moeder voor hem zijn, zooals ik had willen zijn!"

Doch eindelijk kregen ze haar er toe naar de kinderkamer te gaan,

en daar zat Edward Monson Redwood ("Pantagruel" was pas later zijn

bijnaam) te schommelen in een speciaal versterkten hobbelstoel, en

glimlachte en zeide "yoe en wou." En het hart van mevrouw Redwood

ging weder uit naar haar kind, en zij nam hem in haar armen en weende.

"Ze hebben iets aan je gedaan," snikte zij, "en je zult al maar

doorgroeien, liefje, maar wat ik voor je kan doen om je fatsoenlijk

groot te brengen, dat zàl ik doen, wat je vader er ook van mag zeggen."

En Redwood, die geholpen had haar naar de deur te brengen, ging erg

verlucht de gang af.

("Hè, maar 't is een min zaakje een man te zijn--tegenover vrouwen

tenminste!")

Het voedsel der Goden en hoe het op Aarde kwam · 第 37 / 103 题