Toen Winkles weg was, kwam Bensington op het haardkleed staan en zag
op Redwood neer.
"Hare Doorluchtigheid!" merkte hij op.
"Hare Doorluchtigheid!" zei Redwood.
"Het is de prinses van Weser Dreiburg!"
"Niet verder dan een nicht in den derden graad."
"Redwood!" zei Bensington, "'t is natuurlijk gek dat ik 't zeg,
maar--geloof je dat Winkles 't begrijpt?"
"Wat?"
"Wàt het is dat wij gemaakt hebben."
"Zou hij werkelijk begrijpen," zei Bensington, zijn stem latende
dalen, en zijn blik op de deur gericht houdend, "dat in de Familie--de
Familie van zijn nieuwe patiente--"
"Ga door," zei Redwood.
"Die altijd een beetje onder--onder--"
"De middelbare lengte?"
"Juist. En zoo bijzonder tactvol onberoemd als hij is op elk mogelijk
gebied, gaat hij nu een koninklijk personage te voorschijn brengen--een
te langzaam groeiend koninklijk personage--van diè grootte. Weet je,
Redwood, ik ben er niet zeker van of er niet iets bijna--verraderlijks
in schuilt...."
Hij wendde zijn oogen van de deur naar Redwood.
Redwood maakte een gebaar--met gestrekten wijsvinger--in de richting
van het vuur. "Bij den hemel!" zei hij, "hij weet 't níét!"
"Die man," zei hij, "weet nièts. Dat was reeds zijn meest tergende
eigenschap als student. Letterlijk niets. Hij kwam door al zijn
examens, hij had al zijn feiten bij elkaar--en hij had evenveel
kennis als een draaiende boekenplank waarop de "Times Encyclopedie"
staat. En nù weet hij nog evenmin iets. Hij is Winkles en niet in
staat om werkelijk iets in zich op te nemen en te verwerken, wat
niet in onmiddellijk verband staat met zijn oppervlakkig, pedant
eigen-ik. Alle verbeeldingskracht ontbreekt hem en als een gevolg
daarvan, is hij ongeschikt voor kennis. Niemand kan zonder juist diè
ongeschiktheid, door zooveel examens komen, en zoo goed gekleed gaan,
en zooveel succes hebben als dokter. Dat is de geheele quaestie. En
niettegenstaande alles wat men hem verteld, en wat hij gehoord en
gezien heeft, heeft hij nòg geen vaag begrip van wat hij aan den gang
gebracht heeft. Hij heeft een goed zaakje aan de hand, dat hij opkweekt
met Bomvoedsel, en de een of ander heeft hem die koninklijke baby in
handen gespeeld. En het feit, dat Weser Dreiburg over eenigen tijd
zal staan voor het reuzen-probleem van een dertig en idem zooveel
voet lange prinses, is niet alleen niet in zijn hoofd opgekomen,
maar kòn het ook niet--kòn het ook niet."
"'t Zal een ontzettende herrie geven," zei Bensington.
"Ja, binnen een jaar of zoo al."
"Zoodra ze zien dat het kind al maar blijft dóórgroeien."
"Tenzij zij, zooals dat doorgaans in dergelijke kringen gedaan wordt,
't doodzwijgen."
"'t Is anders wel wat véél om stil te houden."
"Ja, nog al!"
"'t Zal me benieuwen wat ze zullen doen?"
"Zij dòèn nooit iets--Koninklijke tact."
"Maar ze moeten toch ièts doen."
"Misschien dat zij dat wel zullen doen."
"O, Heer, ja."
"Zij zullen haar achterbaks houden. Dat is meer gebeurd."
Redwood barstte in een onbedaarlijk gelach uit.
"Het overtollige koningskind--de niet te stuiten baby met het IJzeren
Masker!" zei hij.
"Ze zullen haar in den hoogsten toren van het oude kasteel Weser
Dreiburg moeten zetten, en gaten in de plafonds maken, naarmate zij
van verdieping tot verdieping groeit!"...
"Nu, ik verkeer in 't zelfde geval. En Cossar en zijn drie jongens
net zoo. En--nu ja."
"'n Ontzettende herrie zal dat geven," herhaalde Bensington, niet
mede lachend. "Ontzettend."
"Ik vertrouw dat je de quaestie goed overdacht hebt, Redwood. Maar
weet je zeker dat 't niet wijzer zoude zijn Winkles te waarschuwen,
jouw kleine jongen er langzamerhand zien af te brengen--en--ons te
vergenoegen met de Theoretische Overwinning die we behaald hebben?"
"Ik wou waaràchtig dat je eens een half uur doorbracht in mijn
kinderkamer als het Voedsel een beetje laat is," zei Redwood, met
een ongeduldigen klank in zijn stem, "dan zou je wel anders praten,
Bensington. Bovendien--stel je voor, Winkles waarschuwen!... Nee
hoor! De opkomende vloed van deze quaestie heeft ons onverhoeds
overvallen en of we bang zijn of niet--we zullen moèten zwemmen!"
"Ja, daar zal wel niet anders opzitten," zei Bensington, naar zijn
teenen starend. "Ja, we moeten zwemmen. En jouw jongen zal moeten
zwemmen en Cossar's jongens--hij heeft het aan alle drie gegeven. Niets
halfs in Cossar--alles of niets. En Haar Doorluchtigheid. En al het
verdere. Wij gaan voort met het Voedsel te maken."
"Cossar ook. Wij zijn pas in den dageraad van het begin, Redwood. Het
is duidelijk, dat er allerlei dingen volgen zullen. Monsterachtig
groote dingen. Maar ik kan me ze niet goed voorstellen,
Redwood. Behalve--"
Hij keek vorschend naar zijn nagels. Toen keek hij Redwood aan met
zachte oogen door zijn bril.
"Ik geloof half en half," waagde hij te zeggen, "dat Caterham gelijk
heeft. Soms. Het zal wèrkelijk de normale afmetingen der dingen
omverwerpen. Het zal in de plaats komen van--Ja, wat zal het niet
verplaatsen?"
"Wat het ook doet," zei Redwood, "mijn kleine jongen moet het Voedsel
hebben."
Zij hoorden iemand vlug tegen de trap optuimelen. Toen stak Cossar zijn
hoofd om de deur. "Hallo!" zei hij, toen hij hun gelaatsuitdrukking
zag en binnenkomend: "Wel?"
Zij vertelden hem de quaestie met de prinses.
"Moeilijk geval?" merkte hij op. "Geen quaestie van. Zij zal
groeien, jouw jongen zal groeien. Al de anderen waaraan je 't gaf,
zullen groeien. Alles. En hard ook. Waar steekt het moeilijke van de
zaak? Alles in orde, hoor. Een kind kan je dat zeggen.... Waar zit
de moeilijkheid?"
Zij trachtten hem dat duidelijk te maken.
"Er niet mee doorgaan!" gilde hij bijna. "Maar--! Jullie staat
machteloos. Daar ben jelui voor op de wereld. Daar is Winkles
voor. Alles in orde, hoor! Heb me dikwijls verwonderd waar Winkles
eigenlijk voor was. Nù ligt 't voor de hand. Herrie. Natúúrlijk. Dingen
in de war brengen? Zal àlles in de war brengen. En eindelijk zal het
àlle menschelijke aangelegenheden omverwerpen. Helder als de dag,
niet waar! Ze zullen probeeren 't tegen te houden, maar ze zijn er te
laat bij. Dat zijn ze meestal. Jullie gaat er mee door en verspreidt
er zoo veel van als je maar kunt. Dank God dat hij je ergens voor
gebruiken wil!"
"Maar de strijd die er uit volgen moet!" zei Bensington, "de
spanning! Ik weet niet of je je wel een denkbeeld gevormd hebt--"
"Jij behoorde de een of andere stronk groente geweest te zijn,
Bensington," zei Cossar--"dat moest je. Iets dat groeide op een
kunstrotsje in 'n tuin. Daar zit je nu, wonderbaarlijk geformeerd,
en jij denkt dat 't eenige waar je voor op aarde bent, is om hier
en daar wat om te hangen en je malen te gebruiken. Denk je dat deze
wereld gemaakt is voor ouwe wijven om wat in te luiwammissen? Maar
hoe dan ook, jelui staat er machteloos tegenover--je moèt er wel
mede doorgaan."
"Ik vertrouw 't ook," zei Redwood. "Langzaam."
"Neen!" zei Cossar, met een geweldigen kreet. "Neen! Maak er zooveel
van als je kunt en zoo vlug je maar kunt. Strooi het overall"
Hij werd geïnspireerd tot een vlaag van geestigheid. Hij parodieerde
een van Redwood's kromme lijnen met een breeden zwaai omhoog van
zijn arm. "Redwood!" zei hij, om zijn beweging duidelijker te maken,
"maak het Zoo!"