II.

Temidden van de ingewikkelde en verwarde gebeurtenissen, de schokken

van de groote buitenwereld, die den heer Bensington zijn roem

bezorgden, trad een schitterende, en actieve figuur weldra op den

voorgrond--werd bijna, als het ware, een leider en heraut van deze

dingen, die Bensington als buiten de zaak omgaand toeleken. Dit was

dr. Winkles, die zelfbewuste jonge praktizeerende dokter, die reeds

in dit verhaal ten tooneele gevoerd is als het middel waardoor het

Redwood mogelijk werd het Voedsel zijnen zoon toe te dienen. Zelfs

vóor het algemeen uitbreken der gevolgen in Hickleybrow, was het

duidelijk, dat de geheimzinnige poeders die Redwood hem gegeven had,

de levendige belangstelling van dezen heer hadden opgewekt, en zoodra

de eerste wespen verschenen, bracht hij de dingen met elkaar in

verband. Hij behoorde tot het soort van dokters, die in manieren,

moraal, wijze van werken en voorkomen het best konden getypeerd

worden met het woord "opkomend." Hij was lang en blond, met een hard,

waakzaam, pedant, aluminium-kleurig oog, haar als aangemengde kalk,

regelmatige gelaatstrekken, met sterk ontwikkelde kaakspieren

en vierkanten gladgeschoren kin, recht van lijf en leden en met

flinken gang, vlug en zich op de hielen omdraaiend; hij droeg lange

gekleede jassen, zwart-zijden dassen en eenvoudige gouden manchet-

en boorden-knoopen en horloge-ketting, en zijn zijden hoeden hadden

een bijzonderen vorm en rand die hem er verstandiger en beter dan

iemand anders deden uitzien. Hij zag er even jong of oud uit als de

eerste de beste volwassene. En na dit eerste wondervolle uitbreken,

klampte hij zich aan Bensington en Redwood en het Voedsel der Goden

met zulk een overtuigend air van eigenaarschap vast, dat Bensington,

niettegenstaande het feit dat de pers het tegendeel verklaarde, soms

geneigd was hèm als den oorspronkelijken uitvinder van de geheele

zaak aan te zien.

"Deze kleine ongelukjes," zei Winkles, toen Bensington een toespeling

maakte op de gevaren van verdere ontsnappingen, "deze kleine ongelukjes

hebben niets te beteekenen. Niets. De ontdekking is alles. Behoorlijk

uitgewerkt, zorgvuldig behandeld, verstandig gecontroleerd, en we

hebben iets heel gewichtigs gevonden in dit voedsel van "òns"... Maar

we moeten er een oogje op houden... We moeten het niet weer laten

ontglippen, en--we moeten het er niet bij laten zitten."

En dit was hij voorzeker niet van plan te doen. Hij kwam nu bijna

elken dag bij Bensington. Als Bensington uit het raam keek, placht hij

de uiterst-correcte equipage Sloane-street te zien af komen draven,

en na een ongelooflijk korten tijd trad Winkles de kamer binnen met

lichten, veerkrachtigen tred, en vervulde haar met gerucht, haalde

het een of ander nieuwsblad uit den zak, voorzag Bensington van nieuws

en maakte opmerkingen.

"Nou," placht hij te zeggen, zich in de handen wrijvend, "en schieten

we op?" en bracht met deze woorden het gesprek erop.

"Zie je wel," zei hij bijvoorbeeld, "dat die Caterham over ons goedje

gesproken heeft op de Bijeenkomst van den Kerkelijken Bond?"

"Goeie hemel!" zei Bensington, "dat is 'n neef van den eersten

minister, hè?"

"Ja," zei Winkles, "een heel bekwame jonge man--werkelijk heel

bekwaam. Zijn hoofd staat hem heelemaal verkeerd, weet je, verwoed

reactionnair--maar op en top een handige vent, hoor. En 't schijnt

werkelijk alsof hij geld wil slaan uit ons goedje. Slaat een beslisten

toon aan. Praat over "ons" voorstel om het te gebruiken op de lagere

scholen--"

"Ons voorstel om het te gebruiken op de lagere scholen!"

"Ja, onlangs zei ik daar zoo iets over--zoo terloops--praatje

aan een Polytechnische. Probeerde 't duidelijk te maken, dat 't

goedje werkelijk veel goed kon doen. Niet in 't minst gevaarlijk,

niettegenstaande die kleine ongelukjes. Die kunnen onmogelijk weer

plaats hebben... Weet je, 't zóú werkelijk goed zijn voor--Maar nu

is hij er over aan 't praten gegaan."

"Wat heb je dan gezegd?"

"Och, enkele voor de hand liggende onbeduidende dingen. Maar zooals je

ziet--hij neemt het in vollen ernst op. Zegt dat er zonder dit ook al

geld genoeg verknoeid wordt aan de openbare scholen. Vertelt weer de

oude geschiedenissen over piano-lessen--weet je. Niemand, zegt hij,

wil de kinderen uit het volk verhinderen een opvoeding te genieten,

die overeenkomt met hun stand, maar door ze dergelijk voedsel te

geven, zou je hun besef van verhoudingen absoluut vernietigen. Heeft

't onderwerp nog verder uitgewerkt. Welk nut heeft het, zegt hij,

arme lieden zes en dertig voet lang te maken? Hij gelooft werkelijk,

zie je, dat ze zes en dertig voet lang zullen worden."

"Dat zouden ze ook," zei Bensington, "als je ze ons voedsel geregeld

gaf. Maar niemand heeft iets gezegd van--"

"Jawel, ik zei iets."

"Maar m'n beste Winkles--!"

"Ze zullen natuurlijk nòg Grooter worden," viel Winkles hem in de rede,

met een air van "'k weet er alles van," en verachtelijk over de onrijpe

ideeën van Bensington heenloopend. "Ontegenzeggelijk Grooter. Maar

luister eens naar wat hij zegt! Zal het hen gelúkkiger maken? Dat is

de quaestie. Zullen ze meer eerbied hebben voor de over hen gestelde

machten? Is het wel billijk tegenover de kinderen zelf?" Grappig hoe

bezorgd lui van zijn slag zijn voor de rechtvaardigheid--voor zoover

het schikkingen in de toekomst betreft. Zelfs heden ten dage, zegt hij,

bedragen de kosten van kleeding en voeding meer dan menig ouder voor

zijn kinderen kan betalen, en als dit nieuwe wordt toegelaten!--He?"

"Je ziet dat hij mijn terloops gegeven wenk tot een positief voorstel

maakt. En dan berekent hij verder hoeveel een broek zal kosten

voor een groeienden jongen van twintig voet ongeveer. Alsof hij

werkelijk geloofde--Honderd twintig gulden berekent hij, en dan is

nog alleen maar de naaktheid van den jongen bedekt. Grappige kerel,

die Caterham. Zoo concreet! En op den braven en hard-werkenden

belastingbetaler zal 't neerkomen, zegt hij. Hij zegt dat wij

rekenschap hebben te houden met de Rechten der Ouders. Hier staat het

allemaal. Twee kolommen. Ieder ouder heeft het recht zijne kinderen

groot te brengen naar zijn eigen lengte..."

"Dan komt de quaestie van de inrichting der scholen, kosten van

vergroote banken en lessenaars voor ons tòch al tè zwaar belaste

Rijksscholenbudget. En wat krijg je dan nòg?--een proletariaat van

hongerige reuzen. En hij eindigt met een heel ernstige passage; hij

zegt dat, zelfs al komt er niets van dat alle perken overschrijdende

voorstel--ik greep 't zoo maar uit de lucht, moet je weten en heelemaal

verkeerd uitgelegd bovendien--van die scholen, dat dan de quaestie daar

nog niet mee uit is. Dit is een eigenaardig voedsel, zóo eigenaardig,

dat het bijna kwaadaardig lijkt. Het is roekeloos rondgestrooid--zoo

zegt hij--en niets waarborgt, dat het niet nogmaals zal worden

rondgestrooid. Als men er eenmaal van genomen heeft, is het gif,

tenzij men er mee doorgaat. ("Dat is het ook," zei Bensington). En om

kort te gaan, hij stelt voor een "Nationaal Genootschap ter Behoud

van de Normale Verhoudingen der Dingen" op te richten. Zot, he? En

heel veel lui voelen er veel voor. Maar wat denken ze te doèn?"

Winkles haalde de schouders op en stak zijn handen uit. "Een

vereeniging vormen," zei hij, "en lawaai maken. Ze willen het onwettig

doen verklaren, dit Herakleophorbia te fabriceeren--of tenminste het

algemeen bekend maken van het bestaan ervan. Ik heb er een beetje

over geschreven naar dit en dat blad, om aan te toonen, dat Caterham's

begrip van de zaak schromelijk overdreven is--schròmelijk overdreven,

maar mijn geschrijf schijnt hem niet tegen te houden. Grappig, he, hoe

de menschen er zich tegen gaan kanten. En de Nationale Matigheids-Bond

heeft een afdeeling opgericht voor Matigheid in Groei."

"Hm," zei Bensington en streek zich over den neus.

"Na al wat er gebeurd is kan dat lawaai slecht uitblijven. Oppervlakkig

beschouwd is de quaestie werkelijk wat--onrustbarend."

Winkles liep een tijdje de kamer op en neer, aarzelde en vertrok.

Het was duidelijk, dat hij iets verborgen hield, iets dat op twee

manieren van belang voor hem was en dat hij nog niet wenschte te laten

zien. Op zekeren dag toen Redwood en Bensington samen op Bensington's

kamers zaten, liet hij even doorschemeren wat het was, dat hij in

reserve hield.

"Hoe staan de zaken?" zei hij, zich in de handen wrijvend.

"Wij zijn bezig een soort van rapport samen te stellen."

"Voor het Koninklijk Genootschap?"

"Juist."

"Hm," zei Winkles, heel gewichtig doend, en ging naar het

haardkleed. "Hm. Maar--De quaestie is maar, mag je dat wel doen?"

"Mogen we--wat?"

"Mag je dat wel publiek maken?"

"Wij leven niet meer in de middeleeuwen," zei Redwood.

"Dat weet ik wel."

"Zooals Cossar zegt, "kennis ruilen,"--dat is de ware wetenschappelijke

methode."

"In de meeste gevallen wel, ja. Maar--Dit is een exceptioneel geval."

"Wij zullen het Koninklijk Genootschap de geheele zaak behoorlijk

voorleggen," zei Redwood.

Winkles kwam bij een latere gelegenheid hier op terug.

"In veel opzichten is 't een merkwaardige uitvinding."

"Dat verandert niets aan de zaak," zei Redwood.

"Maar dit is een soort van wetenschap die heel licht aanleiding

kan geven tot ernstige misbruiken,--"tot ernstige gevaren,"--zooals

Caterham het uitdrukt."

Redwood zei niets.

"Zelfs achteloosheid, weet je--Als we een commissie van betrouwbare

lieden vormden om het vervaardigen van Bomvoedsel, Herakleophorbia

bedoel ik, te controleeren--zouden we kunnen--"

Hij zweeg, en Redwood, met een heimelijk onaangenaam gevoel, deed

alsof hij de vraag in Winkles' woorden niet opmerkte.

Buiten de vertrekken van Redwood en Bensington werd Winkles,

niettegenstaande de onvolledigheid van zijn kennis ervan, een leidend

autoriteit op het gebied van Bomvoedsel. Hij schreef brieven waarin hij

het gebruik ervan verdedigde; hij schreef korte stukjes en artikelen

waarin hij het nut ervan verklaarde; hij sprong op oogenblikken

dat het heelemaal niet te pas kwam op in de vergaderingen der

wetenschappelijke en medische genootschappen om erover te praten;

hij vereenzelvigde er zich mede. Hij gaf een pamflet uit, getiteld

"De waarheid omtrent Bomvoedsel," waarin hij het geheele voorval te

Hickleybrow nagenoeg tot niets reduceerde. Hij zei, dat het onzinnig

was te zeggen dat Bomvoedsel de menschen zeven en dertig voet lang zou

maken. Het "lag voor de hand," dat dit overdrijving was. Natuurlijk

zou het hen Grooter maken, maar meer niet...

In dat intieme kringetje van twee zag men maar al te duidelijk, dat

Winkles dolgraag wilde helpen bij het maken van Herakleophorbia, en

helpen bij het corrigeeren van de proeven van het een of ander artikel

dat voorbereid werd over dit onderwerp, ja alles te doen waaruit hij

de bizonderheden van het vervaardigen van Herakleophorbia kon te weten

komen. Voortdurend vertelde hij hen beiden, dat hij voelde, dat het

"een Groot Ding" was, en dat er enorme mogelijkheden in verscholen

lagen. Als ze maar eerst op de een of andere manier ongestoord hun

gang konden gaan. En eindelijk vroeg hij op zekeren dag ronduit,

of ze hem niet zeggen konden hoe het gemaakt werd.

"Ik heb nog es nagedacht over wat je zei," zeide Redwood.

"Nu, en?" zei Winkles, plotseling oplevend.

"Het is een soort van kennis die heel licht aanleiding zou kunnen

geven tot ernstige misbruiken." zei Redwood.

"Maar ik zie niet in waar dat op slaat," zei Winkles.

"'t Is tòch zoo," zei Redwood.

Winkles dacht er een paar dagen over na. Toen kwam hij bij Redwood

en zei dat hij er aan twijfelde of hij aan Redwood's kleinen jongen

wel langer poeders mocht geven, waarvan hij niets wist; het leek hem

toe erg veel te hebben van lichtvaardig verantwoordelijkheid op zich

te nemen. Dit stemde Redwood tot nadenken.

"Heb je gezien, dat de "Vereeniging tot Algeheele Onderdrukking van

Bomvoedsel" al verscheidene duizenden leden telt?" zei Winkles van

het onderwerp afstappend.

"Ze hebben een petitie op touw gezet," zei Winkles. "En de jonge

Caterham zal haar de Kamer voorleggen. 't Gaat meenens worden,

hoor. Zij zijn bezig plaatselijke comité's te vormen om invloed

te oefenen bij verkiezingen. Zij wenschen het vervaardigen en het

in voorraad hebben van Herakleophorbia zonder speciale vergunning,

strafbaar te stellen, en het toedienen van Bomvoedsel--zoo noemen

ze het--aan eenig persoon onder de eenentwintig, als landverraad

aan te merken, met gevangenisstraf zonder boete. Maar er zijn nog

andere vereenigingen weet je. De "Vereeniging tot Behoud van de Oude

Lichaamsgrootte" wil den heer Frederic Harrison in den raad zien

te krijgen, zeggen ze. Je weet dat hij er een verhandeling over

geschreven heeft; hij zegt dat het absoluut niet harmonieert met

die Openbaring van het Menschelijk Geslacht die gevonden wordt in de

leeringen van Comte. Dat het iets is, dat zelfs de achttiende eeuw in

hare ergste tijden niet zou hebben kúnnen voortbrengen. De gedachte

aan dit Voedsel is nooit in het hoofd van Comte opgekomen--wat wel

een bewijs is, dat het werkelijk uit den booze is. Niemand, zegt hij,

die Comte werkelijk heeft begrepen..."

"Maar je wilt toch niet zeggen--" zei Redwood, die van schrik over

zijn verachting voor Winkles heenraakte.

"Nou, ze zullen dat nu allemaal wel niet doen," zei Winkles. "Maar

de publieke opinie is nu eenmaal de publieke opinie, en stemmen zijn

stemmen. Iedereen kan wel zien dat jullie een lastig ding in de wereld

geschopt hebt. En het menschelijk instinct stelt zich onmiddellijk

tegenover dingen die de rust verstoren.

"Niemand schijnt te gelooven in Caterham's denkbeeld van menschen

van zeven en dertig voet lang, die geen kerk of vergaderlokaal

kunnen binnenkomen, of eenig andere maatschappelijke of menschelijke

inrichting. Maar toch zijn ze er niet zoo heel gerust op. Ze zien

wel dat dit iets is,--iets dat meer is dan een gewone ontdekking--"

"Dat zit er in iedere ontdekking," zei Redwood.

"Hoe dan ook, ze worden--schichtig. Caterham zeurt maar steeds over

wat er gebeuren kàn, als het weer losbreekt. Ik herhaal telkens en

telkens weer dat het dat niet zàl, en dat 't dat niet kàn. Maar--je

staat er voor!"

En hij liep een tijd lang lawaaiërig in de kamer op en neer, alsof

hij het onderwerp van het geheim weder wilde op de proppen brengen,

bedacht zich en ging heen.

De beide geleerden keken elkaar aan. Een tijdlang spraken alleen

hunne oogen.

"In het ergste geval," zei Redwood, met gemaakt-kalme stem, "zal ik

het Voedsel mijn kleinen Teddy eigenhandig toedienen."

Het voedsel der Goden en hoe het op Aarde kwam · 第 34 / 103 题