V.

Toen de expeditie zich voldoende ververscht had, was de nacht

gedaald. De sterren schenen zoo helder als zij maar konden, en een

steeds grooter wordende bleekheid in de richting van Hankey kondigde

de maan aan. Nog steeds werd er wacht gehouden bij de rattenholen,

doch de wakers hadden van plaats verwisseld en hadden post gevat

op de heuvelhelling boven de holen, voelend dat dit een veiliger

punt was om te vuren. Zij hurkten daar in de overvloedig vallende

dauw, en bestreden de vochtigheid met whiskey. De anderen bleven in

huis en de drie leiders bespraken met de mannen het werk dat hun

gedurende den nacht voor de borst stond. Tegen middernacht ging

de maan op, en zoodra zij boven de duinen uitkwam, begaven allen,

behalve de schildwachten bij de rattenholen, zich op weg, achter

elkaar loopend, in den ganzenpas, en aangevoerd door Cossar, naar

het wespennest. Voor zoover het 't wespennest betrof, was hun taak

buitengewoon licht--verbàzend licht. Behalve dat 't langer duurde,

had het niet veel meer voeten in de aarde dan het eerste het beste

gewone wespennest. Zeker, er was eenig gevaar bij--levensgevaar nog

wel, doch dit stak zelfs het hóófd niet buiten het hol. Zij propten

er de zwavel en salpeter in, stopten de holen zorgvuldig dicht en

staken hunne lonten aan.

Toen wendde het geheele gezelschap, behalve Cossar, zich als één man

om en rende dwars door de lange schaduwen der pijnboomen, en ziende

dat Cossar stand gehouden had, kwamen zij een honderd meter verder

tot staan, dicht op elkaar gedrongen, knus dicht bij een greppel,

die een schuilplaats aanbood. Een paar minuten lang was de zwarte en

witte maannacht zwaar van een gesmoord gegons, dat aanzwol tot een

gebrul, tot een diepen breeden klank, zijn hoogtepunt bereikte en

toen weder verstierf; en toen--het was haast niet te gelooven--was

de nacht weder stil.

"Bij den hemel!" zei Bensington, bijna fluisterend, "hij heeft

't klaargespeeld."

Allen stonden in spanning. De heuvelhelling boven het donkere

naald-kantwerk van de schaduwen der pijnboomen was helder als het

daglicht en kleurloos als sneeuw. Het verstijvende cement in de holen

glom zoo waar. Cossar's losse gestalte kwam op hen toe.

"Klaar hoor"--zei Cossar.

"Pang--pang!"

Een schot van dicht bij het huis en toen--stilte.

"Wat is dàt?" zei Bensington.

"Een van de ratten zal z'n kop naar buiten gestoken hebben," opperde

een van de mannen.

"Tusschen twee haakjes, we hebben onze geweren ginds gelaten,"

zei Redwood.

"Bij de zakken."

Iedereen begon weer den kant van den heuvel uit te loopen.

"Dat moeten de ratten zijn," zei Bensington.

"Ligt voor de hand," zei Cossar, op zijn nagels bijtend.

"Pang!"

"Hallo?" zei één van de mannen.

Toen klonken er plotseling een roep, twee schoten, een luiden

schreeuw die bijna een gil was, drie snel op elkaar volgende schoten

en het geluid van hout dat versplinterde. Al deze geluiden waren zeer

duidelijk en zeer klein in de onmetelijke stilte van den nacht. Toen

eenige minuten lang niets dan een zacht, gedempt verward geluid uit

de richting der rattenholen, en toen weder een woeste gil... allen

liepen om 't hardst naar de geweren... Weer twee schoten.

Bensington holde met het geweer in de hand door het pijnbosch achter

een aantal voor hem uithollende ruggen aan. Het is eigenaardig dat de

gedachte, die op dat oogenblik den boventoon voerde in zijn brein,

de wensch was, dat nicht Jeanne hem nu eens kon zien. Zijn bolle

opengewerkte schoenen sloegen uit in wilde groote passen en zijn

gezicht was vertrokken tot een voortdurende grijns, omdat dit zijn

neus deed rimpelen en zijn bril op zijn plaats hield. Ook hield hij

den loop van zijn geweer recht voor zich uit, terwijl hij daar door

het plekken-werpende maanlicht holde. De man die weggeloopen was,

kwam hen in vollen ren tegen--hij had zijn geweer laten vallen.

"Hallo," zei Cossar, en ving hem op in zijn armen. "Wat heeft dit

te beduiden?"

"Ze kwamen er allemaal samen uit," zei de man.

"De ratten?"

"Ja, zes waren 't er."

"Waar is Flack?"

"Die ligt ginds."

"Wat zegt ie?" hijgde Bensington, die kwam aanloopen zonder dat iemand

op hem lette.

"Ligt Flack ginds?"

"Hij viel."

"Ze kwamen er een voor een uit."

"Wat?"

"Deden een uitval. Ik loste m'n beide loopen."

"En heb je Flack daar alleen achtergelaten?"

"Zij zaten ons op 't lijf."

"Vooruit," zei Cossar. "Jij gaat met ons mee. Waar is Flack? Breng

ons er heen."

Het geheele gezelschap ging op weg. Verdere bijzonderheden omtrent

het gevecht ontvielen den man die weggeloopen was. De anderen,

behalve Cossar die voorop ging, verdrongen zich om hem.

"Waar zijn ze nou?"

"Misschien al weer in hun holen. Ik smeerde 'n 'm. Ze renden op ons

in om bij hun holen te kommen."

"Wat bedoel je? Waren jelui dan achter ze gekomen?"

"Wij gingen naar hun hol. Zagen ze d'r uit kommen, en probeerden

ze den pas af te snijden. Ze kropen d'r uit--net als konijnen. Wij

holden naar beneden, en brandden los. Zij liepen wild in 't rond na ons

eerste schot, en toen kwamen ze plotseling op ons af. Op ons àf, hoor!"

"Hoeveel?"

"Zes of zeven."

Cossar ging vóór naar den rand van het pijnbosch en hield stil.

"Bedoel je dat ze Flack gepakt hebben?" vroeg iemand.

"'k Zag wel dat er een op 'em afkwam."

"Schoot je niet?"

"Hoe kon ik dat nou?"

"Heeft iedereen geladen?" zei Cossar over zijn schouder. Van alle

kanten werd toestemmend geantwoord.

"Maar Flack--" zei er een.

"Je wilt toch niet zeggen dat Flack--" begon een tweede.

"Er is geen tijd te verliezen," zei Cossar en riep luid

"Flack!" terwijl hij vóórging. De geheele gewapende macht ging op

de rattenholen toe, de man die weggeloopen was een beetje in de

achterhoede. Zij gingen voorwaarts door allerlei soorten welig,

overdreven-groot onkruid en liepen om het lichaam van de tweede

gedoode rat heen. Zij waren uitgespreid tot een lijn, waarbij elke

man dicht bij zijn buurman liep; allen liepen met hun geweer recht

voor zich uit en gluurden om zich heen in het heldere maanlicht, of

ze niet een ineengedoken, onheilspellende gestalte zagen. Zij vonden

zeer spoedig het geweer van den man die weggeloopen was.

"Flack!" riep Cossar. "Flack!"

"Hij liep voorbij de netels en viel toen," zei de man die weggeloopen

was.

"Waar?"

"Daar ginds."

"Waar viel hij?"

Hij aarzelde en leidde hen een tijdlang door de donkere schaduwen en

keerde toen om.

"Zoowat daar, geloof ik."

"Zoo, maar nu is hij er toch niet meer."

"Maar zijn geweer dan--?"

"Bliksems nog an toe!" vloekte Cossar, "maar waar is dan alles

gebleven?" Hij deed een schrede in de richting der donkere schaduwen op

de heuvelhelling die de rattenholen verborg en bleef staan kijken. Toen

stootte hij nogmaals een vloek uit, "àls ze hem naar binnen gesleept

hebben--!"

En aldus bleven zij een tijdlang dralen, elkaar hunne gedachtetjes

toewerpend. Bensington's brilleglazen schoten stralen uit als

diamanten, als hij van den een naar den ander keek. De gezichten der

mannen veranderden van koude helderheid tot geheimzinnige duisternis,

naarmate zij zich van of naar de maan keerden. Iedereen sprak,

doch geen van allen maakten zij een zin af. Toen besloot Cossar,

met zijn korte manier van optreden, wat hij doen moest. Hij gooide

zijn ledematen hierheen en daarheen en gooide er bevelen uit als

ballen. Het lag voor de hand, dat hij lampen noodig had. Iedereen

behalve Cossar liep heen in de richting van het huis.

"Ga je in de holen?" vroeg Redwood.

"Ligt voor de hand," zei Cossar.

Hij maakte het hun nog eens duidelijk dat de lantaarns van de kar en

de trolley gehaald moesten worden.

Toen Bensington dit ten volle begreep, ging hij op weg, het pad bij

den put af. Hij keek over zijn schouder en zag de reusachtige gestalte

van Cossar op den voorgrond staan, alsof hij in gedachten verzonken

naar de holen stond te kijken. Op dit gezicht bleef Bensington een

oogenblik staan en wendde zich half om. "Zij lieten Cossar daar maar

alleen staan--!"

Natuurlijk, Cossar was wel in staat voor zichzelven te

zorgen. Plotseling zag Bensington iets dat hem een ademloos

"Hier!" deed uitschreeuwen. In een oogwenk hadden drie ratten zich

uit den donkeren warbos van slingerplanten losgemaakt en kwamen op

Cossar toeschieten. Drie seconden lang stond Cossar daar, zonder hen

op te merken, en toen werd hij plotseling het actiefste wezen ter

wereld. Hij schoot niet. Klaarblijkelijk had hij geen tijd om te

mikken, of dacht hij niet aan mikken; Bensington zag dat hij zich

bukte om een hem bespringende rat te ontgaan, en gaf het dier toen

een slag achter zijn kop met de kolf van zijn geweer. Het monster

sprong in de hoogte en viel over zijn kop duikelend op den grond.

Cossar's gedaante verdween uit het gezicht tusschen het rietachtige

gras, en toen kwam hij weder te voorschijn, op een van de andere

ratten inrennend en zijn geweer boven zijn hoofd zwaaiend. Een

zwakke kreet trof Bensington's oor, en toen zag hij de twee overige

ratten in verschillende richtingen wegloopen en Cossar hen achterna

in de richting der holen. Het geheele voorval was in nevelachtige

schaduwen gehuld; alle drie vechtende monsters werden nog grooter

en onwerkelijker gemaakt door de bedriegelijke helderheid van het

licht. Nu eens was Cossar kolossaal, dan weder onzichtbaar. De ratten

schoten voor zijn oog heen met plotselinge onverwachte sprongen, of

renden met zulk een snelle beweging der pooten, dat zij op raderen

leken te gaan. Het geheele voorval was afgespeeld in een halve

minuut. Niemand anders dan Bensington zag het. Hij kon de andere

achter zich hooren nog steeds op weg naar het huis. Hij schreeuwde

iets onsamenhangends en liep toen terug naar Cossar, terwijl de

ratten verdwenen.

Hij bereikte hem buiten de holen. In het maanlicht duidde het spelen

der schaduwen, die over Cossar's gezicht gleden, kalmte aan. "Hallo,"

zei Cossar, "al terug? Waar zijn de Iantaarns? Ze zijn nu allemaal

weer in hun holen. Eén heb ik z'n nek gebroken toen ie langs me heen

kwam... Zie je? daar!" En hij wees naar het dier met een mageren

vinger.

Bensington was te verbaasd om iets te zeggen... Het leek een ontzettend

langen tijd vóór de Iantaarns kwamen. Eindelijk verschenen zij,

eerst één helder, onbeweeglijk oog, voorafgegaan door een heen en

weer bewegenden gelen gloed, en toen, nu en dan even verdwijnend en

dan weder tevoorschijn komend, nòg twee. Daar achter kwamen kleine

gestalten aan met zachte stemmen, en toen enorme schaduwen. Deze

groep vormde als het ware één plek brand in het reusachtige droomland

van maneschijn.

"Flack," zeiden de stemmen. "Flack."

Een verklarende zin kwam tot Cossar en Bensington over. "Heeft zichzelf

in het dakkamertje opgesloten."

Cossar wekte van oogenblik tot oogenblik méér verbazing. Hij haalde

groote handen-vol ruw katoen voor den dag, en propte die in zijne

ooren.--Bensington vroeg zich verwonderd af waarvoor dit diende. Toen

laadde hij zijn geweer met een kwart lading kruit. Wie anders dan

Cossar kon aan zoo iets gedacht hebben. De illusie van het wonderland

bereikte zijn hoogtepunt, toen Cossar's twee breede vlakken schoenzool

in het middelste hol verdwenen.

Cossar kroop op handen en voeten met twee geweren die aan weerszijden

achter hem aan sleepten aan een touw, dat vastgemaakt was onder zijn

kin, en zijn meest vertrouwde helper, een kleine donkere man met een

ernstig gezicht, zou hem in de holen volgen, achter hem aan kruipen,

en een lantaarn boven zijn hoofd houden. Alles was met even veel

verstand voorbereid en was éven voor de hand liggend en in orde, als

de droom van een krankzinnige. Het bleek dat het katoen was om het

effect van het geweerschot tegen te gaan; ook de helper had wat in

zijn ooren. Natuurlijk! Zoo lang de ratten voor Cossar uitvluchtten,

was er geen gevaar, en zoodra zij stand hielden, zou hij hun oogen

zien en daar tusschen vuren. En daar zij door den koker van het hol

moesten komen, kòn Cossar ze bijna niet missen. Cossar verklaarde,

dat het de meest voor de hand liggende manier was, misschien een

beetje vervelend, maar absoluut zeker. Toen de helper zich bukte om

naar binnen te kruipen, zag Bensington dat het eind van een kluwen

bindtouw aan het jaspand van den man was vastgebonden. Hiermede moest

hij het touw naar binnen trekken om zoo noodig de lichamen der ratten

naar buiten te sleepen.

Bensington bemerkte dat het voorwerp hetwelk hij in de hand hield,

Cossar's zijden hoed was.

Hoe was die daar gekomen?...

In ieder geval was het een soort souvenir. Bij elk van de aangrenzende

holen stond een klein groepje met een lantaarn op den grond, die het

hol verlichtte, en een man lag voor elk hol geknield te mikken op de

ronde, ledige diepte, wachtend dat er iets zoude uitkomen.

Eindelooze spanning.

Toen hoorden zij Cossar's eerste schot, als een ontploffing in

een mijn...

Elk's zenuwen en spieren spanden zich, en pang! pang! pang! de ratten

hadden geprobeerd weg te komen, en twee waren neergeveld. Toen rukte

de man die het kluwen bindtouw vasthield aan de lijn.

"Hij heeft er daar binnen een neergelegd," zei Bensington, "en hij

heeft het touw noodig."

Hij zag toe hoe het touw het hol inkroop, en het leek wel alsof

er een slangachtig leven in gevaren was--want de duisternis maakte

het bindgaren onzichtbaar. Eindelijk kroop het niet langer voort,

en gebeurde er een heelen tijd niets. Toen kroop er, wat Bensington

het vreemdste monster van alles toeleek, langzaam uit het hol en

ontpopte zich als de kleine werktuigkundige, die er achterwaarts

uitkroop. Achter hem aan en diepe voren ploegend, stak Cossar zijn

voeten naar buiten en toen volgde zijn door den lantaarn verlichten

rug...

Slechts nog één rat was er nu in leven, en deze arme, ten doode

opgeschreven sukkel zat ineengedoken in den versten schuilhoek,

tot Cossar en de lantaarn weder in het gat verdween en het doodde,

en eindelijk deed Cossar, die menschelijke fret, de ronde door al de

holen om zich te vergewissen, dat er niet méér waren.

"We hebben ze," zei hij tot zijn van eerbied bijna stomme

gezelschap. "En als ik niet zoo'n stuipekop geweest was, dan zou

ik me tot op m'n middel uitgekleed hebben. Ligt voor de hand, niet

waar. Voel m'n mouwen es, Bensington! Kletsnat van 't zweet. Maar je

kunt niet an alles tegelijk denken. Alleen een halve flesch whiskey

kan me 'n kou van 't lijf houden."

Het voedsel der Goden en hoe het op Aarde kwam · 第 28 / 103 题