Toen de expeditie zich voldoende ververscht had, was de nacht
gedaald. De sterren schenen zoo helder als zij maar konden, en een
steeds grooter wordende bleekheid in de richting van Hankey kondigde
de maan aan. Nog steeds werd er wacht gehouden bij de rattenholen,
doch de wakers hadden van plaats verwisseld en hadden post gevat
op de heuvelhelling boven de holen, voelend dat dit een veiliger
punt was om te vuren. Zij hurkten daar in de overvloedig vallende
dauw, en bestreden de vochtigheid met whiskey. De anderen bleven in
huis en de drie leiders bespraken met de mannen het werk dat hun
gedurende den nacht voor de borst stond. Tegen middernacht ging
de maan op, en zoodra zij boven de duinen uitkwam, begaven allen,
behalve de schildwachten bij de rattenholen, zich op weg, achter
elkaar loopend, in den ganzenpas, en aangevoerd door Cossar, naar
het wespennest. Voor zoover het 't wespennest betrof, was hun taak
buitengewoon licht--verbàzend licht. Behalve dat 't langer duurde,
had het niet veel meer voeten in de aarde dan het eerste het beste
gewone wespennest. Zeker, er was eenig gevaar bij--levensgevaar nog
wel, doch dit stak zelfs het hóófd niet buiten het hol. Zij propten
er de zwavel en salpeter in, stopten de holen zorgvuldig dicht en
staken hunne lonten aan.
Toen wendde het geheele gezelschap, behalve Cossar, zich als één man
om en rende dwars door de lange schaduwen der pijnboomen, en ziende
dat Cossar stand gehouden had, kwamen zij een honderd meter verder
tot staan, dicht op elkaar gedrongen, knus dicht bij een greppel,
die een schuilplaats aanbood. Een paar minuten lang was de zwarte en
witte maannacht zwaar van een gesmoord gegons, dat aanzwol tot een
gebrul, tot een diepen breeden klank, zijn hoogtepunt bereikte en
toen weder verstierf; en toen--het was haast niet te gelooven--was
de nacht weder stil.
"Bij den hemel!" zei Bensington, bijna fluisterend, "hij heeft
't klaargespeeld."
Allen stonden in spanning. De heuvelhelling boven het donkere
naald-kantwerk van de schaduwen der pijnboomen was helder als het
daglicht en kleurloos als sneeuw. Het verstijvende cement in de holen
glom zoo waar. Cossar's losse gestalte kwam op hen toe.
"Klaar hoor"--zei Cossar.
"Pang--pang!"
Een schot van dicht bij het huis en toen--stilte.
"Wat is dàt?" zei Bensington.
"Een van de ratten zal z'n kop naar buiten gestoken hebben," opperde
een van de mannen.
"Tusschen twee haakjes, we hebben onze geweren ginds gelaten,"
zei Redwood.
"Bij de zakken."
Iedereen begon weer den kant van den heuvel uit te loopen.
"Dat moeten de ratten zijn," zei Bensington.
"Ligt voor de hand," zei Cossar, op zijn nagels bijtend.
"Pang!"
"Hallo?" zei één van de mannen.
Toen klonken er plotseling een roep, twee schoten, een luiden
schreeuw die bijna een gil was, drie snel op elkaar volgende schoten
en het geluid van hout dat versplinterde. Al deze geluiden waren zeer
duidelijk en zeer klein in de onmetelijke stilte van den nacht. Toen
eenige minuten lang niets dan een zacht, gedempt verward geluid uit
de richting der rattenholen, en toen weder een woeste gil... allen
liepen om 't hardst naar de geweren... Weer twee schoten.
Bensington holde met het geweer in de hand door het pijnbosch achter
een aantal voor hem uithollende ruggen aan. Het is eigenaardig dat de
gedachte, die op dat oogenblik den boventoon voerde in zijn brein,
de wensch was, dat nicht Jeanne hem nu eens kon zien. Zijn bolle
opengewerkte schoenen sloegen uit in wilde groote passen en zijn
gezicht was vertrokken tot een voortdurende grijns, omdat dit zijn
neus deed rimpelen en zijn bril op zijn plaats hield. Ook hield hij
den loop van zijn geweer recht voor zich uit, terwijl hij daar door
het plekken-werpende maanlicht holde. De man die weggeloopen was,
kwam hen in vollen ren tegen--hij had zijn geweer laten vallen.
"Hallo," zei Cossar, en ving hem op in zijn armen. "Wat heeft dit
te beduiden?"
"Ze kwamen er allemaal samen uit," zei de man.
"De ratten?"
"Ja, zes waren 't er."
"Waar is Flack?"
"Die ligt ginds."
"Wat zegt ie?" hijgde Bensington, die kwam aanloopen zonder dat iemand
op hem lette.
"Ligt Flack ginds?"
"Hij viel."
"Ze kwamen er een voor een uit."
"Wat?"
"Deden een uitval. Ik loste m'n beide loopen."
"En heb je Flack daar alleen achtergelaten?"
"Zij zaten ons op 't lijf."
"Vooruit," zei Cossar. "Jij gaat met ons mee. Waar is Flack? Breng
ons er heen."
Het geheele gezelschap ging op weg. Verdere bijzonderheden omtrent
het gevecht ontvielen den man die weggeloopen was. De anderen,
behalve Cossar die voorop ging, verdrongen zich om hem.
"Waar zijn ze nou?"
"Misschien al weer in hun holen. Ik smeerde 'n 'm. Ze renden op ons
in om bij hun holen te kommen."
"Wat bedoel je? Waren jelui dan achter ze gekomen?"
"Wij gingen naar hun hol. Zagen ze d'r uit kommen, en probeerden
ze den pas af te snijden. Ze kropen d'r uit--net als konijnen. Wij
holden naar beneden, en brandden los. Zij liepen wild in 't rond na ons
eerste schot, en toen kwamen ze plotseling op ons af. Op ons àf, hoor!"
"Hoeveel?"
"Zes of zeven."
Cossar ging vóór naar den rand van het pijnbosch en hield stil.
"Bedoel je dat ze Flack gepakt hebben?" vroeg iemand.
"'k Zag wel dat er een op 'em afkwam."
"Schoot je niet?"
"Hoe kon ik dat nou?"
"Heeft iedereen geladen?" zei Cossar over zijn schouder. Van alle
kanten werd toestemmend geantwoord.
"Maar Flack--" zei er een.
"Je wilt toch niet zeggen dat Flack--" begon een tweede.
"Er is geen tijd te verliezen," zei Cossar en riep luid
"Flack!" terwijl hij vóórging. De geheele gewapende macht ging op
de rattenholen toe, de man die weggeloopen was een beetje in de
achterhoede. Zij gingen voorwaarts door allerlei soorten welig,
overdreven-groot onkruid en liepen om het lichaam van de tweede
gedoode rat heen. Zij waren uitgespreid tot een lijn, waarbij elke
man dicht bij zijn buurman liep; allen liepen met hun geweer recht
voor zich uit en gluurden om zich heen in het heldere maanlicht, of
ze niet een ineengedoken, onheilspellende gestalte zagen. Zij vonden
zeer spoedig het geweer van den man die weggeloopen was.
"Flack!" riep Cossar. "Flack!"
"Hij liep voorbij de netels en viel toen," zei de man die weggeloopen
was.
"Waar?"
"Daar ginds."
"Waar viel hij?"
Hij aarzelde en leidde hen een tijdlang door de donkere schaduwen en
keerde toen om.
"Zoowat daar, geloof ik."
"Zoo, maar nu is hij er toch niet meer."
"Maar zijn geweer dan--?"
"Bliksems nog an toe!" vloekte Cossar, "maar waar is dan alles
gebleven?" Hij deed een schrede in de richting der donkere schaduwen op
de heuvelhelling die de rattenholen verborg en bleef staan kijken. Toen
stootte hij nogmaals een vloek uit, "àls ze hem naar binnen gesleept
hebben--!"
En aldus bleven zij een tijdlang dralen, elkaar hunne gedachtetjes
toewerpend. Bensington's brilleglazen schoten stralen uit als
diamanten, als hij van den een naar den ander keek. De gezichten der
mannen veranderden van koude helderheid tot geheimzinnige duisternis,
naarmate zij zich van of naar de maan keerden. Iedereen sprak,
doch geen van allen maakten zij een zin af. Toen besloot Cossar,
met zijn korte manier van optreden, wat hij doen moest. Hij gooide
zijn ledematen hierheen en daarheen en gooide er bevelen uit als
ballen. Het lag voor de hand, dat hij lampen noodig had. Iedereen
behalve Cossar liep heen in de richting van het huis.
"Ga je in de holen?" vroeg Redwood.
"Ligt voor de hand," zei Cossar.
Hij maakte het hun nog eens duidelijk dat de lantaarns van de kar en
de trolley gehaald moesten worden.
Toen Bensington dit ten volle begreep, ging hij op weg, het pad bij
den put af. Hij keek over zijn schouder en zag de reusachtige gestalte
van Cossar op den voorgrond staan, alsof hij in gedachten verzonken
naar de holen stond te kijken. Op dit gezicht bleef Bensington een
oogenblik staan en wendde zich half om. "Zij lieten Cossar daar maar
alleen staan--!"
Natuurlijk, Cossar was wel in staat voor zichzelven te
zorgen. Plotseling zag Bensington iets dat hem een ademloos
"Hier!" deed uitschreeuwen. In een oogwenk hadden drie ratten zich
uit den donkeren warbos van slingerplanten losgemaakt en kwamen op
Cossar toeschieten. Drie seconden lang stond Cossar daar, zonder hen
op te merken, en toen werd hij plotseling het actiefste wezen ter
wereld. Hij schoot niet. Klaarblijkelijk had hij geen tijd om te
mikken, of dacht hij niet aan mikken; Bensington zag dat hij zich
bukte om een hem bespringende rat te ontgaan, en gaf het dier toen
een slag achter zijn kop met de kolf van zijn geweer. Het monster
sprong in de hoogte en viel over zijn kop duikelend op den grond.
Cossar's gedaante verdween uit het gezicht tusschen het rietachtige
gras, en toen kwam hij weder te voorschijn, op een van de andere
ratten inrennend en zijn geweer boven zijn hoofd zwaaiend. Een
zwakke kreet trof Bensington's oor, en toen zag hij de twee overige
ratten in verschillende richtingen wegloopen en Cossar hen achterna
in de richting der holen. Het geheele voorval was in nevelachtige
schaduwen gehuld; alle drie vechtende monsters werden nog grooter
en onwerkelijker gemaakt door de bedriegelijke helderheid van het
licht. Nu eens was Cossar kolossaal, dan weder onzichtbaar. De ratten
schoten voor zijn oog heen met plotselinge onverwachte sprongen, of
renden met zulk een snelle beweging der pooten, dat zij op raderen
leken te gaan. Het geheele voorval was afgespeeld in een halve
minuut. Niemand anders dan Bensington zag het. Hij kon de andere
achter zich hooren nog steeds op weg naar het huis. Hij schreeuwde
iets onsamenhangends en liep toen terug naar Cossar, terwijl de
ratten verdwenen.
Hij bereikte hem buiten de holen. In het maanlicht duidde het spelen
der schaduwen, die over Cossar's gezicht gleden, kalmte aan. "Hallo,"
zei Cossar, "al terug? Waar zijn de Iantaarns? Ze zijn nu allemaal
weer in hun holen. Eén heb ik z'n nek gebroken toen ie langs me heen
kwam... Zie je? daar!" En hij wees naar het dier met een mageren
vinger.
Bensington was te verbaasd om iets te zeggen... Het leek een ontzettend
langen tijd vóór de Iantaarns kwamen. Eindelijk verschenen zij,
eerst één helder, onbeweeglijk oog, voorafgegaan door een heen en
weer bewegenden gelen gloed, en toen, nu en dan even verdwijnend en
dan weder tevoorschijn komend, nòg twee. Daar achter kwamen kleine
gestalten aan met zachte stemmen, en toen enorme schaduwen. Deze
groep vormde als het ware één plek brand in het reusachtige droomland
van maneschijn.
"Flack," zeiden de stemmen. "Flack."
Een verklarende zin kwam tot Cossar en Bensington over. "Heeft zichzelf
in het dakkamertje opgesloten."
Cossar wekte van oogenblik tot oogenblik méér verbazing. Hij haalde
groote handen-vol ruw katoen voor den dag, en propte die in zijne
ooren.--Bensington vroeg zich verwonderd af waarvoor dit diende. Toen
laadde hij zijn geweer met een kwart lading kruit. Wie anders dan
Cossar kon aan zoo iets gedacht hebben. De illusie van het wonderland
bereikte zijn hoogtepunt, toen Cossar's twee breede vlakken schoenzool
in het middelste hol verdwenen.
Cossar kroop op handen en voeten met twee geweren die aan weerszijden
achter hem aan sleepten aan een touw, dat vastgemaakt was onder zijn
kin, en zijn meest vertrouwde helper, een kleine donkere man met een
ernstig gezicht, zou hem in de holen volgen, achter hem aan kruipen,
en een lantaarn boven zijn hoofd houden. Alles was met even veel
verstand voorbereid en was éven voor de hand liggend en in orde, als
de droom van een krankzinnige. Het bleek dat het katoen was om het
effect van het geweerschot tegen te gaan; ook de helper had wat in
zijn ooren. Natuurlijk! Zoo lang de ratten voor Cossar uitvluchtten,
was er geen gevaar, en zoodra zij stand hielden, zou hij hun oogen
zien en daar tusschen vuren. En daar zij door den koker van het hol
moesten komen, kòn Cossar ze bijna niet missen. Cossar verklaarde,
dat het de meest voor de hand liggende manier was, misschien een
beetje vervelend, maar absoluut zeker. Toen de helper zich bukte om
naar binnen te kruipen, zag Bensington dat het eind van een kluwen
bindtouw aan het jaspand van den man was vastgebonden. Hiermede moest
hij het touw naar binnen trekken om zoo noodig de lichamen der ratten
naar buiten te sleepen.
Bensington bemerkte dat het voorwerp hetwelk hij in de hand hield,
Cossar's zijden hoed was.
Hoe was die daar gekomen?...
In ieder geval was het een soort souvenir. Bij elk van de aangrenzende
holen stond een klein groepje met een lantaarn op den grond, die het
hol verlichtte, en een man lag voor elk hol geknield te mikken op de
ronde, ledige diepte, wachtend dat er iets zoude uitkomen.
Eindelooze spanning.
Toen hoorden zij Cossar's eerste schot, als een ontploffing in
een mijn...
Elk's zenuwen en spieren spanden zich, en pang! pang! pang! de ratten
hadden geprobeerd weg te komen, en twee waren neergeveld. Toen rukte
de man die het kluwen bindtouw vasthield aan de lijn.
"Hij heeft er daar binnen een neergelegd," zei Bensington, "en hij
heeft het touw noodig."
Hij zag toe hoe het touw het hol inkroop, en het leek wel alsof
er een slangachtig leven in gevaren was--want de duisternis maakte
het bindgaren onzichtbaar. Eindelijk kroop het niet langer voort,
en gebeurde er een heelen tijd niets. Toen kroop er, wat Bensington
het vreemdste monster van alles toeleek, langzaam uit het hol en
ontpopte zich als de kleine werktuigkundige, die er achterwaarts
uitkroop. Achter hem aan en diepe voren ploegend, stak Cossar zijn
voeten naar buiten en toen volgde zijn door den lantaarn verlichten
rug...
Slechts nog één rat was er nu in leven, en deze arme, ten doode
opgeschreven sukkel zat ineengedoken in den versten schuilhoek,
tot Cossar en de lantaarn weder in het gat verdween en het doodde,
en eindelijk deed Cossar, die menschelijke fret, de ronde door al de
holen om zich te vergewissen, dat er niet méér waren.
"We hebben ze," zei hij tot zijn van eerbied bijna stomme
gezelschap. "En als ik niet zoo'n stuipekop geweest was, dan zou
ik me tot op m'n middel uitgekleed hebben. Ligt voor de hand, niet
waar. Voel m'n mouwen es, Bensington! Kletsnat van 't zweet. Maar je
kunt niet an alles tegelijk denken. Alleen een halve flesch whiskey
kan me 'n kou van 't lijf houden."