Dit geval deed het gezelschap op zijn hoede zijn, hoewel het er niet
buitengewoon ontdaan over was.
Zij brachten hun provisie in het huis, dat blijkbaar ondersteboven
gehaald was door de ratten, nadat juffrouw Skinner het verlaten had, en
vier van de mannen brachten de twee paarden naar Hickleybrow terug. Zij
sleepten de doode rat door de heg, zóó dat zij van uit de vensters
van het huis goed te zien was, en bemerkten toevallig een kolonie
reuzen-oorwormen in de greppel. Deze dieren gingen haastig uit elkaar,
doch Cossar stak zijn ontzettende ledematen uit en slaagde er in,
er verscheidene te dooden met zijn laarzen en geweer-kolf. Vervolgens
hakten twee der mannen verscheidene hoofd-stammen van het kanarie-kruid
door--dit waren reusachtige cylinders van een paar voet in doorsnede,
die uitkwamen bij den zinkput achter het huis; en terwijl Cossar het
huis voor den nacht in orde bracht, liepen Bensington, Redwood en een
der bijstand-verleenende electriciens behoedzaam om de kippenrennen
heen, zoekend naar de rattenholen.
Zij maakten een wijden boog om de reuzen-brandnetels heen, want dit
reusachtig onkruid bedreigde hen met giftige doornen van ruim een
duim lang.
Vervolgens kwamen zij aan gene zijde van het afgeknaagde, onttakelde
hek, en stonden plotseling voor het meest westelijk-gelegen reusachtige
ratten-hol--, een kwalijk-riekende diepte,--dat hen op éen rij deed
gaan staan.
"Ik hoop dat zij te voorschijn zullen komen", zeide Redwood met een
blik naar het afdak van den put.
"En als ze er eens niet uitkomen," zei Bensington.
"Dat zullen ze wel," zei Redwood.
Zij bleven in gedachten verzonken staan.
"We zullen op de een of andere manier vuur moeten aanmaken àls we er
in gaan," zeide Redwood.
Zij gingen een klein paadje van wit zand op, door het dennenbosch,
en hielden een oogenblik later stand in het gezicht der wespen-holen.
De zon ging nu onder, en de wespen kwamen allen naar huis; hun vleugels
vormden in het gouden licht snel-ronddraaiende stralen-kransen om hen
heen. De drie mannen keken behoedzaam toe van onder de boomen--zij
waagden het niet tot aan den rànd van het bosch te gaan--en zagen
deze kolossale insecten neerkomen, een beetje rondkruipen, de holen
binnengaan en verdwijnen.
"Binnen een paar uur zijn ze kalm," zei Redwood... "'t Is net of je
weer een jongen bent."
"We kunnen deze holen niet misloopen," zei Bensington, "al is de
nacht ook donker. Tusschen twee haakjes--hoe moet het met 't licht"--
"Volle maan," zei de electricien. "Heb 't opgezocht."
Zij gingen terug en raadpleegden Cossar.
Hij zeide, dat 't "voor de hand lag", dat ze voor 't schemer de zwavel,
salpeter en gips 't bosch doorbrachten en derhalve ontlaadden zij de
wagens en droegen de zakken op hun rug.
Na het noodige geschreeuw der voorafgaande orders werd er geen woord
meer gesproken, en toen het gezoem uit het wespen-nest verstierf,
was er bijna geen ander geluid te hooren dan het gedruisch van
voetstappen, de zware ademhaling van beladen mannen en het neerwerpen
der zakken. Om beurten hielp ieder een handje behalve Bensington
die hier klaarblijkelijk ongeschikt voor was. Hij vatte post in de
slaapkamer der Skinners met een geweer, om het lijk der doode rat te
bewaken en de andere droegen om beurten zakken en rustten dan weder,
en hielden twee aan twee de wacht bij de ratten-holen achter het
brandnetel-boschje. De zaadbolletjes der netels waren rijp, en telkens
werd hun waken verlevendigd door het opengaan van een dezer bolletjes,
wat precies klonk als het knallen van een pistool, en de zaadkorrels,
zoo groot als hertenloopers, vlogen overal om hen heen.
Bensington zat voor zijn venster in een harden paardenharen leunstoel,
waarover een smoezelige anti-macasser lag, die gedurende vele jaren
een tikje van maatschappelijke distinctie gegeven had aan de huiskamer
der Skinners.
Zijn geweer, waaraan hij zoo weinig gewoon was, rustte op het kozijn,
en zijn bril keek nu eens naar de duistere gestalte der doode rat
in het steeds-meer-dalende schemerduister, dan weer om zich heen,
in vreemde overpeinzingen. Er was een flauwe stank van petroleum,
want een van de vaten lekte, en deze lucht vermengde zich met een
minder onaangenamen geur, die opsteeg uit den afgehakten en vertreden
stengel van het kanariekruid.
Als hij het hoofd omwendde herinnerde een mengeling van vage
huiselijke geuren, van bier, kaas, rotte appels en oude laarzen
als leidmotieven, hem sterk aan de verdwenen Skinners. Hij keek een
tijdje lang rond in het duistere vertrek. Het meubilair was zeer in
wanorde gebracht--misschien wel door de een of andere nieuwsgierige
rat--doch een jas aan een pen, tegen de deur, een scheermes en enkele
vuile strookjes papier, en een stukje zeep dat tot een hoornachtigen
dobbelsteen geworden was doordat het sedert jaren niet meer gebruikt
werd, dit alles rook naar Skinner's marquante persoonlijkheid.
De gedachte kwam in Bensington's brein op, dat hoogstwaarschijnlijk
het monster, dat daar nu in het halfduister lag, Skinner gedood en
opgegeten had, tenminste gedeeltelijk, iets waarvan hij den geheelen
omvang nog niet overdacht had.
Waar toch een er-onschuldig-uitziende ontdekking op chemisch gebied
al niet toe leiden kon!
Hier zat hij nu, in zijn eenvoudige, oude Engeland, en toch aan
alle zijden belaagd door gevaren, geheel alleen met een geweer
in een halfduister, bouwvallig huis, ver van elk gemak, met zijn
schouder deerlijk gekneusd door het stooten van een geweer, en--bij
alle heiligen!
Hij begreep nu eerst ten volle hoezeer de gewone orde van zaken van
het Heelal voor hem veranderd was. Hij was weggegaan naar de plaats
van dit verbazingwekkende avontuur, zonder er zelfs met één woord
van te reppen tegen zijn nicht Jeanne!
Wat moest zij wel van hem denken?
Hij trachtte zich dit voor te stellen, doch het gelukte hem niet. Hij
had het vreemde gevoel, dat hij en zij nu voor altijd gescheiden
waren, en elkander nooit weer zouden zien. Hij gevoelde, dat hij een
verbazenden stap gedaan had, en een wereld van nieuwe onmetelijke
dingen had betreden. Wat voor monsters konden die steeds duisterder
wordende schaduwen niet verbergen?... De toppen der reuzen-netels
staken donker en scherp af tegen het bleeke groen en amber van de lucht
in het westen. Alles was heel stil--heel, heel stil. Hij verwonderde
zich waarom hij de anderen niet kon hooren daar ginds om den hoek
van het huis. De schaduw in het karrehuis was nu één zwarte diepte.
Pang... pang... pang.
Een keten van echoos en een schreeuw.
Toen lange stilte.
Goddank! daar kwamen Redwood en Cossar opdoemen uit de onhoorbare
duisternis, en Redwood riep "Bensington!"
"Bensington! We hebben wéér 'n rat! Cossar heeft een tweede rat
neergelegd!"