IV.

Dit geval deed het gezelschap op zijn hoede zijn, hoewel het er niet

buitengewoon ontdaan over was.

Zij brachten hun provisie in het huis, dat blijkbaar ondersteboven

gehaald was door de ratten, nadat juffrouw Skinner het verlaten had, en

vier van de mannen brachten de twee paarden naar Hickleybrow terug. Zij

sleepten de doode rat door de heg, zóó dat zij van uit de vensters

van het huis goed te zien was, en bemerkten toevallig een kolonie

reuzen-oorwormen in de greppel. Deze dieren gingen haastig uit elkaar,

doch Cossar stak zijn ontzettende ledematen uit en slaagde er in,

er verscheidene te dooden met zijn laarzen en geweer-kolf. Vervolgens

hakten twee der mannen verscheidene hoofd-stammen van het kanarie-kruid

door--dit waren reusachtige cylinders van een paar voet in doorsnede,

die uitkwamen bij den zinkput achter het huis; en terwijl Cossar het

huis voor den nacht in orde bracht, liepen Bensington, Redwood en een

der bijstand-verleenende electriciens behoedzaam om de kippenrennen

heen, zoekend naar de rattenholen.

Zij maakten een wijden boog om de reuzen-brandnetels heen, want dit

reusachtig onkruid bedreigde hen met giftige doornen van ruim een

duim lang.

Vervolgens kwamen zij aan gene zijde van het afgeknaagde, onttakelde

hek, en stonden plotseling voor het meest westelijk-gelegen reusachtige

ratten-hol--, een kwalijk-riekende diepte,--dat hen op éen rij deed

gaan staan.

"Ik hoop dat zij te voorschijn zullen komen", zeide Redwood met een

blik naar het afdak van den put.

"En als ze er eens niet uitkomen," zei Bensington.

"Dat zullen ze wel," zei Redwood.

Zij bleven in gedachten verzonken staan.

"We zullen op de een of andere manier vuur moeten aanmaken àls we er

in gaan," zeide Redwood.

Zij gingen een klein paadje van wit zand op, door het dennenbosch,

en hielden een oogenblik later stand in het gezicht der wespen-holen.

De zon ging nu onder, en de wespen kwamen allen naar huis; hun vleugels

vormden in het gouden licht snel-ronddraaiende stralen-kransen om hen

heen. De drie mannen keken behoedzaam toe van onder de boomen--zij

waagden het niet tot aan den rànd van het bosch te gaan--en zagen

deze kolossale insecten neerkomen, een beetje rondkruipen, de holen

binnengaan en verdwijnen.

"Binnen een paar uur zijn ze kalm," zei Redwood... "'t Is net of je

weer een jongen bent."

"We kunnen deze holen niet misloopen," zei Bensington, "al is de

nacht ook donker. Tusschen twee haakjes--hoe moet het met 't licht"--

"Volle maan," zei de electricien. "Heb 't opgezocht."

Zij gingen terug en raadpleegden Cossar.

Hij zeide, dat 't "voor de hand lag", dat ze voor 't schemer de zwavel,

salpeter en gips 't bosch doorbrachten en derhalve ontlaadden zij de

wagens en droegen de zakken op hun rug.

Na het noodige geschreeuw der voorafgaande orders werd er geen woord

meer gesproken, en toen het gezoem uit het wespen-nest verstierf,

was er bijna geen ander geluid te hooren dan het gedruisch van

voetstappen, de zware ademhaling van beladen mannen en het neerwerpen

der zakken. Om beurten hielp ieder een handje behalve Bensington

die hier klaarblijkelijk ongeschikt voor was. Hij vatte post in de

slaapkamer der Skinners met een geweer, om het lijk der doode rat te

bewaken en de andere droegen om beurten zakken en rustten dan weder,

en hielden twee aan twee de wacht bij de ratten-holen achter het

brandnetel-boschje. De zaadbolletjes der netels waren rijp, en telkens

werd hun waken verlevendigd door het opengaan van een dezer bolletjes,

wat precies klonk als het knallen van een pistool, en de zaadkorrels,

zoo groot als hertenloopers, vlogen overal om hen heen.

Bensington zat voor zijn venster in een harden paardenharen leunstoel,

waarover een smoezelige anti-macasser lag, die gedurende vele jaren

een tikje van maatschappelijke distinctie gegeven had aan de huiskamer

der Skinners.

Zijn geweer, waaraan hij zoo weinig gewoon was, rustte op het kozijn,

en zijn bril keek nu eens naar de duistere gestalte der doode rat

in het steeds-meer-dalende schemerduister, dan weer om zich heen,

in vreemde overpeinzingen. Er was een flauwe stank van petroleum,

want een van de vaten lekte, en deze lucht vermengde zich met een

minder onaangenamen geur, die opsteeg uit den afgehakten en vertreden

stengel van het kanariekruid.

Als hij het hoofd omwendde herinnerde een mengeling van vage

huiselijke geuren, van bier, kaas, rotte appels en oude laarzen

als leidmotieven, hem sterk aan de verdwenen Skinners. Hij keek een

tijdje lang rond in het duistere vertrek. Het meubilair was zeer in

wanorde gebracht--misschien wel door de een of andere nieuwsgierige

rat--doch een jas aan een pen, tegen de deur, een scheermes en enkele

vuile strookjes papier, en een stukje zeep dat tot een hoornachtigen

dobbelsteen geworden was doordat het sedert jaren niet meer gebruikt

werd, dit alles rook naar Skinner's marquante persoonlijkheid.

De gedachte kwam in Bensington's brein op, dat hoogstwaarschijnlijk

het monster, dat daar nu in het halfduister lag, Skinner gedood en

opgegeten had, tenminste gedeeltelijk, iets waarvan hij den geheelen

omvang nog niet overdacht had.

Waar toch een er-onschuldig-uitziende ontdekking op chemisch gebied

al niet toe leiden kon!

Hier zat hij nu, in zijn eenvoudige, oude Engeland, en toch aan

alle zijden belaagd door gevaren, geheel alleen met een geweer

in een halfduister, bouwvallig huis, ver van elk gemak, met zijn

schouder deerlijk gekneusd door het stooten van een geweer, en--bij

alle heiligen!

Hij begreep nu eerst ten volle hoezeer de gewone orde van zaken van

het Heelal voor hem veranderd was. Hij was weggegaan naar de plaats

van dit verbazingwekkende avontuur, zonder er zelfs met één woord

van te reppen tegen zijn nicht Jeanne!

Wat moest zij wel van hem denken?

Hij trachtte zich dit voor te stellen, doch het gelukte hem niet. Hij

had het vreemde gevoel, dat hij en zij nu voor altijd gescheiden

waren, en elkander nooit weer zouden zien. Hij gevoelde, dat hij een

verbazenden stap gedaan had, en een wereld van nieuwe onmetelijke

dingen had betreden. Wat voor monsters konden die steeds duisterder

wordende schaduwen niet verbergen?... De toppen der reuzen-netels

staken donker en scherp af tegen het bleeke groen en amber van de lucht

in het westen. Alles was heel stil--heel, heel stil. Hij verwonderde

zich waarom hij de anderen niet kon hooren daar ginds om den hoek

van het huis. De schaduw in het karrehuis was nu één zwarte diepte.

Pang... pang... pang.

Een keten van echoos en een schreeuw.

Toen lange stilte.

Goddank! daar kwamen Redwood en Cossar opdoemen uit de onhoorbare

duisternis, en Redwood riep "Bensington!"

"Bensington! We hebben wéér 'n rat! Cossar heeft een tweede rat

neergelegd!"

Het voedsel der Goden en hoe het op Aarde kwam · 第 27 / 103 题