VI.

Er waren oogenblikken in dezen wondervollen nacht waarin het Bensington

toescheen, dat hij voorbestemd was voor een leven van fantastische

avonturen. Dit was voornamelijk wel een uur lang het geval nadat

hij een flink glas whiskey gedronken had. "'k Ga niet terug naar

Sloanestreet," deelde hij den langen, blonden, groezeligen monteur

in vertrouwen mede.

"Niet?"

"Waarachtig niet," zei Bensington, somber het hoofd schuddend.

De inspanning die het sleepen van de zeven doode ratten naar den

brandstapel bij het brandnetelboschje van hem vereischte, deed hem

baden in zweet, en Cossar wees op de voor de hand liggende physieke

reactie van whiskey om hem te behoeden voor de anders onvermijdelijke

kou.

Ze hielden een soort van roovers-souper in de oude met tegels bevloerde

keuken, terwijl de rij doode ratten tegen de kippeloopen buiten lag in

het maanlicht en na ongeveer een half uur slaap, wekte Cossar hen allen

weder om het werk, dat nog gedaan moest worden, te verrichten. "'t

Ligt voor de hand dat we de plaats met den grond gelijk moeten maken,"

zei hij. "Geen rommel, en geen schandaal. Snap je?" Hij haalde hen

over tot zijn idee om de verwoesting volkomen te maken. Zij sloegen en

versplinterden ieder stukje hout in huis; zij legden paden van gehakt

hout overal waar de ontzaglijke plantengroei opschoot; zij maakten

een brandstapel voor de rattenlijken, en overgoten ze met petroleum.

Bensington werkte als een polderjongen, die weet wat hem te doen

staat. Hij bereikte zijn toppunt van vroolijkheid en energie tegen twee

uur. Als hij in het verwoestingswerk een bijl zwaaide, ontvluchtte

zelfs de dapperste zijn nabijheid. Daarna kalmeerde hij een beetje

door het tijdelijk verlies van zijn bril, die de anderen eindelijk

vonden in den zijzak van zijn jas. Mannen liepen af en aan--vuile,

nijvere mannen. Cossar bewoog zich tusschen hen als een god.

Bensington dronk diep van die vreugde, die men vindt in elkaars

gezelschap, die zegevierende legers en stoere expedities leeren

kennen,--doch nooit zij, die het leven van eerzaam burger in steden

leiden. Nadat Cossar hem zijn bijl had afgenomen, en hem aan het

hout-dragen gezet had, liep Bensington af en aan, zeggend dat ze

allemaal "goeie kerels" waren. Hij werkte dóór, nog lang nadat hij

vermoeidheid begon te voelen.

Eindelijk was alles in gereedheid en werd er begonnen met het

openbreken der petroleum-vaten. De maan, nu beroofd van haar toch

reeds niet talrijk nachtelijk gevolg van sterren, scheen hoog boven

den dageraad.

"Verbrand alles," zei Cossar, af en aan loopend--"verbrand den grond

en alles wat er op staat of groeit."

Bensington kreeg hem in 't oog; Cossar zag er nu zeer mager en

vreesaanjagend uit in het eerste bleeke aanlichten van den dageraad,

voorbijhollend met vooruitstekende onderkaak, en een walmend zwam in

de hand.

"Vooruit, kom mee!" zei iemand, aan Bensington's arm trekkend.

De stille dageraad--er zongen daar geen vogels--was plotseling vervuld

met een rumoerig geknapper; een klein, dof rood vlammetje lekte om

de basis van den brandstapel, werd blauw toen het den grond raakte,

en begon van blad tot blad tegen den stam van een reuzennetel op te

klimmen. Een zangerig geluid vermengde zich met het geknapper...

Zij grepen haastig hunne geweren uit den hoek van de woonkamer der

Skinners, en toen holden allen weg. Cossar kwam achter hen aan met

zware reuzenpassen...

Nu stonden allen te kijken naar de Proef-Hoeve.

Langzamerhand vatte alles vlam; de rook en de vlammen stortten naar

buiten als een menigte in een paniek, uit deuren en vensters en uit

duizend spleten en reten van het dak. Cossar wist wel hoe hij een

vuurtje moest stoken! Een groote rookkolom waaruit bloedroode tongen

en uitschietende vuurstralen te voorschijn kwamen, schoot op ten

hemel. Het was alsof er een ontzaglijke reus plotseling opstond, zich

uitrekte en op eens zijn reuzenarmen over den hemel uitspreidde. Het

dompelde hen weder in het duister en verbleekte geheel den gloed

der zon die er achter opging. Geheel Hickleybrow bemerkte spoedig

den ontzaglijken rookkolom, en kwam aangeloopen naar den heuveltop,

in allerlei vormen van déshabillé om hen te zien terugkeeren. Achter

hen, als een fantastische fungus [3] zwaaide en vervormde zich deze

rookkolom, al hooger en hooger de lucht in--en deed de heuvelen

laag lijken en alle andere voorwerpen klein, en op den voorgrond,

aangevoerd door Cossar volgden de stichters van dezen brand, het pad,

acht kleine donkere gestalten die moe, met het geweer op schouder,

de weide doorkwamen.

Toen Bensington omkeek, kwam er in zijn moede brein een welbekend

gezegde op, en bleef daar hangen. Wat was het ook? "Ge hebt vandaag

ontstoken--? Ge hebt vandaag ontstoken?--"

Toen herinnerde hij zich Latimer's woorden: "wij hebben heden een

licht ontstoken in Engeland, dat niemand ooit weder blusschen kan--"

Wàt 'n man was die Cossar! Hij bewonderde zijn rug een tijdje en was

er trotsch op, dien hoed vastgehouden te hebben. Trotsch! Hoewel

hij een beroemd navorscher was en Cossar slechts aan toegepaste

wetenschap deed.

Plotseling begon hij te huiveren en vreeselijk te geeuwen en wenschte,

dat hij warm ingestopt in zijn bed lag op zijn kleine bovenhuis,

dat uitzag op Sloanestreet. Aan nicht Jeanne te denken ging heelemaal

niet meer. Zijn beenen waren strengen katoen geworden, en zijn voeten

van lood. Hij verwonderde er zich over of er iemand in Hickleybrow

hun koffie zou kunnen verschaffen. Hij was gedurende drie en dertig

jaren nooit een heelen nacht opgebleven.

Het voedsel der Goden en hoe het op Aarde kwam · 第 29 / 103 题