Er waren oogenblikken in dezen wondervollen nacht waarin het Bensington
toescheen, dat hij voorbestemd was voor een leven van fantastische
avonturen. Dit was voornamelijk wel een uur lang het geval nadat
hij een flink glas whiskey gedronken had. "'k Ga niet terug naar
Sloanestreet," deelde hij den langen, blonden, groezeligen monteur
in vertrouwen mede.
"Niet?"
"Waarachtig niet," zei Bensington, somber het hoofd schuddend.
De inspanning die het sleepen van de zeven doode ratten naar den
brandstapel bij het brandnetelboschje van hem vereischte, deed hem
baden in zweet, en Cossar wees op de voor de hand liggende physieke
reactie van whiskey om hem te behoeden voor de anders onvermijdelijke
kou.
Ze hielden een soort van roovers-souper in de oude met tegels bevloerde
keuken, terwijl de rij doode ratten tegen de kippeloopen buiten lag in
het maanlicht en na ongeveer een half uur slaap, wekte Cossar hen allen
weder om het werk, dat nog gedaan moest worden, te verrichten. "'t
Ligt voor de hand dat we de plaats met den grond gelijk moeten maken,"
zei hij. "Geen rommel, en geen schandaal. Snap je?" Hij haalde hen
over tot zijn idee om de verwoesting volkomen te maken. Zij sloegen en
versplinterden ieder stukje hout in huis; zij legden paden van gehakt
hout overal waar de ontzaglijke plantengroei opschoot; zij maakten
een brandstapel voor de rattenlijken, en overgoten ze met petroleum.
Bensington werkte als een polderjongen, die weet wat hem te doen
staat. Hij bereikte zijn toppunt van vroolijkheid en energie tegen twee
uur. Als hij in het verwoestingswerk een bijl zwaaide, ontvluchtte
zelfs de dapperste zijn nabijheid. Daarna kalmeerde hij een beetje
door het tijdelijk verlies van zijn bril, die de anderen eindelijk
vonden in den zijzak van zijn jas. Mannen liepen af en aan--vuile,
nijvere mannen. Cossar bewoog zich tusschen hen als een god.
Bensington dronk diep van die vreugde, die men vindt in elkaars
gezelschap, die zegevierende legers en stoere expedities leeren
kennen,--doch nooit zij, die het leven van eerzaam burger in steden
leiden. Nadat Cossar hem zijn bijl had afgenomen, en hem aan het
hout-dragen gezet had, liep Bensington af en aan, zeggend dat ze
allemaal "goeie kerels" waren. Hij werkte dóór, nog lang nadat hij
vermoeidheid begon te voelen.
Eindelijk was alles in gereedheid en werd er begonnen met het
openbreken der petroleum-vaten. De maan, nu beroofd van haar toch
reeds niet talrijk nachtelijk gevolg van sterren, scheen hoog boven
den dageraad.
"Verbrand alles," zei Cossar, af en aan loopend--"verbrand den grond
en alles wat er op staat of groeit."
Bensington kreeg hem in 't oog; Cossar zag er nu zeer mager en
vreesaanjagend uit in het eerste bleeke aanlichten van den dageraad,
voorbijhollend met vooruitstekende onderkaak, en een walmend zwam in
de hand.
"Vooruit, kom mee!" zei iemand, aan Bensington's arm trekkend.
De stille dageraad--er zongen daar geen vogels--was plotseling vervuld
met een rumoerig geknapper; een klein, dof rood vlammetje lekte om
de basis van den brandstapel, werd blauw toen het den grond raakte,
en begon van blad tot blad tegen den stam van een reuzennetel op te
klimmen. Een zangerig geluid vermengde zich met het geknapper...
Zij grepen haastig hunne geweren uit den hoek van de woonkamer der
Skinners, en toen holden allen weg. Cossar kwam achter hen aan met
zware reuzenpassen...
Nu stonden allen te kijken naar de Proef-Hoeve.
Langzamerhand vatte alles vlam; de rook en de vlammen stortten naar
buiten als een menigte in een paniek, uit deuren en vensters en uit
duizend spleten en reten van het dak. Cossar wist wel hoe hij een
vuurtje moest stoken! Een groote rookkolom waaruit bloedroode tongen
en uitschietende vuurstralen te voorschijn kwamen, schoot op ten
hemel. Het was alsof er een ontzaglijke reus plotseling opstond, zich
uitrekte en op eens zijn reuzenarmen over den hemel uitspreidde. Het
dompelde hen weder in het duister en verbleekte geheel den gloed
der zon die er achter opging. Geheel Hickleybrow bemerkte spoedig
den ontzaglijken rookkolom, en kwam aangeloopen naar den heuveltop,
in allerlei vormen van déshabillé om hen te zien terugkeeren. Achter
hen, als een fantastische fungus [3] zwaaide en vervormde zich deze
rookkolom, al hooger en hooger de lucht in--en deed de heuvelen
laag lijken en alle andere voorwerpen klein, en op den voorgrond,
aangevoerd door Cossar volgden de stichters van dezen brand, het pad,
acht kleine donkere gestalten die moe, met het geweer op schouder,
de weide doorkwamen.
Toen Bensington omkeek, kwam er in zijn moede brein een welbekend
gezegde op, en bleef daar hangen. Wat was het ook? "Ge hebt vandaag
ontstoken--? Ge hebt vandaag ontstoken?--"
Toen herinnerde hij zich Latimer's woorden: "wij hebben heden een
licht ontstoken in Engeland, dat niemand ooit weder blusschen kan--"
Wàt 'n man was die Cossar! Hij bewonderde zijn rug een tijdje en was
er trotsch op, dien hoed vastgehouden te hebben. Trotsch! Hoewel
hij een beroemd navorscher was en Cossar slechts aan toegepaste
wetenschap deed.
Plotseling begon hij te huiveren en vreeselijk te geeuwen en wenschte,
dat hij warm ingestopt in zijn bed lag op zijn kleine bovenhuis,
dat uitzag op Sloanestreet. Aan nicht Jeanne te denken ging heelemaal
niet meer. Zijn beenen waren strengen katoen geworden, en zijn voeten
van lood. Hij verwonderde er zich over of er iemand in Hickleybrow
hun koffie zou kunnen verschaffen. Hij was gedurende drie en dertig
jaren nooit een heelen nacht opgebleven.