En toen: "hebben jellui 'em?"

Een besef van de plichten der vriendschap ontwaakte in Redwood. "Is

meneer Bensington gewond?" vroeg hij.

De man binnen verstond hem niet goed. "'t Is jullie schuld zèker niet,

dat ik nog leef" zeide de stem.

Het werd Redwood steeds duidelijker, dat 't niet anders kon, of hij

had Bensington neergeschoten. Hij dacht niet langer aan de schrammen

in zijn gezicht, stond op en vond Bensington op den grond zitten,

zijn schouder wrijvend.

Bensington keek hem over zijn bril aan. "We hebben 'em smeer gegeven,

Redwood", zeide hij en toen: "hij probeerde over me heen te springen,

en gooide me omver. Maar ik gaf 'm allebei de loopen, en goeie hemel,

m'n schouder is murw."

Er verscheen een man in de deur van het huis. "Eéns raakte ik 'm in

zijn borst en eens in z'n zij," zeide hij.

"Waar zijn de wagens?" zeide Cossar, te voorschijn komend uit een

warbos van reusachtige kanariekruid-bladen.

Het bleek tot Redwood's verbazing, ten eerste, dat er niemand

doodgeschoten was, en ten tweede dat de trollen en de wagen wel een

vijftig pas verplaatst waren, en nu met ineengeloopen wielen in den

verwoesten moestuin van Skinner stonden.

De paarden hadden opgehouden met slaan en steigeren. Een eind

verder lag het gebarsten vat zwavel op het pad met een wolk van

stof er boven. Hij vestigde Cossar's aandacht hierop en ging er

naar toe. "Heeft een van jullie die rat ook gezien?" brulde Cossar,

hem volgend. "Ik raakte hem éénmaal tusschen z'n ribben, en éénmaal

recht in zijn facie toen hij op me afkwam."

Terwijl zij nog bezig waren om de in elkaar gewerkte raderen te

trekken, voegden juist twee mannen zich bij hen.

"Ik heb die rat neergelegd," zeide een van hen.

"Hebben ze 'em?" vroeg Cossar.

"Jim Bates heeft 'm gevonden, achter de heg. Ik raakte 'm net toen

hij om den hoek kwam...."

"Pats, achter zijn schouder......"

Toen de zaken weder een beetje op orde waren, ging Redwood eens kijken

naar het kolossale, wanstaltige lijk. Het dier lag op zijn zijde,

met lichtelijk gekromd lijf. Zijn knaagtanden, die uitstaken over

de onderkaak, gaven aan zijn gezicht een uitdrukking van zwakheid

bij al zijn grootte en vraatzucht. Het leek niet in 't minst woest of

vrees-aanjagend. De klauwen der voorpooten deden denken aan vermagerde

handen. Behalve een klein rond gaatje met een geschroeiden rand er

om heen aan weerszijden van den hals, was het dier volkomen ongedeerd.

Hij bleef hierover eenigen tijd staan peinzen.

"Dan moeten er twéé ratten geweest zijn," zeide hij eindelijk,

zich afwendend.

"Ja, en die, die iedereen geraakt heeft,--is ontsnapt."

"Ik weet anders zeker dat mijn schot......"

Een kanariekruid-rank, die op de geheimzinnige manier van alle

kruipplanten naar een houvast zocht, boog zich allervriendelijkst

naar zijn hals, en deed hem haastig ter zijde gaan.

"Whoe-z-z-z-z-z-z-Z-Z-Z", klonk het uit het wespennest, een eind

verder, "whoe-oe-zoe-oe."

Het voedsel der Goden en hoe het op Aarde kwam · 第 26 / 103 题