II.

Wederom werkten de metselaars en timmerlieden aan den Dom te

Aken. Vlijtig werd er voortgegaan om het verzuimde in te halen, en

de voltooiing van de Munsterkerk naderde steeds meer en meer. Drie

jaren waren intusschen verstreken en de dag brak aan, waarop de

nieuwe godstempel ingewijd zou worden. Die inwijdingsdag zou een

feestdag worden voor de stad Aken. Tallooze wereldlijke en geestelijke

heeren waren verschenen en menigeen prees het prachtige godshuis, de

milddadigheid van de burgers en de wijsheid van den prijzenswaardigen

raad. Deze echter bevond zich in groote verlegenheid. Zeer wijselijk

had geen der waardige vaders iets van het verdrag, met den Satan

verteld; slechts een van hen had het in een zwak uur aan zijn vrouw

opgebiecht. En sedert dat uur werd het geheim wel aan honderd ooren

ingefluisterd.

Zoo kwam het, dat op den dag der inwijding zeer vele eerwaarde abten

en prelaten, alsook talrijke ridders en heeren met begrijpelijken

angst het uur tegemoet zagen, waarop de feestelijke stoet zich naar

de Munsterkerk zou begeven.

Een vreemde optocht was het, de vaandels wapperden, de fanfares

schetterden, maar de menschen in de schitterende wapenrustingen en

veelkleurige prachtige ornaten zagen er zeer onrustig uit. En menig

bezorgd gelaat keek angstig naar den hemel of daar wellicht plotseling

een magere gestalte met een duivelachtig gezicht, paardenvoeten en

vleermuisachtige vleugels zou komen toeschieten.

Daar kwam op eens beweging onder de menigte. Door de open ruimte in

de processie, kwamen, van hun overwicht bewust, de waardige vaders

der stad. Voor hen uit schreden vier reusachtige landsknechten en

hielden met krachtige hand een bedekte kooi omvat.

De abt van St. Florian had een listig plan verzonnen om den Booze

te verschalken.

De stoet had de Munsterkerk bereikt en de eersten, die voor het

Godshuis stonden, waren de vier mannen met de kooi. Nu trekt een van

hen het omhulsel er af en voor het traliewerk laat een huilende wolf

de tanden zien. Terwijl de beide anderen door een fermen stoot met de

hellebaard de vleugeldeuren naar binnen openwerpen, jaagt de vierde met

zijn spies het gevangen dier in de geopende kerk. Daarbinnen weerklinkt

een helsch lawaai; achter den ingang verscholen, had de Booze loerend

zijn prooi afgewacht en was begeerig het dier nageijld. Op hetzelfde

oogenblik stiet hij woedende kreten uit, daar hij zich verschalkt

zag. Snuivend ging hij achter den armen wolf aan, brak hem den nek

en stoof onder het slaken van vele verwenschingen weg. De lucht was

door zwavelachtige dampen verduisterd.

Beneden echter, in de hallen der kerk, verdrong zich de volksmenigte,

die bij klokkenspel en trompetgeschal de goedheid des Heeren prees.

Sagen van den Rijn(#15163) · 第 113 / 114 题