Wederom werkten de metselaars en timmerlieden aan den Dom te
Aken. Vlijtig werd er voortgegaan om het verzuimde in te halen, en
de voltooiing van de Munsterkerk naderde steeds meer en meer. Drie
jaren waren intusschen verstreken en de dag brak aan, waarop de
nieuwe godstempel ingewijd zou worden. Die inwijdingsdag zou een
feestdag worden voor de stad Aken. Tallooze wereldlijke en geestelijke
heeren waren verschenen en menigeen prees het prachtige godshuis, de
milddadigheid van de burgers en de wijsheid van den prijzenswaardigen
raad. Deze echter bevond zich in groote verlegenheid. Zeer wijselijk
had geen der waardige vaders iets van het verdrag, met den Satan
verteld; slechts een van hen had het in een zwak uur aan zijn vrouw
opgebiecht. En sedert dat uur werd het geheim wel aan honderd ooren
ingefluisterd.
Zoo kwam het, dat op den dag der inwijding zeer vele eerwaarde abten
en prelaten, alsook talrijke ridders en heeren met begrijpelijken
angst het uur tegemoet zagen, waarop de feestelijke stoet zich naar
de Munsterkerk zou begeven.
Een vreemde optocht was het, de vaandels wapperden, de fanfares
schetterden, maar de menschen in de schitterende wapenrustingen en
veelkleurige prachtige ornaten zagen er zeer onrustig uit. En menig
bezorgd gelaat keek angstig naar den hemel of daar wellicht plotseling
een magere gestalte met een duivelachtig gezicht, paardenvoeten en
vleermuisachtige vleugels zou komen toeschieten.
Daar kwam op eens beweging onder de menigte. Door de open ruimte in
de processie, kwamen, van hun overwicht bewust, de waardige vaders
der stad. Voor hen uit schreden vier reusachtige landsknechten en
hielden met krachtige hand een bedekte kooi omvat.
De abt van St. Florian had een listig plan verzonnen om den Booze
te verschalken.
De stoet had de Munsterkerk bereikt en de eersten, die voor het
Godshuis stonden, waren de vier mannen met de kooi. Nu trekt een van
hen het omhulsel er af en voor het traliewerk laat een huilende wolf
de tanden zien. Terwijl de beide anderen door een fermen stoot met de
hellebaard de vleugeldeuren naar binnen openwerpen, jaagt de vierde met
zijn spies het gevangen dier in de geopende kerk. Daarbinnen weerklinkt
een helsch lawaai; achter den ingang verscholen, had de Booze loerend
zijn prooi afgewacht en was begeerig het dier nageijld. Op hetzelfde
oogenblik stiet hij woedende kreten uit, daar hij zich verschalkt
zag. Snuivend ging hij achter den armen wolf aan, brak hem den nek
en stoof onder het slaken van vele verwenschingen weg. De lucht was
door zwavelachtige dampen verduisterd.
Beneden echter, in de hallen der kerk, verdrong zich de volksmenigte,
die bij klokkenspel en trompetgeschal de goedheid des Heeren prees.