Eens toen Karel de Groote, keizer der Franken zijn paleis te Aken
verliet en een rijtoer maakte, moet zijn paard luid hinnekend zijn
poot snel teruggetrokken hebben uit een bron in het bosch, waarin
het getrapt had. Toen de ruiter nieuwsgierig afsteeg en de hand in
het water stak, moet hij de warme bron ontdekt hebben, die naderhand
duizenden zegen aanbracht. Dankbaar erkende de vrome keizer in deze
heilbron een welwillend geschenk van de Voorzienigheid, en hij nam
het besluit hier ter eere van den Heer een huis te bouwen. Aan den
hoef van het paard zou de rondbouw der kerk herinneren. Met frisschen
moed werd spoedig aan het bouwen van den trotschen tempel begonnen,
en verheugd zag de bejaarde keizer de muren van de Munsterkerk
verrijzen. Haar voltooiing zag hij niet meer.
Treurig werkte dit op de bouwlieden. Karel de Groote had het machtigste
rijk van het Westen aan een zwakken zoon nagelaten, die tegen zijn
eigen kinderen het zwaard moest trekken, teneinde het recht op den
troon te behouden.
Toen bleef veel onvoltooid, wat de reuzenhand van Karel den Grooten
begonnen was. Ook de bouw der Munsterkerk werd gestaakt. Eenzaam
lag het bouwterrein daar, onvoltooid staken de muren en torens
omhoog. Tevergeefs beriep de eerzame overheid zich op de liefdadigheid
van de christelijke medemenschen, karig kwamen de gaven in, en nooit
waren zij toereikend om de Munsterkerk te voltooien.
Zeer dikwijls zaten de raadsleden bij elkaar, en beraadslaagden hoe
den drukkenden geldnood te verhelpen en de voltooiing der Munsterkerk
te volbrengen. Goede raad was even duur als het materiaal waarvan men
kerken bouwt. Toen zij weder eens in het raadhuis bij elkaar zaten,
liet een vreemde heer zich aandienen. Hij had den edelachtbaren raad
gewichtige zaken mee te deelen. Hij werd binnen gebracht en deelde
niets minder mee, dan dat hij den waarden raad van de stad Aken
het geld ter voltooiing van den Dom voor zou schieten. Wantrouwend
zagen de waardige heeren naar den vreemd gekleeden spreker met het
bijzondere gezicht met den puntbaard; deze echter liet zich door
de schuwe blikken niet in de war brengen maar herhaalde vrijmoedig,
doch beleefd zijn aanbod.
"Ik zou u gaarne uit uw tijdelijke geldverlegenheid helpen, hoogedele
Heeren en begeer niet eens terugbetaling van de duizenden, die ik
U aanbied. (Hier trokken de edelachtbare raadsleden de wenkbrauwen
op en spitsten de ooren.) En, opdat uw trots mijn leening niet af
zou slaan, stel ik slechts een kleinigheid tot voorwaarde: n.l. dat,
wanneer de bouw volbracht is, de eerste, die op den dag der inwijding
de kerk betreedt, mij met lijf en ziel zal toebehooren."
Toen sprongen de wijze heeren ontsteld van hun zetels op en velen
maakten eerbiedig een kruis; want wie anders, dan de duivel kon zulk
een helschen eisch stellen.
De edelachtbare burgemeester keek reeds zeer vertoornd "Ga van ons,"
mompelde hij, "gij, die slechts ergernis te weeg brengt."
Rustig en kalm stond de satan daar.
"Laat mij een vroom woord uit den Bijbel op dezelfde
wijze beantwoorden. Waarom zijt gij zoo vreesachtig, gij
kleingeloovigen? Overweegt of ik vermetel ben, omdat ik één ziel voor
mij bedongen heb, terwijl het krijgszwaard vlamt tusschen vader en
zoons, tusschen broeders en duizenden voor de nuttelooze eerzucht
opgeofferd worden. Daar worden door een mensch duizenden geofferd,
terwijl zich hier voor aller welzijn slechts een enkele behoeft op
te offeren." Zegevierend flikkerde het oog van den vreemd gekleeden
spreker; want op de trekken van de wijze raadsheeren las hij een
goedgunstig antwoord. Het aantal der besluiteloozen werd met de
minuut kleiner, tot eindelijk ook de laatste geen gewetensbezwaar
meer koesterde. De overeenkomst kwam tot stand en de vreemde nam met
een triomfantelijk lachje afscheid, terwijl de waardige heeren met
een beklemd hart op de beloofde som wachtten. Zij kwam nog denzelfden
dag, onvervalscht en goed van gehalte en er heerschte groote vreugde
in den hoogen Raad van de stad Aken.