III.

Ondertusschen trok de gefopte duivel, terwijl hij gruwelijke

verwenschingen slaakte, door het land van Aken. Dat men hem met een

ellendige ziel van een wolf beetgenomen had, zou de inwoners van Aken

berouwen. Hij was intusschen aan de zee gekomen en toen hij zoo spijtig

en boos van het gele duinstrand naar den grijzen vloed keek, kwam hij

op een helsche gedachte. Hij wilde hen allen begraven, de prelaten,

ridders, mannetjes en vrouwtjes van Aken.

Met een torsenen ruk trok hij een zandberg van den oever los, laadde

hem op zijn schouders en aanvaardde den terugtocht naar Aken. Maar

de weg was zeer lang, zoodat de duivel het vreeselijk warm kreeg en

den wind vervloekte, die hem voortdurend een stofregen van zand in

de oogen joeg. Hij was reeds aan het Soerserdal gekomen en hield daar

buiten adem stil. Zelfs den duivel kan menige last te zwaar worden.

Een oud, verschrompeld vrouwtje, dat op den weg voorbij strompelde,

keek wantrouwend naar den lastdrager met zijn vreemden last. Zij

wilde onbemerkt voorbij gaan, maar de andere hield haar aan en vroeg

hoe ver de weg naar Aken nog was. Toen eerst heeft het vrouwtje hem

aandachtiger aangekeken en haar gerimpeld gelaat nam een ernstige

uitdrukking aan, alsof haar opeens een hooger licht opging. Zij had

geen twee en zeventig jaar moeten tellen om in den knorfigen man

niet den werkelijken Satan te kerkennen, en te raden, dat hij tegen

de waardige stad Aken wat slechs in den zin had. Terstond heeft de

oude dan ook een verdrietig gezicht getrokken, en op klagenden toon

geantwoord:

"Dan zijt gij er slecht aan toe, waarde heer. De weg naar Aken is

zeer lang. Ziet gij hoe mijn schoenen, die ik vanmorgen juist van

den schoenmaker ontvangen heb, door de lange wandeling versleten zijn?"

De duivel stiet een nijdigen vloek uit, schudde den zandberg van zich

af en trok, onder het slaken van een gruwelijke verwensching tegen de

stad Aken, af. Het oude vrouwtje maakte een kruis en was zeer verheugd

de eerwaarde stad Aken dicht voor de poorten--het was volstrekt niet

ver meer naar Aken--van een groot gevaar bevrijd te hebben.

Nog altijd ligt deze zandberg daar, waar een oude vrouw den duivel te

listig, volgens de taal van die streek "los" af was, zoodat de berg

tot op heden "Losberg" heet. Ook het aandenken aan het arme wolfje,

dat in de klauwen van den duivel viel, hebben de inwoners van Aken in

de ijzeren deur van hun Dom vereeuwigd. Ook in de vleugeldeuren ziet

men nog de spleet, die daarin ontstaan zou zijn, toen de vertoornde

vorst der hel in machtelooze woede de kerkdeur achter zich dichtsloeg.

Sagen van den Rijn(#15163) · 第 114 / 114 题