Ondertusschen trok de gefopte duivel, terwijl hij gruwelijke
verwenschingen slaakte, door het land van Aken. Dat men hem met een
ellendige ziel van een wolf beetgenomen had, zou de inwoners van Aken
berouwen. Hij was intusschen aan de zee gekomen en toen hij zoo spijtig
en boos van het gele duinstrand naar den grijzen vloed keek, kwam hij
op een helsche gedachte. Hij wilde hen allen begraven, de prelaten,
ridders, mannetjes en vrouwtjes van Aken.
Met een torsenen ruk trok hij een zandberg van den oever los, laadde
hem op zijn schouders en aanvaardde den terugtocht naar Aken. Maar
de weg was zeer lang, zoodat de duivel het vreeselijk warm kreeg en
den wind vervloekte, die hem voortdurend een stofregen van zand in
de oogen joeg. Hij was reeds aan het Soerserdal gekomen en hield daar
buiten adem stil. Zelfs den duivel kan menige last te zwaar worden.
Een oud, verschrompeld vrouwtje, dat op den weg voorbij strompelde,
keek wantrouwend naar den lastdrager met zijn vreemden last. Zij
wilde onbemerkt voorbij gaan, maar de andere hield haar aan en vroeg
hoe ver de weg naar Aken nog was. Toen eerst heeft het vrouwtje hem
aandachtiger aangekeken en haar gerimpeld gelaat nam een ernstige
uitdrukking aan, alsof haar opeens een hooger licht opging. Zij had
geen twee en zeventig jaar moeten tellen om in den knorfigen man
niet den werkelijken Satan te kerkennen, en te raden, dat hij tegen
de waardige stad Aken wat slechs in den zin had. Terstond heeft de
oude dan ook een verdrietig gezicht getrokken, en op klagenden toon
geantwoord:
"Dan zijt gij er slecht aan toe, waarde heer. De weg naar Aken is
zeer lang. Ziet gij hoe mijn schoenen, die ik vanmorgen juist van
den schoenmaker ontvangen heb, door de lange wandeling versleten zijn?"
De duivel stiet een nijdigen vloek uit, schudde den zandberg van zich
af en trok, onder het slaken van een gruwelijke verwensching tegen de
stad Aken, af. Het oude vrouwtje maakte een kruis en was zeer verheugd
de eerwaarde stad Aken dicht voor de poorten--het was volstrekt niet
ver meer naar Aken--van een groot gevaar bevrijd te hebben.
Nog altijd ligt deze zandberg daar, waar een oude vrouw den duivel te
listig, volgens de taal van die streek "los" af was, zoodat de berg
tot op heden "Losberg" heet. Ook het aandenken aan het arme wolfje,
dat in de klauwen van den duivel viel, hebben de inwoners van Aken in
de ijzeren deur van hun Dom vereeuwigd. Ook in de vleugeldeuren ziet
men nog de spleet, die daarin ontstaan zou zijn, toen de vertoornde
vorst der hel in machtelooze woede de kerkdeur achter zich dichtsloeg.