III.

Maar een hevige zwaarmoedigheid was sedert het laatste avontuur over

den Dombouwmeester gekomen. Nog meer dan vroeger zag men hem op de

steigers en ladders. Geheele uren bracht hij in somber gepeins door. Nu

hij zijn tegenpartij, waarmede hij zich vermeten had te strijden,

kende--wie zou het anders kunnen zijn, dan de duivel in persoon--was

hij zich van het gevaar, waarin hij en zijn onsterfelijke ziel zich

bevond, bewust.

Dikwijls, nadat er eenige minuten van angstig nadenken voorbij gegaan

waren, vloog er een gimlach over zijn trekken. Hij haalde diep adem,

terwijl hij vol moed bij zich zelf zeide:

"Hij zal zijn weddenschap niet winnen, ik weet waarom."

De jeugdige gade was zeer neergedrukt door het vreemdsoortige gedrag

van den meester. Zijn geslotenheid behaagde haar geenszins. Tevergeefs

beproefden haar koozende lippen den zwijgenden mond van haar peinzenden

echtgenoot het geheim te ontrukken, dat zijn tong bewaarde. Niet

ongaarne ontvingen de lippen des meesters den rijken schat der

vrouwelijke teederheid, maar op alle smeekbeden en verzekeringen van

de door nieuwsgierigheid geprikkelde vrouw, glimlachten zij slechts

bitter en spraken evenveel over het geheim als de oesters over hun

schalen. Op een dag trad een rondtrekkend magister het huis van den

bouwmeester binnen, toen deze juist bij den Dombouw vertoefde.

Een scharlaken mantel omhulde de rechtopgaande gestalte en lustig

woei de hanenveer van de zwart fluweelen baret. Zeer minzaam gedroeg

de vreemdeling zich, zijn voorkomen was zeer aangenaam en vriendelijk

waren zijn woorden. Hij wilde den meester bezoeken en daar hij hem

niet thuis trof, voerde hij een onderhoudend gesprek met zijn jonge

vrouw. Spoedig klonken de woorden minder terughoudend van de lippen

der bedeesde vrouw. Veel medegevoel en een warm hart vond zij bij den

vreemdeling. Innige deelneming betoonde hij de veronachtzaamde gade,

en tot dank deelde zij hem onder zuchten en klachten mede, hoe de

achterdocht zich tusschen haar en haar echtgenoot geplaatst had,

sedert hij een geheim verborg, dat hem veel verdriet veroorzaakte.

Merkbaar trokken de wenkbrauwen zich samen, onmerkbaar spitsten zich

de ooren van den troostbrengenden vreemdeling.

"Evenals elk bestaan kennis van de elementaire grondstoffen vereischt,

zoo is uw gemaal slechts dan te helpen, wanneer gij zijn geheim kent,"

deelde de rondtrekkende man op gewichtigen toon mede. "Beproef,

schoone vrouw, door de spraakzaamheid uwer lippen en de macht

uwer bekoorlijkheden in een aangenaam minneuurtje het hart en het

vertrouwen van den meester te winnen, opdat zijn mond verrade, wat

zijn hart verbergt. Dan kan ik u helpen en zult gij de gelukkigste

vrouw in het heilige Keulen worden."

De vrouw deed wat haar bevolen was, maar onmachtig kaatsten de pijlen

der verleidster op de halsstarrige stilwijgendheid van den man af. Drie

dagen na zijn eerste bezoek verscheen, de magister opnieuw.

"Daar gij geen succes gehad hebt, onwaardige Eva's dochter, heb ik

nog een ander middel, doch ik vrees, dat gij het versmaden zult."

Door hevige nieuwsgierigheid gekweld, verzocht de vrouw den geleerden

magister dringend zich te verklaren.

"Welnu, dan zal ik spreken," roept deze plechtig uit. "Medelijden

vereischt de vrouw en dubbel medelijden zij haar geschonken. Ik ken

een vreemdsoortig kruidje. Daaruit zal ik uw heer gemaal een drankje

brouwen. Hij zal dan 's nachts droomen; zijn droom zal hem verraden,

en gij kent zijn geheim."

Vol dank nam zij de gave uit de hand van den vreemden magister

aan. 's Avonds schonk zij het drankje in en reikte het haar

gemaal. Meester Gerhard zonk uit de omarmingen zijner teedere gade

in een vasten slaap. Spoedig werd de slaper onrustig. Zijn mond

deed onverstaanbare woorden hooren. Angstig luisterde zijn wakende

vrouw. Met de scherpzinnigheid, die haar geslacht eigen is, kwam

ze weldra achter de beteekenis der onsamenhangende woorden van den

droomer en wist spoedig van de onzalige weddenschap, die meester

Gerhard met den Satan in eigen persoon gesloten had.

"Hij zal zijn weddenschap nooit winnen," fluisterde de slaper,

"ik ken zijn geheim."

"En wat mag dat zijn?" vroeg met kloppend hart iemand van het geslacht,

aan wie de slang destijds den appel bood.

"Hij kan doen, wat hij wil," ging de meester voort. "Nooit zal een

eend uit het onderaardsche kanaal zwemmen, indien hij daarin niet op

elk kwartier afstands luchtgaten aanbrengt. Maar de duivel zal nooit

op deze gedachte komen."

Den volgenden morgen verscheen bij het aanbreken van den

dag--nauwelijks had de meester zijn huis verlaten--de rondtrekkende

magister. Getrouw deelde de vrouw hem mede, wat zij gehoord had. Toen

liet de man in den vuurrooden mantel een zegevierenden lach hooren

en verdween. Bleek en angstig bleef de praatzieke vrouw van den

meester achter.

Sagen van den Rijn(#15163) · 第 108 / 114 题