IV.

Meester Gerhard stond bovenop de Domkerk. Donkere onweerswolken

kwamen aan den kant van den Rijn opzetten. De bouwmeester spoorde

de werklieden tot spoed aan. De lucht was zwoel. Daar werd een hand

loodzwaar op zijn schouder gelegd. Opgeschrikt uit aangename droomen

over de toekomst wendde hij zich om, en zijn gelaat werd plotseling

doodsbleek. Achter hem stond de duivel in scharlaken gewaad, de zwarte

baret met de wapperende hanenveer versierd. Hij had een zegevierende

uitdrukking op het gelaat. Zwijgend wees hij naar beneden; aan den

voet van den Dom was een beekje zichtbaar, snaterend zwom een eend

in dit water en werd door meerdere gevolgd.

Toen greep woede en vertwijfeling meester Gerhard aan. Verloren was

de weddenschap en de ziel. Grijnzend keek de duivel toe en opende de

klauwachtige handen.

"Nooit zult ge mij levend hebben!" roept meester Gerhard gillend uit

en stort zich in de diepte.

Ratelende donderslagen maken zijn doodskreet onhoorbaar. Vreeselijk

woedt het weer. De verlichte hemel gelijkt een vuurzee. De brandklok

luidt in den toren--de bliksem was in het huis van den bouwmeester

van den Dom geslagen.

De vlammen vernietigden de ontwerpen van den bekwamen meester, en

eeuwenlang bleef de reusachtige Dom onvoltooid. Het werk treurde over

zijn oprichter, verlaten waren de gewelven, onvoltooid de grootsche

torens. De inwoners van Keulen beweerden, de de geest van meester

Gerhard 's nachts klagend om den Dom zweefde. Toornig verweet hij

den volgenden geslachten, dat hun laksheid het reuzenwerk, dat de

scheppende kracht van vroegere tijden met steenen mond verkondigde,

onvoltooid liet Ongehoord sterft de vertwijfelde klacht van de schim

weg. Andere geslachten komen en verdwijnen weder. En eindelijk werd

werkelijkheid, wat niemand ooit had durven hopen. Voltooid stond de

Dom in zijn vorstelijke pracht daar, als het meest grootsche godshuis

van Duitschland.

Sedert dien tijd verscheen meester Gerhard nooit weer. Op de plaats,

waar hij onder de verwenschingen van den vorst der hel in de diepte

stortte, is zijn beeltenis in steen ter eeuwige gedachtenis opgericht.

Sagen van den Rijn(#15163) · 第 109 / 114 题