Meester Gerhard stond bovenop de Domkerk. Donkere onweerswolken
kwamen aan den kant van den Rijn opzetten. De bouwmeester spoorde
de werklieden tot spoed aan. De lucht was zwoel. Daar werd een hand
loodzwaar op zijn schouder gelegd. Opgeschrikt uit aangename droomen
over de toekomst wendde hij zich om, en zijn gelaat werd plotseling
doodsbleek. Achter hem stond de duivel in scharlaken gewaad, de zwarte
baret met de wapperende hanenveer versierd. Hij had een zegevierende
uitdrukking op het gelaat. Zwijgend wees hij naar beneden; aan den
voet van den Dom was een beekje zichtbaar, snaterend zwom een eend
in dit water en werd door meerdere gevolgd.
Toen greep woede en vertwijfeling meester Gerhard aan. Verloren was
de weddenschap en de ziel. Grijnzend keek de duivel toe en opende de
klauwachtige handen.
"Nooit zult ge mij levend hebben!" roept meester Gerhard gillend uit
en stort zich in de diepte.
Ratelende donderslagen maken zijn doodskreet onhoorbaar. Vreeselijk
woedt het weer. De verlichte hemel gelijkt een vuurzee. De brandklok
luidt in den toren--de bliksem was in het huis van den bouwmeester
van den Dom geslagen.
De vlammen vernietigden de ontwerpen van den bekwamen meester, en
eeuwenlang bleef de reusachtige Dom onvoltooid. Het werk treurde over
zijn oprichter, verlaten waren de gewelven, onvoltooid de grootsche
torens. De inwoners van Keulen beweerden, de de geest van meester
Gerhard 's nachts klagend om den Dom zweefde. Toornig verweet hij
den volgenden geslachten, dat hun laksheid het reuzenwerk, dat de
scheppende kracht van vroegere tijden met steenen mond verkondigde,
onvoltooid liet Ongehoord sterft de vertwijfelde klacht van de schim
weg. Andere geslachten komen en verdwijnen weder. En eindelijk werd
werkelijkheid, wat niemand ooit had durven hopen. Voltooid stond de
Dom in zijn vorstelijke pracht daar, als het meest grootsche godshuis
van Duitschland.
Sedert dien tijd verscheen meester Gerhard nooit weer. Op de plaats,
waar hij onder de verwenschingen van den vorst der hel in de diepte
stortte, is zijn beeltenis in steen ter eeuwige gedachtenis opgericht.