II.

Sedert dezen dag worden de wolken op het voorhoofd van den bouwmeester

steeds donkerder. Rusteloos doolt hij op de steigers, rusteloos

verricht hij zijn arbeid. Hoe meer hij haar uitbreiding nagaat,

des te meer overvalt hem de angst, dat hij haar nooit volbrengen

zal. Bij het aanbreken van den dag was hij reeds bij zijn werklieden,

en zelfs 's avonds liep hij rond, de vlijtigen prijzende, de luien

berispende. Dikwijls ook staarde hij in de richting van Trier, of

daar niets ongewoons te zien was. Met hoopvolle verbazing bemerkte

hij, dat zijn tegenpartij volstrekt geen moeite scheen te doen,

om de weddenschap te winnen. Niets deed, vermoeden, dat er groote

werken in het Trierer land ondernomen werden.

Reeds begon zijn hoop te herleven. Al won hij niet, dan zou hij toch

in geen geval verliezen, aldus troostte meester Gerhard zich.

Op een dag stond hij op den top van den voltooiden toren. Daar werd een

hand op zijn schouder gelegd. Hij wendde zich verschrikt om. Achter

hem stond de afschuwelijke bouwmeester. Was hij de duivel zelf of

slechts een duivelsche magister van de zwarte kunst?

"Welnu, meester Gerhard, hoe staat het met uw werk? Ik zie, dat gij

rustig voortgaat. Gelukkigerwijs heb ik mijn arbeid spoedig volbracht,

anders liep ik gevaar mijn weddenschap te verliezen."

"Ik heb bij me zelf gedacht," zegt de meester op spottenden toon,

"dat gij niet al te veel aarde beweegt, om uw kanaal te graven.'"

"Zoo weet dan, waarde neef, dat ik alleen meer volbreng, dan honderd

arbeiders te zamen, en zooals ik u reeds gezegd heb, mijn werk is

bijna klaar." Op lichtgeraakten toon zeide de man in den scharlaken

mantel dit.

"Werkelijk?" Meester Gerhards oogen dwaalden onrustig rond. "Ik zou

wel eens willen weten, met welke helsche kunsten gij dit klaargespeeld

hebt."

"Zooals ge wilt, Neef! Gij behoeft mij slecht te volgen." Hij vat

den meester bij de hand, beneemt hem de zinnen en voert hem door de

lucht. Na eenige minuten betreden zij de aarde. Huiverend herkent de

meester het Land van Trier. Aan zijn voeten ontspringt een bron en

stroomt in een opening der rotsen.

"Kom, oude," zegt de Satan, lachend en terwijl hij zich buigt,

verdwijnt hij onder een rots. Ontsteld volgt meester Gerhard hem. Hij

bevindt zich in een grot der rotsen. Het water van de bron stroomt

kabbelend in een kanaal, welks begin hij aanschouwt.

"Ziet gij, dat ik niet loog en mijn tijd wel besteed heb," zegt de

duivel zegevierend. "Indien gij wilt, volgen de beekjes mij, en kunt

gij zelf oordeelen over datgene, wat ik volbracht heb."

Nauwelijks had hij dit gezegd, toen een geheimzinnige kracht

den bouwmeester aangreep en hem met huiveringwekkende snelheid

voorwaarts duwde. De Satan voorop. Bleek als de dood aanschouwde

de meester het werk. Geen twijfel was meer mogelijk, hij had de

weddenschap verloren. Doffe wanhoop maakte zich van hem meester. Maar

zeldzaam! Reeds na korten tijd nam zijn vertrokken gelaat weer een

rustige uitdrukking aan, het scheen zelfs of er een onderdrukte

glimlach op zijn gelaat speelde.

De uitgang was bereikt: door dezelfde magische kracht, die hem

weggedragen had, voelde meester Gerhard zich weer op de aarde

teruggevoerd.

"Dit is de helft van mijn werk, zeide de Booze, terwijl een grijnzende

lach om zijn lippen speelde. Nu zullen wij de beloofde eenden zien,

lieve Neef!".

Driemaal klapte hij in de handen en beval Gerhard op te letten. Thans,

bijna vroolijk gestemd, luisterde deze oplettend. Minuten

verstreken. Leeg bleef de uitgang van het beekje. Geen eendengesnater

werd hoorbaar.

Nogmaals klapje de Satan in de handen, harder dan den eersten

keer. Weder wachtte hij te vergeefs. Spottend glimlachte de

Domarchitect. Een gillenden kreet stiet de andere uit en verdween,

terwijl meester Gerhard mompelde:

"Nooit zal hij zijn weddenschap winnen. Ik, Gerhard von Ryle ken

alleen de oorzaak."

Sagen van den Rijn(#15163) · 第 107 / 114 题