Jachtfanfares klonken door het woud, dat zich destijds van den voet
van den Godesberg tot aan de poort van Bonn uitstrekte en zeer veel
edel wild bevatte. Evenals vroeger met hun vader, zoo gingen de beide
broeders ook thans gezamenlijk ter jacht. Gaarne had graaf Erich
de uitnoodiging van zijn broer aangenomen. Hartelijk verheugde hij
er zich over, dat de slechte stemming, die hij sedert verscheidene
dagen bij den broeder waargenomen had, verdwenen was. Het scheen,
alsof deze tot inkeer gekomen was en het besluit genomen had, den
vromen wensch zijner ouders te vervullen. Hij deelde zelfs mede,
dat hij plan had, den aartsbisschop in de heilige stad Keulen te
bezoeken en hem den brief te overhandigen, dien zijn vader hem als
een gewichtig geschrift nagelaten had.
Dat verheugde graaf Erich zeer. Welgemoed doorkruiste hij het
dichte struikgewas. Hij was zeer gelukkig op de jacht en had reeds
verscheidene groote evers gespietst, ook een groot hert viel hetzelfde
lot ten deel. Daarentegen trof de broeder slecht. Zijn hand was onvast,
zijn bewegingen verrieden onrust, een zeldzaam vuur schitterde in zijn
oogen. Hij was een prachtigen ever op het spoor, en bereidwillig gaf
de broer aan den wensch om het dier gezamenlijk te vervolgen, gehoor.
Door heg en struik gingen de jagers, vergezeld van de blaffende
honden. Daar ritselt het loover, hijgend baant de ever zich een
weg door het bosch. Suizend snort de jachtspies uit de hand van den
jongsten broer en blijft in de schors van een eik zitten.
"Je hand is meer geschikt om vrome christenen te zegenen," zegt de
oudste schertsend.
"En om mij van lastige broeders te ontdoen," bromt de andere en trekt
bliksemsnel den degen van zijn zijde. Sissend dringt het staal in
de borst van den broeder. Een gil klinkt door het woud, in welks
duisternis de broedermoordenaar verdwijnt. Ontzet snellen de beide
schildknapen toe. Een smartkreet klinkt uit beider mond. De graaf
ligt badende in zijn bloed, met de sluier des doods over de oogen.
De schildknapen buigen zich tot den stervende over.
"Mijn broeder!" In een zucht sterven deze woorden weg. Ontsteld worden
ze door de schildknapen herhaald, en met leedwezen wordt het bericht,
dat de ongelukkige Godesberger door de broederhand gevallen is, in het
Rijnland vernomen. Innig verdriet heerschte er in den Godesburcht, waar
de jonge slotheer in het graf zijner vaderen bijgezet werd. De burcht
bleef verlaten, de naaste verwanten van het adellijke geslacht wilden
hun woning in de gezegende "Rheingau" dicht bij de Palts niet voor de
onzalige vesting verruilen, en zoo woonde daar slechts de poortwachter.
Maar ook hij werd verdreven, want op een nacht sloeg de bliksem
in den toren, en voor dat men van beneden hulp kon bieden, had de
flikkerende straal alles vernield, alleen de zwart gerookte muren
zijn overgebleven. Zoo werd de trotsche Godesburcht een treurige ruïne.