II.

In de hooge zaal van den Godesburcht, keken de portretten der

voorvaderen op de beide broeders neer, die zwijgend den maaltijd

gebruikten. Treurig gestemd zaten de tegenwoordige burchtheer en

zijn jongere broeder tegenover elkaar. Er werd weinig gesproken,

maar de enkele woorden, die de jongste uitte, klonken verbitterd

en ontstemd. Tevergeefs trachtte de oudste het vertoornde gesprek

van den jongeren broeder af te weren. "Ik nam slechts, wat mij als

overoud vaderrecht toekomt," antwoordde hij zacht op de aanklacht van

den anderen. "Ik ben niet heer, maar beheerder van mijn bezitting

en zij, wier beeltenissen op ons neerzien, zouden mij in de andere

wereld vervloeken, als ik mijn erfdeel niet goed beheerde. Voor jou

echter is een hooger erfdeel voor het altaar van den Heer weggelegd,

zelfs een hooge rang zal je bekleeden, zooals je reeds schriftelijk is

toegezegd, wanneer jij, de afstammeling van een doorluchtig geslacht,

een waardig dienaar van den Heer wordt."

Maar toornig valt de broeder hem in de rede: "Nooit buk ik mij voor

den harden dwang, die den oudsten de wapenrusting, den jongsten de

monnikspij oplegt. En al werd mij de bisschopsring en de kardinaalshoed

aangeboden, dan nog wil ik geen priesterkleed dragen, maar het ijzeren

kleed, dat ik tot nu toe gedragen heb."

Treurig hoorde de andere hem aan.

"Dat God uw donker hart moge verlichten. Gaarne zou ik met je deelen,

maar het gebod onzer voorvaderen laat dit niet toe. Daarom onderwerp je

en bedenk, wat hem dreigt, die de heilige gebruiken zijner voorouders

veracht."

Toen werd het stil in de ridderzaal.

Sagen van den Rijn(#15163) · 第 98 / 114 题