IV.

Jaren zijn intusschen verstreken. Uit het woud te Godesberg is destijds

een man geijld, radeloos en angstig, bleek en ontsteld. Gisteren

nog koesterde hij het misdadige verlangen naar de erfenis van zijn

broeder, en heden droeg hij het Kaïnsteeken van zijn broedermoord op

het voorhoofd. Bleek en angstig is hij uit het bosch gevlucht. Het

helsche plan om zijn broeder in enkele minuten uit den weg te ruimen,

dat hij in koelen bloede gesmeed had, is te niet gegaan, toen het

slachtoffer met een smartkreet neerzonk. De moordenaar, wiens hand

gesidderd had, werd door booze geesten verdreven.

Jaren zijn intusschen verstreken.

Daar klopte op een dag een vreemde pelgrim aan het klooster

Heisterbach, dat de vrome monniken van Bernhard in het dal van het

Zevengebergte hadden laten bouwen. Half pelgrim, half bedelaar. Het

gewaad versleten, het gelaat vaal en vervallen, het lichaam gebroken,

zooals wellicht de ziel.

Fluisterend smeekte hij den broeder portier medelijden met hem te

hebben. Hij kwam van de heilige plaatsen en zijn voeten wilden hem

niet verder dragen.

De broeder deelt dit den prior mede, tot wien hij den vreemden

pelgrim geleidt. Zwijgend ziet de prior den man aan, die aan zijn

voeten neerzinkt. Dan komt er plotseling een andere uitdrukking op

zijn oud gelaat.

"Bij God, zijt gij het, ridder--."

Verder komt hij niet. Kermend houdt de ridder zijn knieën omklemd en

smeekt hem, zich zijner te erbarmen.

"Ik ben het, die twintig jaar geleden den broeder in het Godesberger

woud versloeg," klaagt de ongelukkige. "Reeds tweemaal tien jaar boet

ik mijn vervloekte schuld en smeekte als pelgrim aan het heilige

graf, als slaaf in de ketenen der ongeloovigen, Godserbarming over

mij af. Sedert drie maanden vielen de ringen van mijn handen, en met

moeite en zorg ben ik naar mijn vaderland getrokken. Hierheen werd

ik gedreven en u, dienaren Gods, die mij als knaap en als jongeling

gekend hebt, smeek ik om een plaatsje tusschen deze muren, waar ik

de ruïne van Godesberg aan den overkant kan zien, en waar ik boete

kan doen en bidden, totdat de dood mijn arme ziel wegdraagt."

Toen legde de prior de handen zegenend op het hoofd van den armen

zondaar.

Hij heeft boete gedaan en zeer veel gebeden in de eenzame

kloostercel. Vele jaren heeft hij het zondige lichaam gegeeseld en

vol berouw de vloekwaardige daad beweend. Toen is ook tot hem de dood

gekomen, en hebben de monniken van Heisterbach hem onder het zingen

van treurliederen grafwaarts gedragen.

Daar, waar de broedermoord gepleegd is, heeft de aartsbisschop

van Keulen een kruispyramide doen oprichten, en hoeveel er eeuwen

overheen zijn gegaan, zoo staat het sombere "Hochkreuz" nog steeds

op deze plaats.

Sagen van den Rijn(#15163) · 第 100 / 114 题