III.

Verwoed streden in Iberië het kruis en de halve maan om de

heerschappij. Hevige gevechten werden geleverd, veel bloed werd door

de christenen en de ongeloovigen vergoten. Bloedige overwinningen

behaalden de moedige paladijnen van den koning der Franken, het

dapperste echter streed Roland. Zijn zwaard baande den keizer den

zegetocht, het dekte het leger van den keizer, toen het zegevierend

in het onbekende vijandelijke land trok. Het was in Ronceval, in dat

dal, dat naderhand zoovele dichters in het Duitsche en Waalsche land

bezongen hebben. Gescheiden van het hoofdleger, trekt Rolands dappere

achterhoede, tegen het vallen van den avond, langs den boschweg. Daar

klinkt plotseling woest geschreeuw van de hoogten, verwoed vallen

de laffe Mooren het troepje Franken aan. Met heldenmoed vechten

zij. Gelijk een koningsarend vliegt Rolands strijdros Brilliador

nu hier, dan daar heen, en menige schedel der Saracenen wordt door

zijn machtig zwaard Durando gespleten. Maar de overmacht overwon de

dapperheid. Steeds kleiner wordt de schaar der Franken, en nu wordt ook

Roland door een lanssteek van een reusachtigen Moor getroffen. Over

hem heen woedt de woeste strijd. Toen de nacht treurig zijn donkeren

mantel over het slagveld uitspreidde, hadden de ongeloovigen hun

afschuwelijk werk volbracht. De Franken waren verslagen. Slechts

eenigen waren aan den dood ontkomen.

Waar is Roland? klonk de angstige vraag. Hij was niet onder de

geredden. Waar is Roland? vroeg Karel de Groote ontsteld aan de

vermoeide boden. Door het geheele rijk weerklonk het antwoord: Roland

de held viel in den strijd tegen de Saracenen. Overal verwekte deze

treurige tijding oprechte droefheid.

Ook aan den Rijn werd zij vernomen. Op een dag verschenen er

koningsboden op de Drachenburg, die de treurige boodschap overbrachten

en tevens de deelneming van den keizer betuigden. Smartelijk

zuchtte de oude Heribert, terwijl hij de oogen met de hand

bedekte. Hildegonda stiet een vreeselijken gil uit. Hartverscheurend

was haar verdriet. Voor het beeld van de Moeder Gods lag ze snikkend

op de knieën en smeekte om bijstand in haar groote smart. Dagenlang

sloot ze zich in haar kamertje op, en zelfs de woorden van troost, die

de vader haar bood, vermochten het ontzettende leed niet te verzachten.

Nadat er weken verstreken waren, trad het bleeke meisje, op een

dag het vertrek van den ridder binnen, kalmer dan voorheen. Een

bovenaardsche glans lag over haar ernstige trekken. En toen de vader

de knielende naar zich toe trok, deelde zij hem het besluit mede,

dat in haar zwaarbeproefde ziel gerijpt was. Smartelijk hebben de

oogen van graaf Heribert haar aangezien. Vervolgens heeft hij een

kus op haar rein voorhoofd gedrukt.

Toen is de dag aangebroken, waarop de klokken beneden op het eiland

Nonnenwerth plechtig luidden. Voor het altaar knielde gesluierd

een nieuwe novice, de lieftallige dochter van graaf Heribert. In de

heilige stilte van het klooster zocht zij den vrede, dien zij in den

vaderlijken burcht niet vond. Met een laatsten snik had ze den naam

van den geliefde uit het hart verbannen, de vlammen van de treurende

liefde uitgedoofd, en nu moest haar ziel vervuld zijn van het heilige

vuur van reine godsvereering. Te vergeefs hoopte de geknakte vader,

dat de ongewone eenzaamheid van het klooster het besluit van de

geliefde dochter aan het wankelen zou brengen en zij aan het einde

van het proefjaar in zijn armen terug zou keeren. Integendeel; de

godsvruchtige jonkvrouw smeekte den bisschop, die aan het geslacht van

den vader verwant was, de goedheid te hebben haar geen proefjaar op te

leggen en haar reeds na korten tijd toe te staan, de onherroepelijke

belofte voor Hem af te leggen, aan wien ze haar leven gewijd had. Haar

vurige wensch werd vervuld. Toen er een maand verstreken was, vielen

de gouden lokken van Hildegonda's hoofd en door een heilige belofte

verbond de lieftallige dochter van den heer van de Drachenburg zich

voor eeuwig aan den almachtigen God.

Sagen van den Rijn(#15163) · 第 88 / 114 题