II.

Middelerwijl was het nacht geworden. De schitterende maan lichtte hen

door den donkeren boschweg. Zeer vriendelijk heette graaf Heribert,

een statig ridder op gevorderden leeftijd, den ridderlijken neef

van zijn keizerlijken heer welkom op zijn burcht. Totdat het twaalf

uur sloeg, voerden ze in het gezellige vertrek van den slotheer een

onderhoudend gesprek.

Den volgenden morgen stelde graaf Heribert zijn dochtertje Hildegonda

aan den ridder voor. Vol bewondering hing Rolands oog aan de

lieftallige jonkvrouw. Tot nu toe had vrouwelijke lieftalligheid geen

diepen indruk op hem gemaakt. Naar wapenroem en heldenwaagstukken,

naar spel en strijd had zijn ziel steeds gedorst, nu echter had de

tooverstaf der liefde den vermetelen strijder opeens aangeraakt. Hij,

die gevreesde tegenstanders onversaagd in de oogen gezien had, boog het

onvervaarde hoofd in meisjesachtige schuchterheid voor de betoovering

van Hildegonda. Maar ook zij stond, het gelaat met een purperen blos

overtogen, voor den gevierden held, wiens naam een goeden klank aan

den Boven- en Benedenrijn had.

De oude ridder verbrak onmerkbaar de gedrukte stemming. Met een

schertsend woord sneed hij het gesprek der verlegen jongelieden af

en geleidde den gast door de hooge vertrekken van het slot.

Roland bleef langer op de gastvrije Drachenburg, dan hij ooit op

eenig ander slot vertoefd had. Met sterke banden werd hij op den

verrukkelijken burcht gehouden. De liefde ontvlamde in zijn hart en

ook in Hildegonda's reine ziel wierp zij haar verterend vuur, en op

een dag--de schemering spon reeds zilveren draden over de met linden

beschaduwde bank--liet zij hand in hand, oog in oog en mond op mond

rusten en omzweefde juichend, als een zegevierende koningin, hen,

die ze verbonden had.

Gaarne vertrouwde graaf Heribert zijn allerliefst dochtertje aan

den gevierden paladijn toe. In het vooruitzicht van een vroolijke

toekomst maakte hij den verlovingstijd van zijn eenig kind zoo

aangenaam mogelijk. Een burcht zou op de rots tegenover de Drachenburg

verrijzen. Als een trotsche wachttoren zou de toekomstige Rolandsburg

van de steile rots in het prachtige Zevengebergte neerzien. Reeds

stegen haar muren omhoog en dagelijks stonden de verloofden op de

platform van de Drachenburg en keken naar den overkant, waar vlijtige

werklieden timmerden en metselaars hamerden, en de mooie Hildegonda

smeedde schoone plannen voor de toekomstige woning, waar ze den aan

avonturen gewenden ridder en held door trouwe liefde boeien wilde.

Op een dag echter verscheen er een bode op de Drachenburg, gezeten

op een met schuim overdekt paard. De afgevaardigde kwam van het

keizerlijke Worms en berichtte, dat de oom van den ridder, de keizer,

tot de kruistochten tegen de ongeloovigen achter de Pyreneeën besloten

was. Karel wenschte den beproefden paladijn onder zijn legeraanvoerders

te zien optreden. Zwijgend ontving Roland de boodschap van den hoogen

gebieder. Hij keek naar Hildegonda, die mee doodsbleek gelaat naast hem

stond, en een hevige smart kwam over hem. Maar hij moest zijn plicht

nakomen. Hij zegt den koningsbode in het keizerlijke leger aan te

kondigen, dat hij over drie dagen verschijnen zal. Met somber gelaat

wendt hij zich af. Hildegonda werpt zich snikkend aan zijn borst.

Sagen van den Rijn(#15163) · 第 87 / 114 题