Maanden waren er sedert dien tijd verstreken. De lente was voorbij en
de schooven stonden reeds op de velden. Op de plaats, waar de vloed,
aan het einde van het Rijndal gekomen, door zeven trachietreuzen met
door burchten gekroonde hoofden omringd wordt, houdt de ridder met zijn
gevolg stil. Het is nog niet lang geleden, dat hij ver in het Zuiden,
waar de Iberische zon het dal van Ronceval bestraalt, in een armoedige
herdershut ziek gelegen heeft. Daarheen had de trouwe schildknaap
zijn meester, die door een lans van een Moor in de borst getroffen
was, gesleept. Hier had de dappere held en legeraanvoerder weken-
en maandenlang op het ziekbed gelegen en met den dood geworsteld,
totdat zijn krachtige natuur de overwinning behaalde. Roland herstelde
door de liefdevolle verpleging, terwijl hij in het Frankenland als
een doode betreurd werd. Nu was hij teruggesneld naar de plaats,
waarheen hij met geweld getrokken werd. Een boschrijk eiland verheft
zich groetend uit den lichtblauwen vloed. De gouden avondzon schittert
over de bergen. Op den bergrug tallooze druivenstokken, links de
liefelijke beukenboschjes, tot aan de steile kruin opstijgend, rechts
de murmelende golfslag, aan de overzij, ver zichtbaar op de sagenrijke
rots, waar eens een afschuwelijke draak gehuisd had, de muren van
een ridderslot. Hoog boven alles de nacht in gouden sterrengewaad.
Zwijgend staat de ridder stil. Zijn blik rust bewonderend op het
prachtige landschap, evenals maanden geleden, wordt hij week gestemd.
"Hildegonda" fluistert Roland en ziet op naar den met sterren
bezaaiden hemel.
Evenals destijds vaart wederom een schip door de donkere water. Op
den boschweg, die naar de Drachenburg leidt, schrijdt Roland, door
zijn schildknaap vergezeld.
Met doodsbleek gelaat staart de oude slotbewaker naar de late
gasten. Hij maakt een kruis en ijlt in het vertrek van zijn heer. Daar
wankelt een manlijke gestalte, door ouderdom en verdriet gebogen. De
ridder snelt hem tegemoet. "Roland" klinkt het als een steunen van de
verbleekte lippen van den burchtheer. Zwijgend houdt de late bezoeker
den snikkenden ouden heer in de armen gesloten. Toen Roland maanden
geleden wegging, vond zijn verdriet geen tranen, nu vloeiden zij
rijkelijk over zijn door smart ingezonken wangen.
Roland maakt zich uit de omarming van den ridder los.
"Waar is zij?" (Gillend uit hij deze vraag.) "Dood?"
Vreeselijk treurig ziet graaf Heribert hem aan.
"Hildegonda, de bruid van den voor dood gehouden Roland, werd de
bruid des hemels."
Bij het hooren van deze woorden steunde de held luid en verborg vol
smart het hoofd in de handen.
Tegen het aanbreken van den dag heeft hij den burcht verlaten,
gelijk een koningseik, die door den bliksem getroffen is. In den
tegenover gelegen burcht op den rotswand, die door de hoopvolle
liefde in de lente opgebouwd werd, heeft hij zijn intrek genomen,
en daar heeft hij de wapenrusting voor altijd afgelegd. Uitgedoofd
waren de sterren in zijn borst, gestorven de begeerte naar roem. Dag
aan dag heeft hij daar boven gezeten en zwijgend naar het groene
eiland in den Rijn gestaard, waar de non Hildegonda elken morgen in
den kloostertuin tusschen de bloemen wandelde. Soms scheen het hem,
alsof ze zich groetend boog en dan werd het bleeke gelaat van den
ridder door het avondrood van het vroeger stralende geluk opgeklaard.
Daarna werd hem ook dit geluk ontnomen. Op een dag bleef de geliefde
uit, en toen klonk het doodsklokje klagend op het stille eiland. Hij
ziet daar beneden een lijkkist naar het kerkhof dragen en hoort de
treurzangen en gebeden der nonnen. Hij ziet ze allen, slechts eene
ontbreekt. En de held bedekt het gelaat met de handen. Hij weet nu,
wie ze daar grafwaarts dragen.
De herfst kwam en verdorde bladeren woeien over het graf van de non
Hildegonda. Nog altijd zat Roland daar boven en tuurde elken morgen
naar het kerkhof op het eiland. En zoo werd hij op een dag door zijn
schildknaap levenloos gevonden, het gebroken oog op de plaats gericht,
waar de verlorene geliefde sliep.
Nog vele eeuwen versierde de trotsche Rolandsvesting den berg, die nog
steeds Rolandseck heet. Dan viel ook zij in puin evenals de grootsche
Drachenburg, waarvan de toren nog steeds omhoog steekt. Een halve
eeuw geleden viel op een stormachtigen winternacht de laatste boog
van de Rolandsvesting in puin, maar door prijzenswaardige piëteit
is zij weer opgebouwd, en evenals voorheen prijkt de Rolandsboog
op de steile rots, op het schoonste punt van het heerlijke Rijndal,
ten einde de tegenwoordige geslachten aan de trouwe liefde uit den
riddertijd te herinneren.