IV.

Maanden waren er sedert dien tijd verstreken. De lente was voorbij en

de schooven stonden reeds op de velden. Op de plaats, waar de vloed,

aan het einde van het Rijndal gekomen, door zeven trachietreuzen met

door burchten gekroonde hoofden omringd wordt, houdt de ridder met zijn

gevolg stil. Het is nog niet lang geleden, dat hij ver in het Zuiden,

waar de Iberische zon het dal van Ronceval bestraalt, in een armoedige

herdershut ziek gelegen heeft. Daarheen had de trouwe schildknaap

zijn meester, die door een lans van een Moor in de borst getroffen

was, gesleept. Hier had de dappere held en legeraanvoerder weken-

en maandenlang op het ziekbed gelegen en met den dood geworsteld,

totdat zijn krachtige natuur de overwinning behaalde. Roland herstelde

door de liefdevolle verpleging, terwijl hij in het Frankenland als

een doode betreurd werd. Nu was hij teruggesneld naar de plaats,

waarheen hij met geweld getrokken werd. Een boschrijk eiland verheft

zich groetend uit den lichtblauwen vloed. De gouden avondzon schittert

over de bergen. Op den bergrug tallooze druivenstokken, links de

liefelijke beukenboschjes, tot aan de steile kruin opstijgend, rechts

de murmelende golfslag, aan de overzij, ver zichtbaar op de sagenrijke

rots, waar eens een afschuwelijke draak gehuisd had, de muren van

een ridderslot. Hoog boven alles de nacht in gouden sterrengewaad.

Zwijgend staat de ridder stil. Zijn blik rust bewonderend op het

prachtige landschap, evenals maanden geleden, wordt hij week gestemd.

"Hildegonda" fluistert Roland en ziet op naar den met sterren

bezaaiden hemel.

Evenals destijds vaart wederom een schip door de donkere water. Op

den boschweg, die naar de Drachenburg leidt, schrijdt Roland, door

zijn schildknaap vergezeld.

Met doodsbleek gelaat staart de oude slotbewaker naar de late

gasten. Hij maakt een kruis en ijlt in het vertrek van zijn heer. Daar

wankelt een manlijke gestalte, door ouderdom en verdriet gebogen. De

ridder snelt hem tegemoet. "Roland" klinkt het als een steunen van de

verbleekte lippen van den burchtheer. Zwijgend houdt de late bezoeker

den snikkenden ouden heer in de armen gesloten. Toen Roland maanden

geleden wegging, vond zijn verdriet geen tranen, nu vloeiden zij

rijkelijk over zijn door smart ingezonken wangen.

Roland maakt zich uit de omarming van den ridder los.

"Waar is zij?" (Gillend uit hij deze vraag.) "Dood?"

Vreeselijk treurig ziet graaf Heribert hem aan.

"Hildegonda, de bruid van den voor dood gehouden Roland, werd de

bruid des hemels."

Bij het hooren van deze woorden steunde de held luid en verborg vol

smart het hoofd in de handen.

Tegen het aanbreken van den dag heeft hij den burcht verlaten,

gelijk een koningseik, die door den bliksem getroffen is. In den

tegenover gelegen burcht op den rotswand, die door de hoopvolle

liefde in de lente opgebouwd werd, heeft hij zijn intrek genomen,

en daar heeft hij de wapenrusting voor altijd afgelegd. Uitgedoofd

waren de sterren in zijn borst, gestorven de begeerte naar roem. Dag

aan dag heeft hij daar boven gezeten en zwijgend naar het groene

eiland in den Rijn gestaard, waar de non Hildegonda elken morgen in

den kloostertuin tusschen de bloemen wandelde. Soms scheen het hem,

alsof ze zich groetend boog en dan werd het bleeke gelaat van den

ridder door het avondrood van het vroeger stralende geluk opgeklaard.

Daarna werd hem ook dit geluk ontnomen. Op een dag bleef de geliefde

uit, en toen klonk het doodsklokje klagend op het stille eiland. Hij

ziet daar beneden een lijkkist naar het kerkhof dragen en hoort de

treurzangen en gebeden der nonnen. Hij ziet ze allen, slechts eene

ontbreekt. En de held bedekt het gelaat met de handen. Hij weet nu,

wie ze daar grafwaarts dragen.

De herfst kwam en verdorde bladeren woeien over het graf van de non

Hildegonda. Nog altijd zat Roland daar boven en tuurde elken morgen

naar het kerkhof op het eiland. En zoo werd hij op een dag door zijn

schildknaap levenloos gevonden, het gebroken oog op de plaats gericht,

waar de verlorene geliefde sliep.

Nog vele eeuwen versierde de trotsche Rolandsvesting den berg, die nog

steeds Rolandseck heet. Dan viel ook zij in puin evenals de grootsche

Drachenburg, waarvan de toren nog steeds omhoog steekt. Een halve

eeuw geleden viel op een stormachtigen winternacht de laatste boog

van de Rolandsvesting in puin, maar door prijzenswaardige piëteit

is zij weer opgebouwd, en evenals voorheen prijkt de Rolandsboog

op de steile rots, op het schoonste punt van het heerlijke Rijndal,

ten einde de tegenwoordige geslachten aan de trouwe liefde uit den

riddertijd te herinneren.

Sagen van den Rijn(#15163) · 第 89 / 114 题