I.

Keizer Karel de Groote werd door een menigte sterke helden omgeven. De

eerste dezer paladijnen was de neef van den koning der Franken,

Ronald van Angers. Geen naam, die in den slag of bij het tournooi meer

uitblonk, dan de zijne. Hij werd door het zwakkere geslacht vereerd,

door zijn vrienden bewonderd en door zijn vijanden geacht. Zijn

ridderlijke geest verzette zich tegen het weelderige genotvolle

leven. Het voortdurende verblijf aan het keizerlijke hof bevredigde

hem niet, en zoo wendde hij zich tot zijn keizerlijken oom met

verzoek hem toe te staan een reis naar het machtige Frankische rijk

te ondernemen, dat hem tot nu toe onbekend was gebleven. Daar hij

zich zijn jeugdige kracht bewust was, verlangde hij naar ridderlijke

avonturen en gevaren. Karel de Groote zag den dapperen krijgsheld met

weemoed van zijn hof vertrekken; ongaarne voldeed hij aan zijn verzoek.

En zoo verliet dus de ridderlijke held, slechts vergezeld door eenige

getrouwe schildknapen, bij het aanbreken van den dag het keizerlijk

paleis aan de Seine, en sloeg de richting naar het Oosten in; de

Vogezen waren het eerste doel van zijn tocht. Op den burcht Niedeck

bij Haslach nam hij eerst zijn intrek en vervolgens bij Attich,

hertog in den Elzas.

Steeds verder trok Roland, en toen hij op een avond de helling van

het Vogezenwoud afreed, begroette hem uit de verte het glinsterende

water van den Rijn. Breed wierpen de ontboeide golven zich links

en rechts over de bedding van den stroom, de vlakte meedoogenloos

bespoelend. Weinig bekoorlijkheid bezat de rivier hier in zijn

grenzenlooze woestheid. Maar de ridder wist, dat het schouwspel spoedig

veranderen zou. Hij trok Rijnafwaarts, waar de groote bergreuzen den

ruischenden stroom omsluiten. Zegevierend staat hun voet in den vloed,

slechts zelden wijken ze eenigszins ter zijde en laten een smalle

strook land vrij, nauwelijks breed genoeg, om reizigers en voertuigen

te laten passeeren. Op hun hoogten prijken trotsche koninklijke

burchten, die den voorbijganger beneden den roem van voorname

geslachten verkondigen. Dit alles zag Roland op zijn vroolijken

Rijntocht. Hij bezocht menige sagenrijke en herinneringsvolle

plaats, de steile Loreleirots, waar 's nachts de waternimf zong,

het vriendelijke plaatsje, waar St. Goar geleefd en gewerkt heeft,

ten tijde van Childeberts den Merowinger (deze wonderlijke heilige

zond kortelings den keizerlijken oom van Roland een dichten nevel

na, omdat keizer Karel de Groote op zijn tocht van Ingelheim naar

Koblenz verzuimd had zijn knie voor de heilige kapel te buigen,

zoodat hij genoodzaakt werd in het vrije veld te overnachten), en ook

de Mayenfelder Au bij Andernach, waar Genoveva de deugdzame gemalin

van paltsgraaf Siegfried geleefd heeft.

En nu kwam Roland aan de plaats, waar de vloed, aan het einde van

het Rijndal gekomen, omringd wordt door trachietreuzen, waarvan

de toppen met geweldige burchten gekroond zijn, evenals de zeven

gekroonde paladijnen, die in lateren tijd den heiligen persoon van

den Duitschen keizer vol wijding omringden. Een boschrijk eiland

verheft zich hier uit den zacht blauwen vloed. De gouden avondzon

schittert over de bergen. Op den bergrug tallooze druivenstokken,

links de liefelijke beukenboschjes, tot aan de steile kruin opstijgend,

rechts de murmelende golfslag, aan de overzij, ver zichtbaar op de

sagenrijke rots, waar eens een afschuwelijke draak gehuisd heeft,

de muren van een ridderslot. Hoog boven alles de nacht in gouden

sterrengewaad. Zwijgend stond de ridder stil. Zijn blik rustte

bewonderend op het prachtige landschap. Onrustig stampte de hoef van

het paard op den grond, bezorgd keek de getrouwe schildknaap naar

den steeds donkerder wordenden hemel. Bedeesd herinnerde hij zijn

heer er aan, dat het tijd werd, nachtlogies te zoeken.

"Daar boven zou ik het gaarne vragen," antwoordde Roland, terwijl

hij voor het eerst zeldzaam week gestemd werd. Hij gebood zijn

schildknaap den schipper, die juist zijn bootje voor de nachtelijke

vangst losmaakte, den naam van het slot te vragen.

De vesting behoorde aan de Drachenburgers, graaf Heribert woonde

daar op het oogenblik. Zoo luidde het antwoord, en vreugde straalde

uit Rolands oogen. Vele groeten en boodschappen waren hem door

ridderlijke vrienden aan den Bovenrijn en elders aan den ouden graaf

op de Drachenburg opgedragen. Roland talmde niet langer met zijn

besluit. Weldra voer een boot door den donkeren vloed.

Sagen van den Rijn(#15163) · 第 86 / 114 题