Genoveva's bestaan was hoogst treurig. Geheel opgaande in haar smart,
doolde zij dood vermoeid door het onbekende woud rond. De honger
kwam en deed zijn rechten gelden. Zacht kermde het knaapje op haar
arm, en een innig gebed zond de vertwijfelde moeder ten hemel. Het
drukkende harteleed loste zich op in een vloed van tranen, die haar
eenigszins verlichtten. De knaap was, nadat ook hij lang geschreid
had, ingeslapen. Eensklaps zag Genoveva, als door den hemel, dien ze
aangeroepen had, gezonden, een hol voor zich, dat haar een schuilplaats
en toevluchtsoord aanbood. En, als wilde God haar toonen, dat hij
harer welwillend gedacht, kwam er een witte hinde in het hol, die
zich vertrouwelijk aan de voeten van de verlatene neervlijde. Haar
uiers waren gevuld met melk; zij moest eenige dagen geleden jongen
gekregen hebben. Gewillig liet het zachte dier toe, dat de vrouw
haar kindje laafde. Ook den volgenden morgen kwam de hinde weder,
en Genoveva dankte God uit den grond van haar hart. Zij vond wortels,
bessen en kruiden, waarmede ze zich in het leven kon houden. Het makke
dier kwam elken dag in het hol en bleef eindelijk voortdurend bij haar.
Zoo verliepen er dagen, weken en maanden. Door de onveranderlijke
vroomheid der zwaar beproefde vrouw was de hevige smart in zachten
weemoed overgegaan. Na verloop van tijd kon zij haar echtgenoot,
die haar onschuldig veroordeeld had, vergeven, evenals hem, die zich
meedoogenloos op haar deugd gewroken had. Wel waren haar liefelijke
wangen smal geworden, maar de gekruide boschlucht veranderde de
bleekheid, die de kerkerlucht daarop verspreid had in een zacht
rood. Meer nog nam de knaap in beterschap toe, daar hem niet zooals
zijn moeder dat verterende leed aan het hart knaagde. Een bloeiende
twijg aan een geknakten stengel.