IV.

Sedert deze treurige gebeurtenis was het verdriet een trouw bezoeker op

het slot van den paltsgraaf. De hevige toorn was in knagend hartzeer

overgegaan. Dikwijls, wanneer hij onrustig door de kamers dwaalde,

waaraan zooveel herinneringen verbonden waren en doodsche stilte

hem omringde, waar vroeger de zachte stem van de geliefde vrouw

weerklonken had, dan overweldigde hem de smart. En het berouw kwam

en fluisterde hem met gloeiende woorden in het oor: of de gruwelijke

straf, die hij opgelegd had, niet te zwaar geweest was--of hij niet te

snel het vonnis uitgesproken had en of hij niet had moeten overwegen,

wat tot verzachting der ontmaskerde zonde had kunnen bijdragen.

Als deze vermanende stemmen hem vervolgden, dan werd het slot en de

eenzaamheid den paltsgraaf te veel, en hij snelde naar buiten met de

keffende honden en het gevolg, om door jachtfanfares en hondengeblaf

de innerlijke aanklagers tot zwijgen te brengen. Maar het gelukte hem

slechts zelden, en ook buiten zag steeds een doodsbleek vrouwengezicht

tot hem op, om dan in een stralenkrans weg te smelten. Golo had wel

bemerkt, hoe het met den zielstoestand van zijn meester gesteld was,

en dubbel drong de sluwe man zich aan den paltsgraaf op, huichelde

steeds grootere onderdanigheid en zorg voor diens welzijn. Een

hongerige neemt zelfs het brood aan, dat een bedelaar hem biedt:

Siegfried meenende, dat de slotvoogd hem in zijn eenzaamheid wilde

troosten, nam deze bewijzen van genegenheid minzaam aan en beloonde ze

met welwillendheid, hoewel hij in zijn binnenste vertoornd was op den

man, die hem den treurigsten dienst zijns levens bewezen had. Eens ging

de paltsgraaf weer op de jacht. Slechts een klein gevolg begeleidde

hem. Ook Golo was onder hen. Dieper dan gewoonlijk was Siegfried het

bosch ingegaan. Een sneeuwwitte hinde was voor hem opgesprongen, en als

een goed jager rende de paltsgraaf over heg en struik, om het zeldzame

dier neer te schieten. Reeds had zijn speer het dier aangeraakt,

toen het plotseling in een hol verdween. En een vrouwelijke gestalte

met een knaapje aan de hand trad plotseling in de opening tusschen de

rotsen. De hinde, die bescherming bij haar zocht, vlijde zich tegen

haar aan. Zij bespeurt den jager en werpt met een blos van schaamte

haar rijke mantel van blond haar over het armoedige gewaad. Maar

een siddering overvalt haar, onbeweeglijk staren de groote vermoeide

oogen den jager aan. Een kreet klinkt van haar lippen, half juichend,

half kermend en zij werpt zich aan de voeten van den paltsgraaf. En

van de lippen, die maandenlang slechts vurige gebeden gepreveld of

het verlaten kind zoete vleierijen toegefluisterd hebben, stroomen nu

betuigingen van onschuld en aanklachten tegen haar vervolgers. Als

vuur dringen haar woorden in de ziel van den paltsgraaf, als vuur,

dat verlicht, loutert en ontvlamt.

Plotseling tot bezinning gekomen, trekt hij zijn wedergevonden vrouw

aan zijn borst, kust haar traan voor traan van de wangen weg en werpt

zich dan zelf aan haar voeten, terwijl hij berouwvol om vergeving

smeekt. Den knaap drukt hij aan zijn hart en geeft het miskende kind

duizend teedere namen.

Dan blaast hij op den jachthoorn. Het gevolg nadert; ook Golo. De

paltsgraaf trekt hem uit den kring der ontstelde wapendragers en

sleurt hem vlak voor Genoveva.

"Kent gij haar?"

Als door geeselslagen getroffen, kromp de ellendeling ineen,

en omklemde voortdurend de knieën van zijn meester, die hem

verachtelijk van zich stiet. Hij biechtte zijn misdaad en smeekte

om genade. Siegfried schudde treurig het hoofd, liet hem boeien en

wegbrengen. Een smadelijke dood was, niettegenstaande de voorspraak

van de vrome paltsgravin, Golo's loon.

De zon van nieuw geluk bestraalde weer paltsgraaf Siegfried en zijn

engelachtige vrouw. Met dubbele teederheid schonk de paltsgraaf zijn

liefde aan de trouwe gemalin en zijn bloeiend knaapje. In het bosch,

waar de hinde hem het spoor naar het hol gewezen had, liet hij,

uit dankbaarheid aan God, een kerk bouwen. Dikwijls ging de vrome

paltsgravin in dit godshuis bidden en prees Gods goedheid, die haar

tranen in vreugde had doen veranderen.

Op een dag werd haar omhulsel onder groote droefheid weggedragen en in

deze kerk bijgezet. Nog heden staat de oude Vrouwenkerk te Laach in de

"Mayenfelder Au", nog heden laat men den bezoeker het grafteeken, den

toren, waarin zij smachtte, het rotshol, waarin zij leed, zien, en er

is niemand in het Rijnland, die de deugdzame gemalin van paltsgraaf

Siegfried, de heilige Genoveva niet kent.

Sagen van den Rijn(#15163) · 第 79 / 114 题