II.

Acht maanden was paltsgraaf Siegfried reeds afwezig. Als een held

had hij in menig hevig gevecht gestreden. Met woesten geestdrift

vochten de dweepzieke Mahomedanen, die de Pyreneeën overgestoken

waren, om ook het overige Westen met vuur en zwaard aan de leer van

hun profeet te onderwerpen. In vele gevechten hadden de Franken voor

hun overmacht moeten zwichten. Reeds stonden de teugellooze Horden

in het midden van Gallië en drenkten hun paarden met het water van

de Loire. Daar verscheen Karel, de eerste paladijn van den zwakken

koning der Franken, en mat zich in een bloedig gevecht bij Tours met

de Arabieren. Vanaf het aanbreken van den dag tot aan het vallen

van den avond streden hier het kruis en de halve maan om Europa's

lot. Nooit genoeg heeft men dezen strijd tegen de Mooren tusschen

Tours en Poitiers gewaardeerd, toen Karel Martel als met een hamer de

ongeloovigen op het hoofd sloeg, evenals voorheen Judas deed, dien

ze Maccabeeus, dat beteekent: "de hameraar", genoemd hebben. Aan de

zijde van den legeraanvoerder streed Siegfried, de paltsgraaf. Hij

vocht als een leeuw, en God beschermde hem tot aan het einde van den

strijd. Dienzelfden avond echter werd de dappere paltsgraaf door de

lans van een vervolgden Saraceen getroffen. Het was geen doodelijke

steek geweest, maar gedurende maanden was hij tot werkeloosheid

gedoemd. Mistroostig lag graaf Siegfried op zijn legerstede, en vol

droefheid dacht hij aan de geliefde gade in het mooie Rijndal.

Toen kwam er op een dag een bode uit den "Mayenfelder Gau", die

den paltsgraaf een perkament bracht, door Golo den slotbewaarder

geschreven. Ontzet heeft graaf Siegfried de krullende, zwarte teekens

aangestaard, als wilde zijn blik ze van het blad uitwisschen; maar

hoonend hebben ze voor zijn oogen gedanst, en in zijn ooren heeft de

ontzettende tijding geklonken: "je vrouw heeft de trouw gebroken met

Drago, den weggeloopen stalknecht."

Woedend hebben de vingers van den held het geschrift omklemd, een

steunen drong uit den bleeken mond. Op hetzelfde uur heeft hij zich

met eenige wapendragers op weg begeven en is somber en ontstemd de

richting van de Ardennen ingeslagen. Hij heeft niet gerust voor dat

de Paltsburcht voor zijn oogen opdoemde. Op de platform stond een

man, die onderzoekend in de verte tuurde. Toen hij in de nabijheid

stofwolken zag opwaaien en een kleine schaar ruiters ontdekte, kwam

er een zegevierende blik in de donkere oogen.

Daar rent een statig ridder voor de anderen uit. Donderend dreunt de

met ijzerbeslagen hoef van het strijdros op de ophaalbrug. Voor den

somberen paltsgraaf, die snel van zijn paard afgesprongen is, staat

Golo met gehuichelde ontroering. Opnieuw deelt hij met gekunstelde

smart mede, hetgeen de ridder reeds door den koerier vernomen heeft.

"Waar is de boosdoener, opdat ik hem, die de eer van mijn huis

bezoedelde, verplettere!" riep de paltsgraaf vol vertwijfeling uit.

"Heer, ik heb den ellendeling gruwelijk gestraft en hem vervolgens

met zweepslagen uit het slot verdreven," antwoordde Golo met krachtige

stem.

De paltsgraaf zucht diep. Zwijgend wenkt hij Golo, en een straal van

duivelsche vreugde schittert in het oog van den valschaard.

Ook in de onderaardsche gevangenis was het geluid van paardengetrappel

en van het toeloopen der bedienden doorgedrongen. Zich hoog oprichtend,

luistert Genoveva in haar kerker. Een dierbare naam en een bede tot

God komt op haar lippen. Nu moest de vreeselijke beproeving een einde

nemen, en haar deugd zegevierend de plaats der smaad verlaten en de

doornenkroon verwisseld worden voor den zegekrans.

Daar wordt de grendel weggeschoven, harde voetstappen weerklinken. Aan

haar borst trekt zij het sluimerende knaapje. De vleugeldeur wordt

opengeworpen, en den geliefden echtgenoot toont zij het aanvallige

kind, het pand hunner liefde en juichend klinkt de naam van den

dierbaren gemaal van haar lippen. Maar plotseling veranderen haar

woorden in een luiden smartkreet. Hij slingert haar van zich af,

als hamerslagen treffen zijn aanklachten haar onschuldig hoofd,

en kermend valt Genoveva in onmacht. Den volgenden morgen bij het

aanbreken van den dag brachten twee knechten de ongelukkige naar

buiten in het bosch. In koelen bloede moesten zij de vrouw dooden, die

haar gemaal op schandelijke wijze ontrouw geweest was, terwijl deze

zijn leven aan de heilige zaak gewijd had, en met haar moest tevens

het kind der schande sterven. De vertoornde paltsgraaf had bevolen,

hem de tongen te brengen, als bewijs van het uitgevoerde bevel.

Hardvochtig sleepten de knechten de ongelukkige naar het meest woeste

deel van het woud, waar slechts het schreeuwen van een roofvogel

of de kreet van een dier uit het bosch de stilte verbrak. Reeds

hadden ze de messen getrokken. Daar wierp de paltsgravin zich vol

vertwijfeling aan de voeten van de mannen, hield weenend haar knaapje

in de hoogte en smeekte hun, zoo niet haar, dan toch het onschuldige

kind te sparen. Medelijden maakte zich van de mannen meester en

ontwapende hun hand, die het moordwapen vasthield. Nog dieper in het

woud brachten ze moeder en kind, keerden zich toen snel om en lieten

de slachtoffers aan hun lot over.

Twee reetongen brachten de mannen den paltsgraaf en deelden hem mede,

dat ze zich getrouw van hun opdracht gekweten hadden.

Sagen van den Rijn(#15163) · 第 77 / 114 题