Acht maanden was paltsgraaf Siegfried reeds afwezig. Als een held
had hij in menig hevig gevecht gestreden. Met woesten geestdrift
vochten de dweepzieke Mahomedanen, die de Pyreneeën overgestoken
waren, om ook het overige Westen met vuur en zwaard aan de leer van
hun profeet te onderwerpen. In vele gevechten hadden de Franken voor
hun overmacht moeten zwichten. Reeds stonden de teugellooze Horden
in het midden van Gallië en drenkten hun paarden met het water van
de Loire. Daar verscheen Karel, de eerste paladijn van den zwakken
koning der Franken, en mat zich in een bloedig gevecht bij Tours met
de Arabieren. Vanaf het aanbreken van den dag tot aan het vallen
van den avond streden hier het kruis en de halve maan om Europa's
lot. Nooit genoeg heeft men dezen strijd tegen de Mooren tusschen
Tours en Poitiers gewaardeerd, toen Karel Martel als met een hamer de
ongeloovigen op het hoofd sloeg, evenals voorheen Judas deed, dien
ze Maccabeeus, dat beteekent: "de hameraar", genoemd hebben. Aan de
zijde van den legeraanvoerder streed Siegfried, de paltsgraaf. Hij
vocht als een leeuw, en God beschermde hem tot aan het einde van den
strijd. Dienzelfden avond echter werd de dappere paltsgraaf door de
lans van een vervolgden Saraceen getroffen. Het was geen doodelijke
steek geweest, maar gedurende maanden was hij tot werkeloosheid
gedoemd. Mistroostig lag graaf Siegfried op zijn legerstede, en vol
droefheid dacht hij aan de geliefde gade in het mooie Rijndal.
Toen kwam er op een dag een bode uit den "Mayenfelder Gau", die
den paltsgraaf een perkament bracht, door Golo den slotbewaarder
geschreven. Ontzet heeft graaf Siegfried de krullende, zwarte teekens
aangestaard, als wilde zijn blik ze van het blad uitwisschen; maar
hoonend hebben ze voor zijn oogen gedanst, en in zijn ooren heeft de
ontzettende tijding geklonken: "je vrouw heeft de trouw gebroken met
Drago, den weggeloopen stalknecht."
Woedend hebben de vingers van den held het geschrift omklemd, een
steunen drong uit den bleeken mond. Op hetzelfde uur heeft hij zich
met eenige wapendragers op weg begeven en is somber en ontstemd de
richting van de Ardennen ingeslagen. Hij heeft niet gerust voor dat
de Paltsburcht voor zijn oogen opdoemde. Op de platform stond een
man, die onderzoekend in de verte tuurde. Toen hij in de nabijheid
stofwolken zag opwaaien en een kleine schaar ruiters ontdekte, kwam
er een zegevierende blik in de donkere oogen.
Daar rent een statig ridder voor de anderen uit. Donderend dreunt de
met ijzerbeslagen hoef van het strijdros op de ophaalbrug. Voor den
somberen paltsgraaf, die snel van zijn paard afgesprongen is, staat
Golo met gehuichelde ontroering. Opnieuw deelt hij met gekunstelde
smart mede, hetgeen de ridder reeds door den koerier vernomen heeft.
"Waar is de boosdoener, opdat ik hem, die de eer van mijn huis
bezoedelde, verplettere!" riep de paltsgraaf vol vertwijfeling uit.
"Heer, ik heb den ellendeling gruwelijk gestraft en hem vervolgens
met zweepslagen uit het slot verdreven," antwoordde Golo met krachtige
stem.
De paltsgraaf zucht diep. Zwijgend wenkt hij Golo, en een straal van
duivelsche vreugde schittert in het oog van den valschaard.
Ook in de onderaardsche gevangenis was het geluid van paardengetrappel
en van het toeloopen der bedienden doorgedrongen. Zich hoog oprichtend,
luistert Genoveva in haar kerker. Een dierbare naam en een bede tot
God komt op haar lippen. Nu moest de vreeselijke beproeving een einde
nemen, en haar deugd zegevierend de plaats der smaad verlaten en de
doornenkroon verwisseld worden voor den zegekrans.
Daar wordt de grendel weggeschoven, harde voetstappen weerklinken. Aan
haar borst trekt zij het sluimerende knaapje. De vleugeldeur wordt
opengeworpen, en den geliefden echtgenoot toont zij het aanvallige
kind, het pand hunner liefde en juichend klinkt de naam van den
dierbaren gemaal van haar lippen. Maar plotseling veranderen haar
woorden in een luiden smartkreet. Hij slingert haar van zich af,
als hamerslagen treffen zijn aanklachten haar onschuldig hoofd,
en kermend valt Genoveva in onmacht. Den volgenden morgen bij het
aanbreken van den dag brachten twee knechten de ongelukkige naar
buiten in het bosch. In koelen bloede moesten zij de vrouw dooden, die
haar gemaal op schandelijke wijze ontrouw geweest was, terwijl deze
zijn leven aan de heilige zaak gewijd had, en met haar moest tevens
het kind der schande sterven. De vertoornde paltsgraaf had bevolen,
hem de tongen te brengen, als bewijs van het uitgevoerde bevel.
Hardvochtig sleepten de knechten de ongelukkige naar het meest woeste
deel van het woud, waar slechts het schreeuwen van een roofvogel
of de kreet van een dier uit het bosch de stilte verbrak. Reeds
hadden ze de messen getrokken. Daar wierp de paltsgravin zich vol
vertwijfeling aan de voeten van de mannen, hield weenend haar knaapje
in de hoogte en smeekte hun, zoo niet haar, dan toch het onschuldige
kind te sparen. Medelijden maakte zich van de mannen meester en
ontwapende hun hand, die het moordwapen vasthield. Nog dieper in het
woud brachten ze moeder en kind, keerden zich toen snel om en lieten
de slachtoffers aan hun lot over.
Twee reetongen brachten de mannen den paltsgraaf en deelden hem mede,
dat ze zich getrouw van hun opdracht gekweten hadden.