III.

Eens, op een namiddag vertoonde zich een groot schip op den

Rijn. Vreemde vlaggen woeien van de masten. Angela zag het vanaf de

platform en riep den broeder. Het schip kwam naderbij; men hoorde

het roepen van de stuurlieden en kon de gezichten van de bemanning

onderscheiden.

Plotseling stiet de jonkvrouw een vreeselijken kreet uit en wierp

zich weenend in de armen van den ontstelden ridder. Deze kromp

ineen. Somber staarde hij naar het schip. De ridder, die daar in

schitterende wapenrusting aan boord stond, was zijn broer. Een schoone

vrouw vlijde zich tegen hem aan.

Het schip legt aan.

Het eerste springt Koenraad aan wal.

De twee personen op de platform waren verdwenen. Een schildknaap

naderde den ridder en berichtte hem, dat het nieuwe slot, hem door

zijn vader vermaakt, zijn eigendom was.

Denzelfden dag kondigde hij zijn bezoek op Sterrenberg aan. Toen

hij voor de opgehaalde brug wachtte, liet zijn broeder hem zeggen,

dat hij den trouwelooze, die zijn verloofde verlaten had, slechts

met het zwaard in de hand ontmoeten wilde.

De beide burchten werden in schemering gehuld. Op den smallen weg,

die de vestingen scheidt, stonden twee broeders in een strijd op

leven en dood.

Dat was een verschrikkelijke broederstrijd.

Rechtvaardige toorn en gekrenkte trots deden de blanke wapenen

kruisen. De beide tegenstanders, wier hoofden, uit de pantserhemden

gloeiden, hadden dezelfde kracht, denzelfden moed. Rood druppelde

het bloed uit de armplaat van den oudsten.

Daar gingen de struiken uiteen. Een wit-gesluierde jonkvrouw, met

doodsangst op het gelaat, wierp zich tusschen de strijders. Het was

Angela. Wanhopig klonk haar smeeken:

"In naam des Heeren, die u ziet, houdt op! In naam van uw zaligen

vader, stuit den broedermoord. Degene, waarvoor gij de zwaarden trekt,

gaat op dit uur nog in het klooster en zal God voortdurend bidden, u,

ridder Koenraad uw trouwbreuk te vergeven en u te zegenen, evenals

uw broeder." De beide broeders lieten de wapenen zakken, Koenraad

boog het hoofd diep en hield de hand voor de oogen. Hij waagde het

niet de vrouw te aanschouwen, die hem zwijgend aanklaagde en in haar

volle waardigheid voor hem stond. Hendrik vatte de hand der weenende

jonkvrouw.

"Dank, zuster," fluisterde hij. "Kom, de trouwelooze verdient je

tranen niet."

Door de schaduwen der boomen werden zij onzichtbaar. Zwijgend tuurde

de ridder in de richting, waarheen zij gegaan waren. Een ongekend

gevoel kwam over hem. Hij bedekte het hoofd en weende.

Sagen van den Rijn(#15163) · 第 61 / 114 题