Eens, op een namiddag vertoonde zich een groot schip op den
Rijn. Vreemde vlaggen woeien van de masten. Angela zag het vanaf de
platform en riep den broeder. Het schip kwam naderbij; men hoorde
het roepen van de stuurlieden en kon de gezichten van de bemanning
onderscheiden.
Plotseling stiet de jonkvrouw een vreeselijken kreet uit en wierp
zich weenend in de armen van den ontstelden ridder. Deze kromp
ineen. Somber staarde hij naar het schip. De ridder, die daar in
schitterende wapenrusting aan boord stond, was zijn broer. Een schoone
vrouw vlijde zich tegen hem aan.
Het schip legt aan.
Het eerste springt Koenraad aan wal.
De twee personen op de platform waren verdwenen. Een schildknaap
naderde den ridder en berichtte hem, dat het nieuwe slot, hem door
zijn vader vermaakt, zijn eigendom was.
Denzelfden dag kondigde hij zijn bezoek op Sterrenberg aan. Toen
hij voor de opgehaalde brug wachtte, liet zijn broeder hem zeggen,
dat hij den trouwelooze, die zijn verloofde verlaten had, slechts
met het zwaard in de hand ontmoeten wilde.
De beide burchten werden in schemering gehuld. Op den smallen weg,
die de vestingen scheidt, stonden twee broeders in een strijd op
leven en dood.
Dat was een verschrikkelijke broederstrijd.
Rechtvaardige toorn en gekrenkte trots deden de blanke wapenen
kruisen. De beide tegenstanders, wier hoofden, uit de pantserhemden
gloeiden, hadden dezelfde kracht, denzelfden moed. Rood druppelde
het bloed uit de armplaat van den oudsten.
Daar gingen de struiken uiteen. Een wit-gesluierde jonkvrouw, met
doodsangst op het gelaat, wierp zich tusschen de strijders. Het was
Angela. Wanhopig klonk haar smeeken:
"In naam des Heeren, die u ziet, houdt op! In naam van uw zaligen
vader, stuit den broedermoord. Degene, waarvoor gij de zwaarden trekt,
gaat op dit uur nog in het klooster en zal God voortdurend bidden, u,
ridder Koenraad uw trouwbreuk te vergeven en u te zegenen, evenals
uw broeder." De beide broeders lieten de wapenen zakken, Koenraad
boog het hoofd diep en hield de hand voor de oogen. Hij waagde het
niet de vrouw te aanschouwen, die hem zwijgend aanklaagde en in haar
volle waardigheid voor hem stond. Hendrik vatte de hand der weenende
jonkvrouw.
"Dank, zuster," fluisterde hij. "Kom, de trouwelooze verdient je
tranen niet."
Door de schaduwen der boomen werden zij onzichtbaar. Zwijgend tuurde
de ridder in de richting, waarheen zij gegaan waren. Een ongekend
gevoel kwam over hem. Hij bedekte het hoofd en weende.