Den volgenden dag verliet de jonge ridder den vaderlijken burcht.
Het jonge meisje scheen in het eerst ontroostbaar van smart. Zij
schreide om den afwezigen geliefde en sliep toen in als een moegeweend
kind. En toen ze ontwakend om zich heen keek, kwam de toorn, die den
verloofde zacht beschuldigde en het beeld van hem, die zich om ijdelen
roem van haar gescheiden had, eenigszins uit haar herinnering verdreef.
Meer dan vroeger bleven haar blikken op den fieren jongeling rusten,
die een meisjesachtig gelaat op mannelijke schouders droeg, en die
gedwongen was, onder een dak met zijn verloren geliefde te wonen. Zij
bewonderde hem, die door ontelbare bewijzen van reine vriendschap
haar leed trachtte te verzachten. Veel, wat haar vroeger ontgaan was;
zijn groote moedigheid op de jacht, zijn bedrevenheid in het hanteeren
der wapenen, vond zij thans bewonderenswaardig.
Het scheen, dat hij haar ontvluchtte, als vreesde hij de geesten der
doode liefde te wekken, die in zijn ziel sluimerden. Angela echter
voelde zich steeds meer tot den ridder aangetrokken. Zij trachtte hem
duidelijk te maken, dat haar liefde voor den jongsten broer niets
geweest was, dan een voorbijgaande jeugdige hartstocht, die gelijk
met den persoon zelf verdween. Zij gevoelde zich ongelukkig, toen zij
bemerkte, dat hij, dien zij verkelijk lief kreeg, voor haar slechts
broederlijke genegenheid scheen te koesteren. En toch zou ze hem voor
een woordje van liefde haar rijk, gevoelvol hart hebben gegeven.
De verandering van haar gevoelens was den ridder niet verborgen
gebleven, maar trotsch en mannelijk verstikte hij elk opkomend gevoel
voor de verloofde van zijn broer.
De grijsaard was hoogst bevredigd, toen Angela hem eens haar hart
uitstortte. Hij bad God, de twee geliefde menschen bij elkaar te
brengen, die volgens zijn inzicht een paar in den geest des Heeren
zouden worden. In zijn droomen zag hij Angela reeds met een knaapje op
den schoot, met blauwe oogen en blonde haren, evenals zijn overleden
vrouw en zijn eerstgeboren zoon. Dan dacht hij plotseling aan den
opvliegenden jongeling, die als kruisvaarder in het Heilige Land
vertoefde en snel brak hij zijn droomen af.
Tegenover zijn familieburcht liet hij een indrukwekkende vesting
bouwen. Hij gaf haar den naam van Liebenstein en bestemde haar voor
zijn tweeden zoon, als hij van den kruistocht terugkeerde. Nauwelijks
was de burcht voltooid, toen de grijsaard stierf.
Eenigen tijd later was de kruistocht afgeloopen. De heeren van
den Rijn, die terugkeerden, brachten de vreemde tijding mede, dat
graaf Koenraad een schoone voorname Grieksche vrouw mee zou brengen,
waarmede hij in het Morgenland getrouwd was.
Toen de broeder dit vernam, fonkelden zijn oogen. De mededeeling leek
hem onmogelijk. Hij berichtte de jonkvrouw de spoedige aankomst van
haar verloofde. Haar lippen bewogen zich, maar zij was niet in staat
een woord uit te brengen. Dikwijls ging zij naar den toren en richtte
haar blikken naar het Zuiden.