II.

Den volgenden dag verliet de jonge ridder den vaderlijken burcht.

Het jonge meisje scheen in het eerst ontroostbaar van smart. Zij

schreide om den afwezigen geliefde en sliep toen in als een moegeweend

kind. En toen ze ontwakend om zich heen keek, kwam de toorn, die den

verloofde zacht beschuldigde en het beeld van hem, die zich om ijdelen

roem van haar gescheiden had, eenigszins uit haar herinnering verdreef.

Meer dan vroeger bleven haar blikken op den fieren jongeling rusten,

die een meisjesachtig gelaat op mannelijke schouders droeg, en die

gedwongen was, onder een dak met zijn verloren geliefde te wonen. Zij

bewonderde hem, die door ontelbare bewijzen van reine vriendschap

haar leed trachtte te verzachten. Veel, wat haar vroeger ontgaan was;

zijn groote moedigheid op de jacht, zijn bedrevenheid in het hanteeren

der wapenen, vond zij thans bewonderenswaardig.

Het scheen, dat hij haar ontvluchtte, als vreesde hij de geesten der

doode liefde te wekken, die in zijn ziel sluimerden. Angela echter

voelde zich steeds meer tot den ridder aangetrokken. Zij trachtte hem

duidelijk te maken, dat haar liefde voor den jongsten broer niets

geweest was, dan een voorbijgaande jeugdige hartstocht, die gelijk

met den persoon zelf verdween. Zij gevoelde zich ongelukkig, toen zij

bemerkte, dat hij, dien zij verkelijk lief kreeg, voor haar slechts

broederlijke genegenheid scheen te koesteren. En toch zou ze hem voor

een woordje van liefde haar rijk, gevoelvol hart hebben gegeven.

De verandering van haar gevoelens was den ridder niet verborgen

gebleven, maar trotsch en mannelijk verstikte hij elk opkomend gevoel

voor de verloofde van zijn broer.

De grijsaard was hoogst bevredigd, toen Angela hem eens haar hart

uitstortte. Hij bad God, de twee geliefde menschen bij elkaar te

brengen, die volgens zijn inzicht een paar in den geest des Heeren

zouden worden. In zijn droomen zag hij Angela reeds met een knaapje op

den schoot, met blauwe oogen en blonde haren, evenals zijn overleden

vrouw en zijn eerstgeboren zoon. Dan dacht hij plotseling aan den

opvliegenden jongeling, die als kruisvaarder in het Heilige Land

vertoefde en snel brak hij zijn droomen af.

Tegenover zijn familieburcht liet hij een indrukwekkende vesting

bouwen. Hij gaf haar den naam van Liebenstein en bestemde haar voor

zijn tweeden zoon, als hij van den kruistocht terugkeerde. Nauwelijks

was de burcht voltooid, toen de grijsaard stierf.

Eenigen tijd later was de kruistocht afgeloopen. De heeren van

den Rijn, die terugkeerden, brachten de vreemde tijding mede, dat

graaf Koenraad een schoone voorname Grieksche vrouw mee zou brengen,

waarmede hij in het Morgenland getrouwd was.

Toen de broeder dit vernam, fonkelden zijn oogen. De mededeeling leek

hem onmogelijk. Hij berichtte de jonkvrouw de spoedige aankomst van

haar verloofde. Haar lippen bewogen zich, maar zij was niet in staat

een woord uit te brengen. Dikwijls ging zij naar den toren en richtte

haar blikken naar het Zuiden.

Sagen van den Rijn(#15163) · 第 60 / 114 题