Jaren zijn verstreken.
Karel de Groote heeft in Saksen overwinningen behaald en ook de
Romeinsche kroon verworven, zoodat zijn roem wijd en zijd verkondigd
werd, maar niettegenstaande dat is zijn haar vergrijsd en zijn gelaat
verouderd. Een aandoenlijk schoon beeld leefde sedert jaren in zijn
gedachten, en hij was niet bij machte dit te verbannen.
's Avonds wanneer de ondergaande zon in de marmeren zuilen van het
koninklijk slot weerspiegelden en haar laatste stralen hun gouden
schijnsel in het hooge vertrek van den beheerscher der Franken wierpen,
dan zagen zij hem dikwijls onbeweeglijk op zijn rijk gebeeldhouwden
stoel zitten, het diepdenkende hoofd in de handen verborgen.
De keizer was in treurig gepeins verzonken. Hij dacht aan
vervlogen dagen. In zijn verbeelding zag hij een jongen man, wiens
zacht karakter en meisjesachtig gelaat zeer afstak bij de schaar
stoere krijgslieden. Met welk een vuur had hij steeds de heerlijke
heldenzangen voorgedragen, alsook de roerende volksliederen, die de
keizer zoo ijverig verzamelde. Als hij dan voorgelezen had uit het
grauwe perkament, dat hij zelf met sierlijke letters geschreven had,
dan was er dikwijls een meisje met donkere oogen tegenwoordig geweest,
de lievelingsdochter van Karel den Grooten.
Tegen vaders knie aangevleid, luisterde zij naar de zachte stem
van den voorlezer en in haar helder oog blonk dikwijls een traan
van ontroering.